Posts Tagged ‘pasgeborene’

Dagelijkse Borst!

zaterdag, april 13th, 2013

Een tijdje geleden deed ik via facebook en twitter een oproep: “Omschrijf in drie woorden wat borstvoeding voor jou betekent?”

86 moeders gaven hun antwoord door, zonder te weten wat ik met deze antwoorden zou gaan doen. Dit was hun top 5:

  • 40% Liefde
  • 27% Natuurlijk
  • 23% Binding, Band, Verbondenheid
  • 18% Uniek
  • 15% Voeding

Aangevuld tot minstens 10% lezen we ook nog: Geborgenheid, Intens, Gemakkelijk, Genieten, Puur, Rust en Samen.

Dagelijkse borst!
Bovenstaande antwoorden heb ik eind februari 2013 gebruikt tijdens de voorstelling van de promotiefilm “Dagelijkse Borst!” op het jaarlijks symposium van Borstvoeding vzw te Sint-Niklaas.

 

Borstvoeding is voor veel moeders immers een onderdeel van hun dagelijks leven. Het is een keuze die ze maken, voor korte of voor langere tijd.

Inhoud en thema’s
De film is geen expliciet educatieve borstvoedingsfilm. Er komen geen hulpverleners aan het woord en in beeld, maar de gezinnen zelf! De film is namelijk gemaakt op basis van foto’s en verhalen die we kregen van ouders, aangevuld met cartoons, interviews en filmfragmenten.

Terugkerende thema’s zijn:

  • geboorte-ervaringen,
  • betrokkenheid van de partner,
  • relatie tussen moeder en kind,
  • fier zijn op de eigen prestatie,
  • voeden in het openbaar,
  • weer gaan werken,
  • langer voeden.

Woordarm en beeldrijk
Alle beelden in de film zijn ‘borstvoedingscorrect’. Er was namelijk voldoende materiaal om bij de selectie te letten op dingen zoals aanleghouding en drinktechniek. Want ook dat is educatie… Niet door expliciet te zeggen: “Het moet zo!”, maar gewoon door te tonen hoe het moet.

Wij leven immers in een beeldcultuur… Jonge mensen zijn makkelijker te ‘pakken’ met beelden dan met taal. Vandaar de bewuste keuze voor een woordarme en beeldrijke film!

Resultaat
Onze bedoeling was om mensen te raken. En van daaruit te hopen dat de boodschap zou blijven hangen: borstvoeding is normaal en de meest logische keuze voor je kindje.

Het uiteindelijke resultaat werd een compilatie van uitspraken, foto’s, filmfragmenten, cartoons en interviews. Van en door moeders! Een film waarin geen enkel taboe uit de weg wordt gegaan, maar waarin we er wel in slagen om borstvoeding voor te stellen als gewoon, normaal en… dagelijkse borst!

© 2013

Borstvoedingsbegeleiding van tienermoeders

zaterdag, maart 17th, 2012

Gegevensverzameling
Profiel van de tienermoeder
Leeftijd
Socio-economische achtergrond
Prematuriteit en dismaturiteit
Borstvoeding
Anatomie en fysiologie van de tienerborst
Borstklierweefsel
Samenstelling moedermelk
Melkvolume
Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden
Borstvoeding
Kunstvoeding
Prenatale begeleiding
Duur van de lactatieperiode
Postnatale borstvoedingsbegeleiding
Begeleiding op maat van de tienermoeder
Praktische en concrete voorlichting
Peer counseling
Terugkeer naar school begeleiden
Houding van de hulpverlener
Specifieke voordelen van borstvoeding bij tienermoeders
Conclusie
Bijlage: Gegevensverzameling


Onderzoek toont aan dat tienermoeders minder vaak borstvoeding geven in vergelijking met oudere mama’s. Hoe komt het dat jonge mama’s soms kiezen voor kunstvoeding? Welke factoren spelen een rol om al tijdens de zwangerschap te kiezen voor kunstvoeding of vrij snel na de bevalling borstvoeding op te geven? Kunnen we dit tij doen keren? Hoe pakken we dat concreet aan?

Gegevensverzameling

De meeste studies over borstvoeding bij tienermoeders zijn gebeurd in de Verenigde Staten. In de door mij gebruikte Amerikaanse onderzoeken bestaat de meerderheid van de onderzoeksgroep uit blanke moeders. Daar waar dat niet het geval is, vermeld ik dat in mijn artikel.
Naast Amerikaanse gegevens heb ik ook Braziliaanse, Canadese, Nederlandse en Vlaamse onderzoeksresultaten verwerkt.

Alle onderzoeken betreffen tienermoeders, met name moeders van 18 jaar of jonger. En in zo goed als alle gevallen gaat het om primiparae.

Meer details over de gebruikte onderzoeken vind je in de bijlage: Gegevensverzameling.

 Profiel van de tienermoeder

Leeftijd

De meerderheid van de Vlaamse tienermeisjes die zwanger worden is achttien jaar of ouder. In 2005 was slechts 32% geen achttien (Andries 2008), in 2010 was dat nog maar 24,4% (Krijtenburg-Kolman 2012). De overgrote meerderheid van de zwangerschappen is ongepland, maar daarom niet noodzakelijk ongewenst. Hoe ouder de zwangere, hoe vaker ze kiest voor het voldragen van de zwangerschap. Zo kiest de meerderheid van de 18- en 19-jarigen ervoor om de zwangerschap uit te dragen. (Andries 2008)

In Nederland werden 2636 onder de 20 jaar in 2009 moeder, wat iets meer dan vijf geboorten per duizend tienermeisjes betreft. (Infoportaal tienermoeders 2012) In Vlaanderen kregen 1365 meisjes onder de 20 jaar hun eerste kindje in 2006 (Vlaams Parlement 2008) en in 2010 waren dat er 1228 (Kind en Gezin 2011). Dat maakt bijna vier op duizend tienermoeders in Vlaanderen. (Vlaams Parlement 2008) Vlaanderen en Nederland scoren hiermee laag op wereldschaal.

Socio-economische achtergrond

Doorgaans gaat het in Vlaanderen om meisjes uit het beroepsonderwijs en zijn de meesten alleenstaand. (Vlaams Parlement 2008) Nederland kent een vergelijkbare situatie. Daar heeft 13% van de vroegtijdige schoolverlaters tussen 15 en 22 jaar één of meerdere kinderen, terwijl dat in die totale leeftijdgroep slechts 6% is. (Infoportaal tienermoeders 2012) Tienermoeders zijn vaker alleenstaand in vergelijking met oudere moeders. (Constance 1998, Krijtenburg-Kolman 2012) Ze belanden vaker in de armoede en worden over het algemeen dan ook tot de lagere socio-economische klasse gerekend. Eén studie, een Canadese, maakt een overzicht van de belangrijkste bron van inkomsten voor deze jonge moeders. Daaruit blijkt dat 56% onder hen een overheidsuitkering ontvangt, 39% onderhouden wordt door een ouder of voogd en slechts 5% in haar eigen inkomsten voorziet door een baan buitenshuis. (Keizer 1995) De leefomstandigheden en het opleidingsniveau maken ook dat gebrek aan zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld regelmatig voorkomt in deze groep moeders. (Constance 1998, Infoportaal tienermoeders 2012)

Prematuriteit en dismaturiteit

Door hun nog deels onvolgroeide lichaam en doorgaans ongezondere levenswijze (onevenwichtige voeding, roken, alcoholgebruik) en lager opleidingsniveau hebben tienermoeders een verhoogde kans op prematuriteit en dismaturiteit bij hun kindje. (Brown 2004, Infoportaal tienermoeders 2012) Een gegeven waar al tijdens de zwangerschap rekening mee dient gehouden te worden en waaraan de begeleiding aangepast zou moeten worden. (Krijtenburg-Kolman 2012) Mogelijk beïnvloedt dit ook de borstvoedingscijfers. Bij een kindje dat te vroeg geboren is of een te laag geboortegewicht heeft heb je immers een verhoogde kans op borstvoedingsmoeilijkheden.

Borstvoeding

Als we globaal kijken, dan start slechts 43% van de pasbevallen vrouwen jonger dan 20 jaar met borstvoeding. Ter vergelijking: In de leeftijdscategorie van 20 tot en met 29 jaar is dat 65% en bij moeders ouder dan 30 jaar zelfs 75%. (Grassley and Sauls 2012)

Kind en Gezin geeft aan dat 49% van de tienermoeders (tot 20 jaar) op dag 6 na de geboorte borstvoeding geeft. Voor vrouwen tussen de 20 en de 25 jaar is dat 57,3% en in de leeftijdscategorie boven de 25 jaar is dat 64,4%. (Kind en Gezin 2011)

Anatomie en fysiologie van de tienerborst

Borstklierweefsel

Een tienermoeder is normaalgezien perfect in staat om borstvoeding te geven. Borstklierweefsel is immers zo’n twaalf tot achttien maanden na het doorbreken van de eerste menstruatie in staat tot de aanmaak van voldoende moedermelk. (Mohrbacher and Stock 2005)

 Samenstelling moedermelk

Verschillende studies geven aan dat de samenstelling van rijpe moedermelk van tienermoeders weinig verschilt van de melk van oudere moeders. (Motil et al 1997) Toch zijn er enkele kleinere verschillen merkbaar:

  • Gemiddeld vindt men hogere natriumconcentraties in de moedermelk van tienermoeders tijdens de eerste weken postpartum. Dit heeft verder geen gevolgen voor de neonaat. (Motil et al 1997)
  • Een Braziliaanse studie geeft een gemiddeld hogere totale eiwitconcentratie in rijpe moedermelk van jonge moeders in vergelijking met de melk van oudere moeders. Mogelijk een compensatiemechanisme om de calorische waarde van de melk te handhaven, zo stellen de onderzoekers. (Brasil et al 1991) Tienermoeders geven immers gemiddeld minder voedingen per etmaal dan oudere moeders. (Motil et al 1997)
  • Verschillende studies tonen ook aan dat het voedingspatroon van tieners verschilt van dat van volwassenen (Mohrbacher and Stock 2005, Flavia et al 2008): meer inname van verzadigde vetten en minder inname van poly-onverzadigde vetten. Vooral vette vis is ondervertegenwoordigd in het tienerdieet. Het gehalte aan essentiële vetzuren (omega 3 en omega 6) in het bloed van tienermoeders is daardoor gemiddeld lager in vergelijking met dat van oudere moeders. Voldoende essentiële vetzuren zijn bij zwangerschap en lactatie echter nodig voor een optimale neurologische, visuele en vasculaire ontwikkeling van de baby. Daarnaast is een tienerlichaam nog in groei en ontwikkeling en vraagt ook daarom extra voedingsstoffen en komt het voor dat deze jonge moeders soms liever niet te veel willen aankomen in gewicht en hun figuur behouden, waardoor er bij tienermoeders een vergrote kans is op tekorten aan essentiële voedingsstoffen tijdens zwangerschap en lactatie. Toch verschilt de samenstelling van rijpe moedermelk van een tienermoeder niet als dusdanig van de melk van een oudere moeder. De natuur zorgt er namelijk voor dat de groeiende foetus en de aanmaak van moedermelk voorrang krijgen op de moederlijke behoeftes, waardoor bij een onevenwichtige of onvoldoende voedingsinname vooral de moeder nadelen zal ondervinden. (Flavia et al 2008) Extra voedingsinformatie en/of –begeleiding kan dus nodig zijn (Wambach and Cole 2000), zelfs al vanaf het moment dat bekend is dat de jonge moeder zwanger is, niet voor de baby an sich maar voor de gezondheid van de tienermoeder zelf!

 Melkvolume

Het totale volume van moedermelk van tienermoeders verschilt weinig van het melkvolume van oudere moeders. (Riordan and Wambach 2010) Een vaak voorkomende lagere melkproductie bij tienermoeders kan voornamelijk verklaard worden door de doorgaans vroegere introductie van kunstvoeding en het feit dat tienermoeders vaker de neiging hebben om minder voedingen per etmaal te geven (Mohrbacher and Stock 2005), waardoor de melkproductie achteruit loopt. Mogelijk spelen bij deze lagere melkvolumes toch ook biologische factoren een rol. Welke dat zijn moet nog verder onderzocht worden. (Motil et al 1997)

 Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden

Borstvoeding

Tienermoeders zijn meer geneigd te starten met borstvoeding als… (Brown 2004)

  • Ze iemand anders in hun omgeving, zoals een familielid of vriendin, borstvoeding hebben zien geven.
  • Ze zelf borstvoeding hebben gekregen.
  • Ze over voldoende kennis over borstvoeding beschikken.

De eigen moeder van de tienermoeder heeft uiteindelijk de grootste invloed op de keuze voor borst- of kunstvoeding. (Brown 2004)
Deze onderzoeksresultaten suggereren dat tienermoeders zich sterk laten leiden door hun omgeving bij de voedingskeuze en dat het verstrekken van informatie belangrijk is om moeders een gefundeerde keuze te laten maken. De toekomstige oma zou hierbij betrokken moeten worden.

Tienermoeders die bewust kiezen voor borstvoeding geven daarvoor volgende redenen op:

  • Gezondheidseffecten voor het kindje (Wambach and Cohen 2009)
  • Kindje dicht bij zich kunnen houden, nabijheid en het niet moeten “afgeven” aan een oppas (Wambach and Cohen 2009)
  • Betere hechting met het kindje (Wambach and Cohen 2009)

Uit onderzoek blijkt inderdaad dat een veilige hechting de kans op gedragsproblemen op schoolgaande leeftijd aanzienlijk verkleint. Aangezien kinderen van tienermoeders en van moeders uit de lagere sociaal-economische klasse meer kans hebben op een onveilige hechting, is het geven van borstvoeding bij deze groep extra belangrijk. (Brown 2004)

Een studie onder Afro-Amerikaanse tienermoeders geeft aan dat jonge moeders echter vaak ambivalent en onzeker staan tegenover de keuze tussen borst- of kunstvoeding. Borstvoeding wordt gezien als de beste keuze omwille van de gezondheidsvoordelen, maar tegelijkertijd ook als complex en moeilijk vol te houden. Terwijl men naar kunstvoeding kijkt als de vanzelfsprekende en meest eenvoudige keuze, waarbij de moeder meer vrijheid heeft. Velen wensen dan ook borst- en kunstvoeding te gaan combineren. (Wambach and Koehn 2004)

 Kunstvoeding

Tienermoeders die kozen voor kunstvoeding geven daarvoor volgende redenen op:

  • Schaamte en angst voor de pijn bij borstvoeding (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Ongerustheid over hoe borstvoeding te combineren met de thuissituatie, met school of met de werksituatie (Constance 1998, Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Anderen kunnen ook een flesje geven en de moeder heeft daardoor meer vrijheid (Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Kunstvoeding is gemakkelijker dan borstvoeding (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Zich zorgen maken dat borstvoeding te veel invloed zal hebben op de vorm en de grootte van de borsten (Mohrbacher and Stock 2005)
  • Angst om belachelijk gemaakt te worden bij het voeden in het openbaar (Constance 1998, Brown 2004)
  • Schaamte om te voeden in het bijzijn van anderen (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Ongerustheid dat borstvoeding de relatie met anderen, voornamelijk de vrienden, zal beïnvloeden (Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005)
  • Denken dat borstvoeding niet samengaat met de levensstijl (roken, alcohol, anticonceptie, uitgaan) (Constance 1998, Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005)
  • Gevoelens  van de partner tegenover borstvoeding (Mohrbacher and Stock 2005)
  • Negatieve ervaringen van familie en/of vrienden met borstvoeding (Constance 1998, Brown 2004)

Hulpverleners geven volgende redenen aan waarom tienermoeders niet starten met borstvoeding:

  • Laag zelfbeeld, onzekerheid (Constance 1998, Brown 2004, Riordan and Wambach 2010)
  • Kennistekort of misvattingen over borstvoeding (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Nog onvolgroeide cognitief-emotionele ontwikkeling, waardoor egocentrische redenen aangehaald worden zoals te tijdrovend, te moeilijk of je krijgt er lelijke borsten van (Brown 2004)
  • Denken dat het waarschijnlijkheidsprincipe (bijvoorbeeld dat hun kindje meer kans maakt op ziekte bij kunstvoeding) niet op hen van toepassing zal zijn; een denkpatroon dat typisch is voor tieners en waardoor ze de gezondheidsnadelen van kunstvoeding gaan negeren of ontkennen (Brown 2004)

Bovenstaande gegevens wijzen in de richting van onzekerheid en omgevingsdruk, naast een kennistekort bij zwangere tieners, waardoor ze om de verkeerde redenen voor kunstvoeding kiezen. Informatieverstrekking en aangepaste begeleiding vroeg in de zwangerschap of zelfs al voordat er van zwangerschap sprake is, kan een oplossing zijn. Aangezien de meeste tieners nog volop in ontwikkeling zijn wat het cognitief-emotionele betreft, zal die informatieverstrekking aan hun leef- en denkwereld moeten aangepast worden. (Riordan and Wambach 2010) Het is ook nodig om infomomenten open te stellen voor de ondersteunende naaste omgeving van de tienermoeder: (schoon)moeder, partner, goede vriendin. (Constance 1998) Meer informatie hieronder in de hoofdstukken:
–          Prenatale begeleiding
–          Postnatale borstvoedingsbegeleiding

 Prenatale begeleiding

Vele moeders nemen de beslissing tot het geven van borstvoeding al voor de zwangerschap of in het eerste trimester van de zwangerschap (Wambach and Cole 2000), maar niet al deze moeders starten uiteindelijk ook met borstvoeding na de bevalling. (Riordan and Wambach 2010) Een probleem hierbij kan zijn dat de meeste jonge moeders ongepland zwanger worden. (Infoportaal tienermoeders 2012, Krijtenburg-Kolman 2012) Mogelijk is er dus aanvankelijk een ontkenning of afwijzing van de zwangerschap, waardoor begeleiding tijdens de eerste zwangerschapsmaanden niet of ontoereikend is. (Mohrbacher and Stock 2005)

Prenatale voorlichting over borstvoeding doet 65,1% van de tienermoeders effectief starten met borstvoeding, terwijl dat bij tienermoeders die geen prenatale voorlichting kregen slechts 14,6% is. (Brown 2004) Het heeft echter geen zin om alle zwangere tieners te gaan verplichten prenatale klassen te volgen. De vrijblijvendheid van deelname aan informatiebijeenkomsten is een belangrijke factor voor tienermoeders. Zij willen serieus genomen worden en zelf kunnen beslissen of ze deelnemen aan een begeleidings- en informatieproject of niet. Professionele begeleiding bij het ouderschap zou eigenlijk ook los moeten staan van de uiteindelijke voedingskeuze. Op die manier krijg je tienermoeders het best bereikt. (Brown 2004)

Tienermoeders vragen een andere begeleidingsaanpak dan wat er in het reguliere hulpverlenersaanbod voorhanden is. Met een betuttelende of belerende houding bereik je niet het gewenste resultaat. (Mohrbacher and Stock 2005) Jonge moeders hebben nood aan ondersteuning, maar willen vooral ook serieus genomen worden. (Hertfelt Wahn et al 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Doorgaans hebben ze minder zelfvertrouwen in het eigen moederlijke kunnen in vergelijking met oudere moeders. (Constance 1998, Mohrbacher and Stock 2005) Daarom moeten ze gezien worden als experts van hun eigen situatie en geaccepteerd worden als de persoon die ze zijn. Hierbij staat niet hun jonge leeftijd centraal, maar wel hun eigen persoonlijkheid en talenten. (Hertfelt Wahn et al 2005) Tegelijkertijd dient men rekening te houden met het feit dat jonge moeders vaak snel geïntimideerd zijn door hulpverleners en mensen uit hun naaste omgeving. (Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Ze hebben meer moeite om voor zichzelf op te komen, om hun wensen kenbaar te maken en vinden het soms moeilijk om informatie of hulp te vragen omtrent zwangerschap, bevalling en borstvoeding. (Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Het is belangrijk dat deze kwetsbare groep moeders bereikt wordt, maar vooral ook dat de begeleiding die ze krijgen aangepast is aan hun specifieke socio-economische en cognitief-emotionele situatie. Deze meisjes moeten de kans krijgen om uit te groeien tot krachtige jonge vrouwen! Iets wat je niet bereikt met een belerende of overdreven sturende houding, maar wel met een respectvolle en individueel aangepaste begeleiding.

Jonge moeders zitten bijvoorbeeld nog volop in het proces tot volwassen worden, met voor velen onder hen de daarbij horende puberale egocentriciteit. Tegelijkertijd worden zij verplicht om zich te richten op hun groeiende babytje en het uitbouwen van een primaire gehechtheidsrelatie. Tienermoeders kunnen op die manier een conflictsituatie ervaren tussen de ontwikkelingsnoden van hun kindje en hun eigen ontwikkelingsnoden als tiener. Het voldoen aan beide, soms tegengestelde, noden kan een hele opgave zijn voor de tienermoeder. (Brown 2004, Infoportaal tienermoeders 2012, Krijtenburg-Kolman 2012) Bij de prenatale voorlichting kan men rekening houden met deze egocentrische denkwijze door vooral de voordelen van borstvoeding voor de moeder te benadrukken: de gezondheidseffecten, het sneller op het oude gewicht zitten, beter slapen, langer uitblijven van de menstruatie en een betere binding met de baby. (Brown 2004)
Daarnaast leven tieners meer van dag tot dag en gaat het maken van toekomstplannen soms moeilijk (Mohrbacher and Stock 2005), omdat ze zich moeten aanpassen aan een situatie die ze niet verwacht hadden. Als ze toekomstplannen maken, koesteren ze daarbij vaak onrealistische toekomstverwachtingen. (Infoportaal tienermoeders 2012)

Prenatale begeleiding en voorlichting door een getrainde peer counselor in de vorm van een getrainde contactmoeder en/of lactatiekundige doet meer zwangere tieners beslissen tot het geven van borstvoeding en zorgt er ook voor dat tienermoeders borstvoeding langer volhouden. (Constance 1998, Wambach sd) Vooral prenataal contact met tienermoeders die succesvol borstvoeding geven of hebben gegeven maakt dat tieners makkelijker leren hoe ze zelf succesvol borstvoeding kunnen geven. (Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2012) Het tonen van een borstvoedingsvideo kan vooroordelen over borstvoeding uit de weg ruimen en tieners aanzetten om positiever te denken over borstvoeding, zowel bij niet-zwangeren als bij zwangeren. (Wiemann 1998, Constance 1998) Dat kan voordelen hebben voor de moeder zelf, maar ook voor haar klasgenoten. Voorlichting van de klasgroep, bijvoorbeeld door borstvoeding een onderdeel te maken van de gezondheidseducatie of door middel van klasgesprekken of een presentatie voor de klas door de tienermoeder zelf kan helpen om de vooroordelen uit de weg te ruimen en meer begrip te creëren. Tieners zijn immers erg gevoelig voor het oordeel van leeftijdsgenoten en moeders geven aan dat de mening van hun vrienden en klasgenoten belangrijk is in hun keuze voor borst- of kunstvoeding.

Om dezelfde reden is het belangrijk om infomomenten voor zwangere tienermoeders ook open te stellen voor de mensen die deze jonge vrouwen bij hun eerste stapjes in het moederschap zullen ondersteunen: de partner, de (schoon)moeder, een vriendin,… Als de omgeving meer kennis heeft over borstvoeding, heeft de borstvoeding immers meer kans op slagen! (Constance 1998)

Hebben deze moeders een keuze voor borstvoeding gemaakt, dan kan die keuze kenbaar gemaakt worden voor alle betrokken hulpverleners door het opstellen van een geboorteplan, een document waarin de wensen en verwachtingen voor de bevalling en vlak erna genoteerd staan. Ook een wiegenkaartje kan helpen om de keuze voor borstvoeding te ondersteunen. (Krijtenburg-Kolman 2012) Een borstvoedingsvriendelijk voorbeeld van een wiegenkaartje vind je bij Kiind.nl.

Een positieve borstvoedingservaring vergroot de kans dat de latere kinderen van een tienermoeder ook borstvoeding zullen krijgen. (Riordan and Wambach 2010) Het is dus uiterst belangrijk dat zorgverleners nadenken over de manier waarop men moeders gaat begeleiden in hun voedingskeuze en hoe men die keuze ook optimaal kan blijven ondersteunen na de bevalling. Bijvoorbeeld door middel van degelijke informatie en advies, praktische hulp, mogelijkheden om de school af te maken (verlofregelingen, aangepaste schooltrajecten, financiële ondersteuning), uitkeringen, re-integratietrajecten met betrekking tot school en werk, flexibele kinderopvang en opvoedingsondersteuning. (Infoportaal tienermoeders 2012)

Duur van de lactatieperiode

Voor de Verenigde Staten zijn de borstvoedingscijfers in het algemeen bij tienermoeders lager dan bij oudere moeders. (Scanlon et al 2007) Jonge moeders starten ook minder vaak met borstvoeding. (Constance 1998, Wambach and Cole 2000) Minder dan 1/3 van de Amerikaanse jongeren start effectief met het geven van de borst. (Brown 2004)

Als we op wereldschaal kijken, dan start 43% van de pasbevallen vrouwen jonger dan 20 jaar met borstvoeding. In de leeftijdscategorie van 20 tot en met 29 jaar is dat 65% en bij moeders ouder dan 30 jaar 75%. (Grassley and Sauls 2012)

Voor Vlaanderen geven de algemene cijfers 71% starters in 2007 aan. In Nederland is dat 81% in 2007 en 75% in 2010. Van die 81% starters in Nederland ervaart dan 68% een succesvolle borstvoedingservaring één week postpartum. (van der Greft 2011, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Kind en Gezin geeft aan dat in Vlaanderen 49% van de tienermoeders op dag 6 na de geboorte borstvoeding geeft. Voor vrouwen tussen de 20 en de 25 jaar is dat 57,3% en in de leeftijdscategorie boven de 25 jaar is dat 64,4%. (Kind en Gezin 2011)

48% van de Nederlandse moeders geeft volledig borstvoeding één maand postpartum in 2007 (46% in 2010), terwijl de tienermoeders op 44,4% stranden. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Al de tienermoeders uit het onderzoek van Krijtenburg-Kolman (44,4%) houden de borstvoeding vervolgens wel vol totdat hun babytje drie maanden oud is, terwijl de algemene Nederlandse cijfers op 30% stranden voor 2007 en 29% voor 2010 en de Vlaamse cijfers uitkomen op 37% voor 2007. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Zes maanden postpartum groeien beiden moedergroepen dan weer wat naar elkaar toe met 22,2% voor de tienermoeders en 20-25% (in 2005, 18% in 2010) voor de algemene Nederlandse borstvoedingscijfers. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

In vergelijking met oudere moeders geeft dubbel zoveel Amerikaanse tienermoeders die startten met borstvoeding al snel na het verlaten van het ziekenhuis de borstvoeding op. (Brown 2004) Ook bij ons kennen we een soortgelijke situatie. (Krijtenburg-Kolman 2009/2012) Redenen die tienermoeders aanhalen voor het stoppen met borstvoeding:

  • Aanlegproblemen (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Onvoldoende melkproductie (Constance 1998, Wambach and Cohen 2009, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Borstvoedingsonvriendelijke begeleiding tijdens de eerste dagen postpartum (Constance 1998)
  • Moeite hebben met borstvoeding in het openbaar (Constance 1998, Brown 2004)
  • Kolfproblemen (Wambach and Cohen 2009)
  • Terugkeer naar school of werk (Constance 1998, Wambach and Cohen 2009)
  • Tepel- of borstpijn (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Overweldigd zijn door de situatie (Brown 2004)
  • Frustratie (Brown 2004)

Een groot aantal moeders dat hun kindje vroeger speende dan gepland is niet op zoek gegaan naar beschikbare hulp en velen gaven aan achteraf spijt te hebben over de vroegtijdige overschakeling naar kunstvoeding. (Wambach and Cohen 2009, Krijtenburg-Kolman 2009) Individuele follow-up met extra huisbezoeken tijdens de eerste week na het ontslag uit de materniteit is nodig om de overgang naar de thuissituatie, mét continuering van borstvoeding, te ondersteunen. (Constance 1998)

Tieners zijn sneller beïnvloedbaar door de foute raadgevingen en commentaar van de omgeving, waardoor de borstvoeding meer kans heeft op mislukken. (Mohrbacher and Stock 2005) Een Amerikaanse studie onderzocht de statistische voorspelbaarheid op de slaagkans van borstvoeding (Grossman et al 1989) en kwam op volgende factoren uit die een succesvolle borstvoedingservaring zouden bevorderen:

  • De moeder heeft een middelbaar onderwijsdiploma.
  • De moeders is gehuwd.
  • De moeder heeft een blanke huidskleur.
  • Er is prenatale begeleiding opgestart in het eerste trimester van de zwangerschap.
  • De eigen moeder heeft borstvoeding gegeven aan haar dochter.
  • De partner steunt de borstvoedingskeuze.

Ook twee andere onderzoeken geven aan dat emotionele, informatieve en praktische steun van familie, vrienden en school de slaagkans van borstvoeding verhoogt. (Andries 2008, Wambach and Cohen 2009)

Postnatale borstvoedingsbegeleiding

Enkele concrete tips waarvan uit onderzoek is gebleken dat ze effectief zijn bij de borstvoedingsvoorlichting en –begeleiding van jonge moeders:

 Begeleiding op maat van de tienermoeder

Zie bovenstaande hoofdstukken:
–          Profiel van de tienermoeder
–          Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden
–          Prenatale begeleiding

 Praktische en concrete voorlichting

Om snel stoppen met borstvoeding te voorkomen start men best al tijdens de zwangerschap met borstvoedingsvoorlichting, bijvoorbeeld door aanleggen te oefenen met poppen, door het geven van kolfinformatie, tips over leuke borstvoedingskleding en tips over voeden in het openbaar. (Brown 2004) Om jonge moeders aan te spreken kan men erop letten dat prenten in boeken of brochures niet alleen oudere moeders, maar ook tienermeisjes tonen. (Mohrbacher and Stock 2005) Moeilijk taalgebruik is te vermijden in voorlichtingsmateriaal; met academische taal spreek je maar een klein segment van de moederpopulatie aan. (Mohrbacher and Stock 2005) Begeleiding en informatieverstrekking hoeft niet belerend en schools te zijn. (Mohrbacher and Stock 2005) Wat wel kan werken zijn rollenspelen, videomateriaal en spelletjes. (Brown 2004)

Meer informatie over begeleiding van tienermoeders tijdens de zwangerschap in een vorig hoofdstuk: Prenatale begeleiding.

 Peer counseling

Peer counseling in de vorm van getrainde contactmoeders, lokale moedergroepen en rolmodellen uit de naaste omgeving is belangrijk om tienermoeders aan te moedigen borstvoeding te starten en vol te houden. (Riordan and Wambach 2010)

Een mooi voorbeeld hiervan is de Amerikaanse Breastfeeding Educated and Supported Teen (BEST) Club in de New Future School. Tienermoeders die succesvol borstvoeding hebben gegeven informeren en ondersteunen daar andere tienermoeders, met stijgende borstvoedingscijfers tot gevolg. Zo startte 65,1% van de cursusdeelneemsters met borstvoeding, terwijl dat bij de controlegroep slechts 14,6% was. En 81,1% van de moeders in de BEST-club die startte met borstvoeding gaf op drie maanden postpartum nog (gedeeltelijk) borstvoeding, terwijl dat in de controlegroep slechts 66,9% was. Daarnaast heeft zo’n mentorsysteem tot gevolg dat tienermoeders zichzelf en hun borstvoedingservaring ook positiever gaan inschatten en tevredener zijn met hun voedingskeuze. Het project werkt zo goed omdat typische tienervragen en -twijfels aan bod kunnen komen, dingen waar het reguliere zorgverleningscircuit soms minder aandacht aan besteedt. Bovendien worden tienermoeders op deze manier uit hun isolement gehaald en hebben sociale contacten met andere moeders, wat hun welbevinden vergroot. (Brown 2004)

Vooral in de eerste zes weken postpartum zorgt extra ondersteuning ervoor om borstvoeding voor langere tijd vol te houden. (Mohrbacher and Stock 2005) Daarnaast kan het informeren van naaste familieleden en de partner ook nodig zijn om de slaagkansen te vergroten. (Riordan and Wambach 2010) Tienermoeders die hun partner, een vriendin of hun moeder meebrengen tijdens de borstvoedingsinfomomenten starten vaker met borstvoeding en geven gemiddeld ook langer borstvoeding, omdat ze meer steun uit de naaste omgeving krijgen. (Brown 2004) Bovendien wordt de morele steun dan aangevuld met praktische kennis, iets wat ook de slaagkans van borstvoeding doet stijgen. (Constance 1998)

 Terugkeer naar school begeleiden

De terugkeer naar school wordt door heel veel tienermoeders als reden aangehaald om te stoppen met borstvoeding. Daarom is het belangrijk dat leerkrachten ook wat borstvoedingsscholing krijgen of op zijn minst contact hebben met een peer-counselor die hun vragen kan beantwoorden. (Constance 1998) Soms denken leerkrachten bijvoorbeeld dat tienermoeders borstvoeding als excuus gebruiken om de lessen te missen. Een peer-counselor kan dergelijke vooroordelen weerleggen. (Brown 2004) Met de juiste ondersteuning vanuit het schoolteam zijn tieners ook beter en langer in staat om borstvoeding vol te houden. (Constance 1998)

Aangepaste uurroosters en kolf- of voedpauzes voor borstvoedende moeders bestaan wel in het arbeidscircuit, maar zijn in het onderwijs nog een grote onbekende. In die zin zijn de plannen van Vlaams onderwijsminister Smet om moederschapsverlof en thuisonderwijs te organiseren voor tienermoeders een goede zaak!

Veel jonge moeders gaan vrij snel na de bevalling weer naar school en ervaren het afmaken van hun schoolopleiding als een zware klus en moeilijk te combineren met borstvoeding. (Constance 1998) Speciale verlofregelingen, aangepaste schooltrajecten en re-integratietrajecten na de bevalling kunnen deze jonge meiden helpen om een diploma te halen. Daarnaast is er ook nood aan aangepaste kolfruimtes (Constance 1998), flexibele kinderopvang en opvoedingsondersteuning, (Infoportaal tienermoeders 2012) samen met informatie over kolven en waar kolfapparatuur te huren is. (Riordan and Wambach 2010) Instanties die kolven verhuren dienen  ook een degelijke uitleg te geven over hoe een kolf werkt. (Constance 1998)

 Houding van de hulpverlener

Een Zuidoost-Amerikaanse studie toont aan dat hulpverleners soms sceptisch staan tegenover de kans op een succesvolle borstvoedingservaring bij tienermoeders, omwille van vermeende onvolwassenheid en gebrek aan inzet. Hoe lager de scholingsgraad van de verpleegkundige of vroedvrouw, hoe sterker het geloof in vooroordelen over tienermoeders. Bijscholingen over de problematiek zijn dus nodig! (Spear 2004)

Een wanverhouding tussen de puberale onzekerheid van vele jonge moeders enerzijds en de vooroordelen bij vele hulpverleners anderzijds maakt dat tienermoeders zich snel geïntimideerd voelen door zorgverleners. Ze vinden het soms moeilijk om informatie of hulp te vragen omtrent zwangerschap, bevalling en borstvoeding. (Constance 1998, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Om borstvoeding te doen slagen is een vertrouwensband tussen moeder en hulpverlener dan ook erg belangrijk. (Mohrbacher and Stock 2005) Bovendien dienen hulpverleners meer te doen dan enkel moeders aan te moedigen om borstvoeding te geven. Ze zouden ook over de nodige kennis en vaardigheden moeten beschikken om tienermoeders te begeleiden en te ondersteunen met de juiste tips om de borstvoeding op het goede spoor te zetten of te houden. Aanmoedigen alleen is immers niet voldoende. (Constance 1998)

Specifieke voordelen van borstvoeding bij tienermoeders

Borstvoeding is iets wat de moeder alleen kan geven, waardoor ze haar kindje dicht bij zich kan houden en minder angst hoeft te hebben dat ze het uit handen zal moeten geven aan oma of aan een oppas. (Mohrbacher and Stock 2005) In die zin helpt borstvoeding ook om een band op te bouwen met het kindje, iets wat zeker belangrijk kan zijn bij een onverwachte of laat ontdekte zwangerschap.

Borstvoeding versterkt het zelfvertrouwen van een jonge moeder. Het kindje zien groeien en gedijen op de eigen melk en ervaren dat het kindje meestal snel getroost kan worden, kan het zelfbeeld van een aanvankelijk onzekere tienermoeder versterken. Dit heeft tevens een lange termijneffect, want deze jonge vrouwen vormen op die manier een positiever beeld van zichzelf, van volwassenheid en van het moederschap in het algemeen. (Riordan and Wambach 2010)

Tienermoeders belanden door het gebrek aan diploma en/of werk vaker in een socio-economisch lagere klasse. Het feit dat kunstvoeding veel duurder is dan borstvoeding kan dan belangrijk zijn, vooral als de moeder over geen of weinig inkomsten beschikt of niet financieel gesteund wordt door haar naaste omgeving. (Riordan and Wambach 2010)

Kinderen van tienermoeders hebben meer kans op gezondheidsproblemen, door de hogere frequentie van pre- en dismaturiteit en het vaker opgroeien in een minder gezonde omgeving in vergelijking met kinderen van oudere moeders. De immunologische kenmerken van borstvoeding kunnen voor een deel deze nadelen compenseren. (Brown 2004)

Conclusie

In Nederland krijgen elk jaar iets meer dan vijf op duizend babytjes een tienermama. In Vlaanderen gaat het om bijna vier op duizend geboortes. Door gebrek aan opleiding en beperkte inkomsten behoren deze moeders doorgaans tot de lagere socio-economische klasse. De leefomstandigheden en het opleidingsniveau maken dat gebrek aan zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld regelmatig voorkomt in deze groep.

Ondanks het feit dat een tienermoeder fysiologisch gezien perfect in staat is om borstvoeding te geven, starten minder jonge moeders met borstvoeding in vergelijking met oudere moeders en ze schakelen ook vaker over op kunstvoeding tijdens de eerste maand postpartum.

Dat komt omdat jonge moeders zich vaak laten leiden door hun omgeving in hun keuze voor borst- of kunstvoeding. Fabels en vooroordelen over borstvoeding komen regelmatig voor. Daarnaast schaamte of angst voor het voeden in het bijzijn van anderen of in het openbaar en ongerustheid over hoe borstvoeding te combineren met school of werk. Tienermoeders krijgen soms ook te maken met aanleg- en kolfproblemen of pijn bij het voeden, factoren die de kans vergroten dat ze snel overschakelen op kunstvoeding. Degelijke voorlichting, bij voorkeur in de vorm van peer-counseling, is dan ook nodig om de borstvoedingscijfers bij jonge moeders te doen stijgen.

Praktische en concrete voorlichting van de tienermoeder zelf en aangepast aan de specifieke cognitief-emotionele ontwikkelingsfase waarin ze zich bevindt, maar ook voorlichting van haar omgeving die de tienermoeder zal bijstaan in de opvoeding van haar kindje(s): haar partner, (schoon)moeder, een goede vriendin. Bijscholing van de hulpverlening en het lerarenkorps waar de jonge moeder mee te maken krijgt kan ook nodig zijn om vooroordelen over tienerouderschap uit de weg te ruimen en ervoor te zorgen dat ze op een borstvoedingsvriendelijke manier begeleid wordt. Daarnaast kan ondersteuning bij de terugkeer naar school ervoor zorgen dat een tienermoeder haar opleiding kan afmaken en dus meer kansen krijgt op de arbeidsmarkt. Voorwaarde hierbij is wel dat de schoolinfrastructuur, de lessenroosters, het schooltraject, het lerarenkorps en de kinderopvang flexibel genoeg zijn zodat de jonge mama de borstvoeding kan continueren in een motiverende omgeving.

Begeleiding doorheen de zwangerschap en tijdens de eerste zes weken postpartum zijn cruciaal om borstvoeding meer kans op slagen te geven, maar idealiter gebeurt voorlichting zelfs al voordat een tiener zwanger is. Bijvoorbeeld als onderdeel van de gezondheidseducatie op school. Zo wordt borstvoeding gezien als een vanzelfsprekende keuze door alle partijen. Wat voordelen heeft voor de tienermoeder zelf, omdat ze zich meer gesteund weet in haar borstvoedingskeuze, maar ook voor de maatschappij in zijn geheel. Die heeft er immers alle baat bij dat alle moeders zo veel en zo lang mogelijk borstvoeding geven!

© 2012-2013


Bijlage: Gegevensverzameling

Algemeen

Andries, K. (2008) “Tiener en Moeder: Een bewuste keuze? Een belevingsonderzoek bij jonge meisjes in Vlaanderen naar de beweegredenen om moeder te worden”
Hertfelt Wahn, E. et al. (2005) “A description of Swedish midwives’ reflections on their experience of caring for teenage girls during pregnancy and childbirth” in Midwifery 23:269-278
Kind en Gezin (2011) “Het kind in Vlaanderen 2010”
Lanting, C.I. and J.P. van Wouwe (2011) “Borstvoeding in Nederland” in in Een professionele kijk op borstvoeding 7.4
Mohrbacher N. and J. Stock (2005) “Handboek Lactatiebegeleiding La Leche League”
Riordan J. and K. Wambach (2010/4) “Breastfeeding and Human Lactation”
Van der Greft, A.M. (2011) “Beleid van de overheid” in Een professionele kijk op borstvoeding 7.1
Vlaams Parlement – Vragen en Antwoorden – Nr.1 – Oktober 2008 –Profiel tienermoeder
http://www.borstvoeding.com/aanverwant/maatschappij/borstvoedingscijfers.html (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.infoportaaltienermoeders.nl/ (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.vlov.be/ (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.zorgvoorborstvoeding.nl/achtergrondinformatie/borstvoedingscijfers (geraadpleegd op 16/03/2012)

 Brazilië – moeders ≤ 18 jaar

Brasil, A. et al. (1991) “Fat and protein composition of mature milk in adolescents” in Journal of Adolescent Health 12(5):365-371

Brazilië en Nederland– moeders ≤ 18 jaar

Flavia, M. et al. (2008) “Essential and long-chain polyunsaturated fatty acid status and fatty acid composition of breast milk of lactating adolescents” in British Journal of Nutrition 100:1029–1037

 Canada – moeders ≤ 18 jaar

Keizer, S.E. (1995) “Postpartum folic acid supplementation of adolescents: impact on maternal folate and zinc status and milk composition” in American Journal of Clinical Nutrition 62(2)377-384

 Nederland– moeders ≤ 25 jaar –> uitgefilterd tot ≤ 18 jaar

Krijtenburg-Kolman, S. (2009) “Onderzoek naar de keuze voor borst- of kunstvoeding bij jonge moeders”
Persoonlijke correspondentie met Sascha Krijtenburg-Kolman (februari-maart 2012)

 Verenigde Staten– moeders ≤ 18 jaar

Brown, A.L. (2004) “The effect of breastfeeding education on breastfeeding initiation rates among teenage mothers”
Constance, M. et al. (1998) “Strategies to promote breastfeeding among adolescent mothers” in Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine 152:862-869
Grassley, J.S. and D.J. Sauls (2012) “Evaluation of the Supportive Needs of Adolescents during Childbirth Intrapartum Nursing Intervention on Adolescents’ Childbirth Satisfaction and Breastfeeding Rates” in Journal of Obstetric, Gynecologic, and Neonatal Nursing 41:33-44
Grossman, L.K. et al. (1989) “Breastfeeding among low-income, high-risk women” inClinical Pediatrics 28:38-42
Motil, K.J. et al. (1997) “Lactational performance of adolescent mothers shows preliminary differences from that of adult women” in  Journal of Adolescent Health 20(6):442-449
Scanlon, K.S. et al. (2007) “Breastfeeding trends and updated national health objectives for exclusive breastfeeding – United States, Birth Years 2000-2004” in Morbidity and Mortality Weekly Report 56:760-763
Spear, H.J. (2004) “Nurses’ attitudes, knowledge, and beliefs related to the promotion of breastfeeding among women who bear children during adolescence” in Journal of Pediatric Nursing 19(3):176-183
Wambach K.A. (unpublished) “Promoting and supporting breastfeeding in adolescents”
Wambach, K.A. and C. Cole (2000) “Breastfeeding and adolescents” in Journal of Obstetric, Gynecologic and Neonatal Nursing 29:282-294
Wambach, K.A. and S.M. Cohen (2009) “Breastfeeding Experiences of Urban Adolescent Mothers” in Journal of Pediatric Nursing 24(4):244-254
Wambach, K.A. and M. Koehn (2004) “Experiences of infant-feeding decision-making among urban economically disadvantaged pregnant adolescents” in Journal of Advanced Nursing 2004 48(4):361-70
Wiemann, C. et al. (1998) “Strategies to promote breastfeeding among adolescent mothers” in Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine 152:862-869

© 2012-2013

Onderzoek naar omgaan met afgekolfde melk op Vlaamse materniteiten

dinsdag, maart 6th, 2012

Aanleiding
Onderzoeksgroep
Onderzoeksvragen
Oorspronkelijke onderzoeksvragen
Latere uitbreiding van de onderzoeksvragen
Resultaten
Inleiding
Moedermelkdonatie
Afkolven met de hand
Sterilisatie en hergebruik
Bewaarplaats, -termijn en bewerking
Toediening van afgekolfde moedermelk
Voorlichting van ouders bij ontslag
Conclusie
Overzichtstabel onderzoeksvragen en resultaten


Aanleiding

Wetenschappelijk overzichtsartikel over moedermelkdonatie in Vlaanderen en Nederland: voornamelijk literatuurstudie

Onderzoeksgroep

Vlaanderen telt in totaal zestig materniteiten, die allen verbonden zijn aan een afdeling neonatologie. Alle zestig werden aangeschreven met de vraag of zij gebruikmaken van donormoedermelk. En of zij afgekolfde moedermelk pasteuriseren of niet.

Dertig materniteiten, de helft dus van het  aangeschreven aantal, stelden gegevens beschikbaar over hun borstvoedings- en afkolfbeleid. Dat deden ze via persoonlijke correspondentie, door middel van een brochure of via een internetpublicatie.

Onderzoeksvragen

Oorspronkelijke onderzoeksvragen

1 Gebruik van donormoedermelk als bijvoeding in Vlaamse materniteiten?

2 Pasteurisatie van moedermelk in Vlaamse materniteiten?

Latere uitbreiding van de onderzoeksvragen

1 Gebruik van donormoedermelk als bijvoeding in Vlaamse materniteiten?

2 Pasteurisatie van moedermelk in Vlaamse materniteiten?

3 Protocols rond afkolven, bewaren en behandelen van moedermelk in Vlaamse materniteiten?

4 Voorlichting van ouders na ontslag uit Vlaamse materniteiten?

Resultaten

Inleiding

Afkolven van moedermelk gebeurt in de meeste gevallen in functie van een opname van de baby op neonatologie, waarbij live borstvoeding niet altijd (volledig) mogelijk is. Afkolven gebeurt soms ook om de melkproductie in gang te zetten of in stand te houden als de baby daartoe live niet (volledig) in staat is. Er wordt getracht om de pasgeboren baby zo snel mogelijk (terug) live aan de borst te krijgen. In afwachting van volledige live borstvoeding wordt de moedermelk afgekolfd.

De oorspronkelijke onderzoeksvraag luidde:

Maakt men in Vlaamse materniteiten gebruik van moedermelkdonatie of gebeurt bijvoeding enkel met melk van de eigen moeder of met kunstvoeding (of een andere vorm van moedermelkvervanging)? En wordt afgekolfde moedermelk gepasteuriseerd of rauw aan de baby aangeboden?

Aangezien veel ziekenhuizen ruimere informatie verschaften over hun borstvoedings- en afkolfbeleid dan mijn oorspronkelijke twee vragen heb ik besloten om mijn onderzoeksvragen verder uit te breiden:

Welke protocols bestaan er in Vlaamse materniteiten rond afkolven, bewaren en behandelen van moedermelk? En welke informatie wordt er meegedeeld tijdens de voorlichting van ouders bij ontslag van de moeder uit de materniteit?

Ik heb echter niet alle materniteiten opnieuw aangeschreven met deze nieuwe reeks vragen. Vandaar dat de gebruikte gegevens voor sommige ziekenhuizen bij deze uitbreidingslijst onvolledig zijn. Dat neemt echter niet weg dat er wel een beeld te vormen is van de manier waarop men in de Vlaamse materniteiten en neonatologie-afdelingen omspringt met afgekolfde moedermelk.

Moedermelkdonatie

Geen enkel Vlaams ziekenhuis maakt gebruik van donormoedermelk als de pasgeborene om de één of andere reden bijgevoed moet worden. Bijvoeding gebeurt enkel met de afgekolfde melk van de eigen moeder of met alternatieven, zoals kunstvoeding. Momenteel loopt aan het Nederlandse Vrij Universitair Medisch Centrum (VUmc) Amsterdam een vergelijkend onderzoek tussen het gebruik van donormoedermelk en kunstvoeding als bijvoeding. Het is nog even afwachten op de resultaten van dit onderzoek vooraleer een conclusie hieromtrent te trekken. Mij lijkt het echter aannemelijk dat zal blijken dat moedermelkdonatie de voorkeur geniet op kunstvoeding wanneer er bijgevoed dient te worden.

Enkele Brusselse en Waalse ziekenhuizen maken wel gebruik van moedermelkdonatie. Meer daarover kan je lezen in een onderzoek dat recentelijk gebeurde aan de K.U.Leuven:

Cossey V., Johansson A.B., e.a. “Use of Human Milk in the Neonatal Intensive Care Unit: Practices in Belgium and Luxembourg” in Breastfeed Med 2012 Jan 27.

Afkolven met de hand

Voor zover bekend stellen alle materniteiten een elektrisch afkolfapparaat ter beschikking van moeders die hun melk om de één of andere reden dienen af te kolven. Slechts dertien op de twintig ziekenhuizen leren moeders ook met de hand afkolven tijdens de eerste 24u postpartum. Dat betreft dus 65%, een percentage dat in mijn ogen toch zou mogen stijgen tot 100%! Het lijkt mij trouwens ook nuttig dat alle borstvoedende moeders aangeleerd wordt hoe ze moeten afkolven met de hand, ook zij die volledig live borstvoeding geven. De techniek van het handmatig afkolven onder de knie hebben zorgt er immers voor dat men altijd en overal in staat is om melk af te kolven, zonder dat er een afkolfapparaat beschikbaar moet zijn. Afkolven met de hand is ook een manier om moeders vertrouwd te maken met hun moederlichaam en met hun borsten.

De eerste dagen postpartum produceert een moeder colostrum. Colostrum is slechts in kleine hoeveelheden beschikbaar. Als het kindje niet (volledig) live drinkt, dan kan het colostrum met de hand afgekolfd worden en opgevangen in een lepeltje, kopje of spuitje. Hierbij gaat minder voeding verloren dan bij het afkolven met een apparaat. Bij een afkolfapparaat blijven immers kostbare druppels aan het apparaat zelf, de leidingen of het opvangmateriaal kleven en komen dus niet bij de baby terecht. Bovendien werkt een volle lepel of (half)vol spuitje veel motiverender voor een moeder dan een minuscuul plasje melk in een grote afkolffles of -beker.

Sterilisatie en hergebruik

Slechts acht op de negentien ziekenhuizen laten de moeder (of diens partner) het afkolfmateriaal zelf steriliseren. Dat betekent dat in 58% van de gevallen moeders geen ervaring hebben met sterilisatie van hun afkolfapparaat bij ontslag uit de materniteit, omdat het personeel die handeling steeds voor zijn rekening heeft genomen. Men kan de bedenking maken dat het misschien nuttig kan zijn voor sommige moeders om de theoretische informatie die ze krijgen over schoonmaken en onderhouden van afkolfmateriaal ook daadwerkelijk minstens één maal in de praktijk te kunnen oefenen.

Anderzijds is het uit hygiënisch standpunt begrijpelijk dat men op bijvoorbeeld NICU-afdelingen één maal daags of zelfs bij elke kolfbeurt steriel wegwerpmateriaal ter beschikking stelt. Twee van de elf ziekenhuizen die dat doen bezorgen moeders voor elke kolfbeurt een nieuwe steriele afkolfset. Twee ziekenhuizen van de elf stellen twee steriele setjes per dag  beschikbaar. De overige zeven steriliseren het afkolfmateriaal één maal daags of overhandigen elke ochtend een nieuwe steriele wegwerpset.

Geen enkel ziekenhuis hergebruikt opvangbekertjes, –flesjes of spuitjes nadat de voeding aan het kindje aangeboden werd.

Bewaarplaats, -termijn en bewerking

Alle ziekenhuizen waarover gegevens beschikbaar zijn maken gebruik van een koelkast voor de bewaring van afgekolfde moedermelk. Eén ziekenhuis gaf aan dat afgekolfde melk rechtstreeks na afkolven ingevroren wordt als het om melk voor een NICU-patiëntje gaat. Dat komt omdat die melk aldaar eerst gepasteuriseerd wordt vooraleer aan het kindje aan te bieden.

Slechts één (5%) op de negentien ziekenhuizen beschikt niet over een diepvriezer om afgekolfde melk voor langere tijd te bewaren. Wat mij doet afvragen wat er dan met een eventuele kolfoverschot gebeurt?

Zestien (84%) van de negentien ziekenhuizen maakt gebruik van een melkkeuken, die enkel dient voor de bewaring en bereiding van melkvoeding, zowel kunstvoeding als moedermelk. Op drie (19%) van die zestien materniteiten met een melkkeuken mag de moeder, als ze dat wenst, ook gebruik maken van het koelkastje op haar eigen kamer voor de bewaring van haar afgekolfde melk.

In vier op de negentien ziekenhuizen is het toegelaten om kolfmelk van verschillende kolfsessies bij elkaar te gieten. Zij geven wel allen duidelijk aan dat de melk van beide kolfbeurten op dezelfde temperatuur moet zijn vooraleer samen te voegen. Vijftien (79%) op de negentien ziekenhuizen verbieden expliciet het samenvoegen van melk uit verschillende kolfmomenten.

Veertien (93%)  van de vijftien ziekenhuizen maken een onderscheid tussen a terme gezonde babytjes en babytjes die opgenomen werden op de neonatale eenheid, wat betreft behandeling van moedermelk, bewaarplaats en –termijn.

Twee op de dertig ziekenhuizen (6,6%) pasteuriseert de moedermelk vooraleer aan de baby te geven. Beide ziekenhuizen hebben een NICU-eenheid. Onderzoek over pasteurisatie van moedermelk loopt momenteel aan het Vrij Universitair Medisch Centrum (VUmc) Amsterdam (Nederland). Op conclusies daarover is het nog even wachten.

Voor wetenschappelijke conclusies over de gehanteerde afkolf- en bewaringsprotocols in de Vlaamse NICU-eenheden verwijs ik naar een onderzoek dat recentelijk gebeurde aan de K.U.Leuven:

Cossey V., Johansson A.B., e.a. “Use of Human Milk in the Neonatal Intensive Care Unit: Practices in Belgium and Luxembourg” in Breastfeed Med 2012 Jan 27.

Toediening van afgekolfde moedermelk

Indien de baby moedermelk via de orale weg toegediend krijgt, dan gebeurt dat in zeven (38,9%) op de achttien ziekenhuizen enkel door middel van een flesje met speentje, wat erg jammer is omdat deze methode zuigverwarring in de hand kan werken en de kansen op een geslaagde borstvoedingsperiode verkleint. De meerderheid van de ziekenhuizen (61,1%) probeert zuigverwarring gelukkig te voorkomen door het toedienen van moedermelk op een alternatieve manier, zoals met een cupje, spuitje of lepeltje. Pas na 24u postpartum of in één ziekenhuis zelfs pas na vijf dagen postpartum gaat men een flesje met speentje gebruiken voor het toedienen van afgekolfde moedermelk.

Voorlichting van ouders bij ontslag

In alle ziekenhuizen waarover gegevens beschikbaar zijn is een protocol beschikbaar omtrent afkolven en bewaren van moedermelk. Ouders krijgen bij ontslag ook voldoende informatie over huurmogelijkheden van kolfapparatuur en over afkolven, bewaren en behandeling van moedermelk, indien het babytje achterblijft op de neonatologie-eenheid. Alle pas bevallen moeders krijgen contactgegevens van professionele hulpverleners voor verdere borstvoedingsbegeleiding.

Informatie over borstvoedingsverenigingen en lokale moedergroepen ontbreekt echter in zes van de dertien gevallen. Dat betekent dat in 46,1% van de ziekenhuizen moeders enkel informatie krijgen over de professionele borstvoedingshulpverlening en er geen geschreven informatie verstrekt wordt over de drie Vlaamse borstvoedingsorganisaties: Borstvoeding vzw, La Leche League en Vereniging ter Bescherming en Bevordering van Borstvoeding. Dit is echt een gemiste kans!  Vooral omdat uit onderzoek gebleken is dat het net de vrijwillige borstvoedingsorganisaties zijn die het verschil maken inzake borstvoedingscijfers:

Chapman D.J.,  Morel K., Anderson A.K., Damio G. en R.  Pérez-Escamilla “Review: Breastfeeding Peer Counseling: From Efficacy Through Scale-Up” in Journal of Human Lactation vol. 26  nr. 3, 2010 (8), p. 314-326

Vrijwilligsters van een borstvoedingsorganisatie zijn vaak erg gemotiveerd om andere moeders te helpen. Bovendien hebben ze een degelijke opleiding genoten die hen in staat stelt om op een objectieve manier informatie te geven en samen met de moeder een praktijkgerichte oplossing op maat te zoeken voor borstvoedingsongemakken en -twijfels. Dankzij vrijwillige mother-to-mother-support geven moeders langer en langer exclusief borstvoeding, zo bleek uit boven vermeld onderzoek.

Begeleiding tijdens de eerste tijd  na de bevalling wordt doorgaans opgevuld door een kraamverzorgster, door huisbezoeken van de wijkverpleegkundige van Kind en Gezin of door een zelfstandig vroedvrouw, maar daarna moeten ouders het vaak alleen rooien. Als die leemte opgevuld zou kunnen worden door een lokale moedergroep of door een contactmoeder van een borstvoedingsorganisatie, dan voelen moeders zich veel meer gesteund in hun borstvoedingskeuze en overwinnen ze de kleine ongemakjes en twijfels veel makkelijker. Ook als hun kindje enkele maanden of enkele jaren oud is, hebben moeders nood aan een netwerk van gelijkgezinden. Zulk een netwerk kunnen ze uitbouwen via contacten met leden van een borstvoedingsorganisatie of via een lokale moedergroep. Elke materniteit zou dan ook hierover informatie moeten meegeven bij het ontslag!

Een ander pijnpunt is dat de verstrekte contactgegevens van de verschillende borstvoedingsorganisaties in minstens twee van de zeven instellingen verouderd zijn. Een mankement dat toch makkelijk voorkomen kan worden, lijkt mij…

Conclusie


Geen enkel Vlaams ziekenhuis maakt gebruik van donormoedermelk als de pasgeborene om de één of andere reden bijgevoed moet worden. Bijvoeding gebeurt enkel met de afgekolfde melk van de eigen moeder of met alternatieven, zoals kunstvoeding.

Alle materniteiten stellen een elektrisch afkolfapparaat ter beschikking van moeders die hun melk om de één of andere reden dienen af te kolven. 65% van de ziekenhuizen leert moeders ook afkolven met de hand in de eerste 24u postpartum. Een percentage dat in mijn ogen best mag stijgen tot 100%. Het lijkt mij nuttig dat alle borstvoedende moeders aangeleerd wordt hoe ze moeten afkolven met de hand, ook zij die volledig live borstvoeding geven.

Vrijwel alle ziekenhuizen hebben strenge protocols inzake afkolven, bewaren en behandelen van moedermelk, wat de hygiëne verhoogt en dus ook het infectiegevaar voor de baby verkleint.

De meerderheid van de ziekenhuizen probeert zuigverwarring te voorkomen door het toedienen van moedermelk op een alternatieve manier, zoals met een cupje, spuitje of lepeltje. 38,9% van de ziekenhuizen geeft de baby enkel door middel van een flesje met speentje moedermelk. Deze laatsten zouden er goed aan doen om ook minstens de eerste 24u postpartum over te schakelen op lepelvoeding, cup- of fingerfeeding.

Ouders krijgen bij ontslag voldoende informatie over huurmogelijkheden van kolfapparatuur en over afkolven, bewaren en behandeling van moedermelk, indien het babytje achterblijft op de neonatologie-eenheid. Alle pas bevallen moeders krijgen contactgegevens van professionele hulpverleners voor verdere borstvoedingsbegeleiding. Informatie over vrijwillige borstvoedingsverenigingen en lokale moedergroepen ontbreekt echter in zes van de dertien gevallen. Wat erg jammer is, omdat uit onderzoek gebleken is dat het net deze borstvoedingsorganisaties zijn die het verschil maken inzake landelijke borstvoedingscijfers!

Wetenschappelijk overzichtsartikel over moedermelkdonatie in Vlaanderen en Nederland

Overzichtstabel onderzoeksvragen en resultaten

30 materniteiten (van de in totaal 60 materniteiten in Vlaanderen: 50% respons)

Ja Nee Geen gegevens
Afgekolfde melk aan de eigen baby 30 0 0
Donatie van afgekolfde melk aan de baby van een andere moeder 0 30 0
Bijvoeding met moedermelk van een donormoeder 0 30 0
Bijvoeding met kunstvoeding indien melk van eigen moeder ontoereikend 30 0 0
Elektrische afkolfapparatuur beschikbaar(individueel of te delen met andere moeders)
28 0 2
Aanleren manueel afkolven (eerste 24u postpartum) 13 7 10
Dagelijkse sterilisatie van afkolf- en opvangmateriaal door het ziekenhuispersoneel of gebruik van nieuwe steriele wegwerp-afkolfset per 24u 11 8 11
Sterilisatie van afkolfmateriaal door de moeder of haar partner 8 11 11
Hergebruik van bewaarmateriaal 0 27 3
Kolfmelk van verschillende kolfsessies samen gieten 4 (enkel indien op dezelfde temperatuur) 15 11
Bewaarmogelijkheid van moedermelk in koelkast 27 (+1) 1 (rechtstreeks in diepvriezer voor N*) 2
Bewaarmogelijkheid van moedermelk in diepvriezer 18 1 11
Koelkast en diepvriezer enkel gebruikt voor moedermelkbewaring (melkkeuken) 16 3  (+3 koelkast op de kamer) 11
Voor bewaarplaats en -duur rekening gehouden met het
verschil tussen een a terme gezonde baby en een baby op de neonatale
eenheid (zieke of premature baby)
14 1 15
Protocols rond het afkolven van moedermelk 29 0 1
Protocols rond de bewaring van moedermelk 27 0 3
Pasteurisatie van afgekolfde moedermelk 2 28 0
Moedermelk toedienen via alternatieve methode zoals finger-, cup- of lepelvoeding om zuigverwarring te voorkomen (24u postpartum of langer) 11 7 12
Moedermelk toedienen door middel van fles met speentje (24u postpartum) 7 11 12
Verstrekken van informatie over afkolven, huurmogelijkheden en professionele borstvoedingsbegeleiding 26 0 4
Verstrekken van informatie over borstvoedingsorganisaties en moedergroepen 7 6 17
Contactgegevens van borstvoedingsorganisaties correct 2 2 3

 © 2012

Twee mama’s, twee dochtertjes, allebei borstvoeding…

zondag, augustus 14th, 2011

De jongste van bijna twee jaar oud en ik lopen even langs bij een vriendin met een pasgeboren babytje. Twee mama’s, twee dochtertjes, allebei borstvoeding…

We zijn nog maar net binnen als beide dametjes honger krijgen. Mijn vriendin en ik pakken allebei ons dochtertje op schoot, gaan tegenover elkaar zitten en beginnen te voeden, terwijl we gezellig verder kletsen. Het verschil in drinkgedrag valt onmiddellijk op. Mijn vriendin heeft nog niet goed en wel haar borst ontbloot of haar babytje doet al aanhappogingen. Het kan niet snel genoeg gaan… Eens aangehapt drinkt het kleine meisje gulzig en fanatiek, alsof haar leven ervan afhangt. Ik moet erom glimlachen, het hele gebeuren aan de overkant is zo herkenbaar.
Het babytje van mijn vriendin heeft haar eerste slokjes mamamelk al lang binnen, als mijn dochtertje nog rustig bezig is om zich te installeren op mijn schoot, en eerst een fijne drinkhouding zoekt vooraleer bedaard aan te happen. Mijn kleine meisje drinkt nog moedermelk voor de dorst, maar vooral ook voor de gezelligheid, lekker knus bij mama op schoot. Iets vertrouwds waar ze nu langzaamaan afscheid van aan het nemen is, op haar eigen tempo. Ze drinkt met trage zuig- en slikbewegingen, alsof ze wil genieten van elke druppel. Borstvoeding is voor haar “Mama tinkeh” geworden. Ik noem het “mama tanken”… En bedenk dat ze nog niet zo lang geleden even gulzig kon zijn als dat kleine dametje aan de overkant.

© 2011

Borstvoeding met hobbels

vrijdag, maart 4th, 2011

Borstvoeding geven is fijn! Veel moeders genieten van het zelf voeden van hun kindje. Borstvoeding geven is een mooi, logisch en natuurlijk vervolg op zwangerschap en geboorte. Moeders zijn terecht trots als ze hun kindje zien groeien en bloeien op hun melk.

Bij vele moeders verloopt het voeden  van hun kindje(s) als van een leien dakje. Maar helaas is dat niet altijd het geval. Er zijn ook mama’s die de ene hobbel na de andere moeten overwinnen vooraleer ten volle te kunnen genieten van het geven van borstvoeding. Cruciaal bij borstvoedingsproblemen is het krijgen van de juiste begeleiding en tips! Gaat er iets niet goed, zoek dan hulp! Voor zowat elk borstvoedingsprobleem is er wel een oplossing te vinden.

Nathalie, mama van Chantall en Julia, vertelt hoe haar dramatische eerste kennismaking met borstvoeding evolueerde naar een mooie langvoedervaring, waar moeder en dochter tot op de dag van vandaag nog volop van genieten:

“Borstvoeding altijd proberen” is mijn motto. Maar dochter nummer één dacht daar anders over. Die schreeuwde moord en brand als ze alleen de borst nog maar zag. Dus ben ik braaf aan het kolven gegaan, vingervoeden, en daarna voeden met de fles. Maar mevrouw weigerde nog steeds. En ik had melk genoeg, het liep er gewoon uit. Veel last gehad van stuwing en dergelijke. Maar braaf bleef ik kolven en iedere drie uur voeden. De dag bestond dus uit kolven, fles geven, weer kolven. Niet echt ideaal en geen roze wolk-idee. Daarom na een week of wat het kolven langzaam afgebouwd. Totdat ik rond vier maand zowat geen melk meer af kon kolven. Toen ineens viel het kwartje, mevrouw kon ineens aan de borst drinken. Naar mijn idee te laat, ik ben dus niet doorgegaan.

Bij dochter nummer twee wilde ik het wel weer proberen. Die hapte direct goed in het ziekenhuis en ik voelde me de koning te rijk. Eentje die niet huilt als ze de borst krijgt. Maar helaas ’s nachts ging het al mis, ze wilde niet, huilen, huilen, huilen. En ik wilde niet nog een keer zoveel maanden kolven, dus in goed overleg met mijn man besloten op de fles over te gaan. Kraamzorg was het er helemaal mee eens. “Nee”, groot gelijk gaf ze me. In de loop van de dag werd onze dochter ziek. Op naar het ziekenhuis, met als resultaat streptokok b bacteriële infectie, welke een hersenvliesontsteking en een bloedvergiftiging meenam. En als klap op de vuurpijl nog een herseninfarct er achteraan. Onze wolk klapte wederom uiteen. Dinsdag geboren, woensdag doodziek. Donderdag giga stuwing, de melk spoot eruit. De verpleging wist niets anders te melden dan minder drinken. ’s Nachts tot twee keer toe 100 ml afgekolfd en weggegooid. Andere dag nieuwe verpleegster, die noemde borstvoeding vloeibaar goud en vroeg ons het af te kolven en mee te nemen. Baby ging naar Utrecht, wij er achter aan. En daar werd juist heel erg gestimuleerd om te kolven en borstvoeding te geven. Dat heb ik gedaan. Ook werd de baby vaak aangelegd. Ze was te moe om te drinken, maar mama leerde zo wel de techniek. Kindje mee naar huis. De verloskundige heeft ook nog een boekje over borstvoeding gebracht. En gaandeweg hebben we samen geleerd om borstvoeding te geven. Julia is nu inmiddels een jaar en ik voed nog steeds op verzoek. De levende cellen in de borstvoeding hebben naar mijn idee nog heel wat meegewerkt aan de ontwikkeling van haar hersenen, die aanzienlijk beschadigd waren. Het is nu een heel beweeglijk ding. Ik vind borstvoeding veel makkelijker dan de fles, nooit denken van “Is het wel genoeg? De fles is niet leeg, was het te weinig?” Je weet niet wat ze krijgen en dat stelt mij gerust zolang ze groeit. Je hebt altijd eten mee voor als de kleine honger heeft. Ook in het openbaar voeden: een stil hoekje, laken erover en het hoeft niemand op te vallen. Ik ben blij met deze ervaring en zou iedere moeder willen zeggen gewoon borstvoeding geven. Het is zo veel gemakkelijker!

Ik heb gelukkig nooit last gehad van spruw. Stuwing was me bij de tweede ook onbekend, op die begindag na. Ik heb geen tepelkloven en dergelijke. Een keer een blaartje, maar toen moest ik gewoon iets beter opletten met aanleggen. Nu kan ik zelfs rustig een dag maar twee keer voeden en de andere dag zes keer. Het gaat allemaal en er is altijd genoeg. De typische verhalen die je vaak hoort van vrouwen “Mijn voeding liep terug” geloof ik niet meer. Een rustig genietmoment voor twee als we voeden. Echt een aanrader voor iedereen.

Kennis over borstvoeding is erg belangrijk! Hoe meer je erover weet, hoe meer kans op slagen borstvoeding heeft. Veel borstvoedingsorganisaties, ziekenhuizen, kraaminstellingen, zelfstandige vroedvrouwen, doula’s, lactatiekundigen enzovoort organiseren daarom informatiebijeenkomsten. Op die manier proberen ze de kennis van zwangere vrouwen te vergroten. En ervoor te zorgen dat steeds meer kinderen na de geboorte gevoed worden met moedermelk.

De meest gehoorde uitspraak van zwangere mama’s tijdens zo’n eerste borstvoedingsinfo-avond is volgens mij: “Ik ga borstvoeding proberen.”

Proberen? Wat proberen? Hoe proberen? … Borstvoeding ga je doen! Dat hoef je niet te proberen… Met de juiste tips in het achterhoofd, eventueel aangevuld met degelijke begeleiding, lukt borstvoeding altijd! Onzekerheid is echt nergens voor nodig.

Danielle, mama van prematuur geboren Max en langvoedster, zegt het heel mooi:

Ik had vanmiddag een verjaardagsfeestje en er waren veel kinderen, baby’s en zwangeren. Erg gezellig. Max had honger dus (natuurlijk) legde ik hem aan. Bovendien was hij een beetje overvallen door het lawaai en gespeel van de kindjes, en wilde dus lekker bij mama tutten.

“wat fijn dat het lukt” Kreeg ik te horen. Huh? Lukken? Okee… Op mijn antwoord dat iedere vrouw, op 2% van de wereldbevolking na, wel borstvoeding kon geven, kwamen de verhalen los…

“Jamaar, Truusje van de buren, van de nicht van, van de overkant, mijn kennis, ik, (etcetera etcetera) kan ECHT geen borstvoeding geven, hoor…”
Een zwangere vrouw vond het erg mooi dat ik nog steeds (?) voedde, maar ze zei: “Zoals de andere moeders zeggen, ik hoop maar dat het lukt…”

Het kan. Maar 2% niet. Van de wereldbevoking. AAAHHHHH.

Even voorbijgaand of het nou wel of niet lukt, willen we echt dat zwangere vrouwen zeggen: “Ik hoop dat de borstvoeding gaat lukken?” Dat vrouwen er bij voorbaat al vanuit gaan dat het wel eens niet kan lukken?

Oh, zeker, ik heb ook wel eens momenten gehad dat ik het even niet meer zag zitten. Met een premature zoon, niet kunnen happen, nachtkolven, kolfmelk nageven etcetera. Maar geen moment heb ik gedacht dat ik het niet zou kunnen.
Maar pak een jonge moeder, die voor de geboorte constant van iedereen te  horen heeft gekregen: “Nou, IK kon het niet, hoor!”.  Logisch dat ze dan snel(ler) overstapt op kunstvoeding.

Ikzelf vind dat echt geen goede ontwikkeling. Borstvoedingskennis wordt niet meer overgedragen van moeder op moeder. Oma staat niet meer mee te kijken of je een goede houding hebt. En grootoma met de huis/tuin/keukentips is allang uit beeld.

Misschien wordt het tijd, dat we met z’n allen (of het is gelukt of niet) zwangere vrouwen een (postitief) hart onder de riem steken!!

© 2011

Reflux

dinsdag, januari 4th, 2011

Teruggeven is geen spugen
Kenmerken van reflux
Algemene maatregelen bij reflux
Reflux, een term met meerdere betekenissen
Enkele opmerkingen
————————————————

Teruggeven is geen spugen

Veel pasgeborenen geven mondjes melk terug na de voeding. Het te veel aan melk dat je babytje uit je borst gezogen, maar niet doorgeslikt heeft of nog maar kort in de maag heeft gehad, komt er langs zijn mondhoekje weer uit gelopen.

Dat beetje teruggeven van voeding of regurgitatie is normaal. En je hoeft je daar geen zorgen over te maken. Zolang je kleintje slechts mondjeshoeveelheden voeding teruggeeft en van dat beetje spugen geen last lijkt te hebben, hoef je er verder niets aan te doen. Een slabbetje om je liefjes kleding en een hydrofiele luier of spuugdoekje om jouw kleding of het beddengoed te beschermen, zijn dan voldoende. Het teruggeven mindert vanzelf naarmate je liefje ouder wordt, ergens tussen de zes en de twaalf maanden.

Kenmerken van reflux

Sommige babytjes geven (veel) meer melk terug na de voeding dan enkele mondjes. Soms zelfs in de vorm van heus projectielbraken, dus met veel druk erachter. Andere babytjes spugen geen melk uit, maar lijken de hele tijd te herkauwen, hikken na bijna elke voeding en overstrekken zich regelmatig. Soms zelfs tot een of twee uur na de voeding nog. Je kan hen moeilijk neerleggen na een voeding. (In)slapen gaat moeizaam. En ze huilen vaak, waarbij ze erg moeilijk te troosten zijn.

Gebeurt dit teruggeven of wegslikken van voeding dagelijks en heeft je kleintje er last van, dan zou het best wel eens kunnen dat je een refluxbabytje in huis hebt. Bij reflux komt een groot deel van de  (melk)voeding vanuit de maag teruggevloeid in de slokdarm. Dat geeft een branderig gevoel, omdat de (melk)voeding reeds vermengd is met maagzuur. Wat uiteraard zeer pijnlijk is voor je kleintje.

Algemene maatregelen bij reflux

Vaak zijn de pijnklachten bij je liefje al sterk te verminderen door enkele eenvoudige maatregelen:

  • Ververs de luier van je liefje zoveel mogelijk voor de voeding. En liefst niet tijdens of erna. Want als je de beentjes opheft, drukt dat op het maagje.
  • Geef liever meerdere kleine maaltijden met weinig tijd tussen de voedingen, in plaats van enkele grote voedingen. Hoe meer melk je kindje per voeding drinkt, hoe meer druk er op de maag komt te staan en hoe meer kans op teruggeven van de melk.
  • Voed in de rugbyhouding, voed zittend of voed liggend op je rug.Zo ligt het maagje lager. En komt de voeding niet zo snel weer naar boven. Bovendien is de kans op verslikken bij je kleintje in deze houdingen kleiner.
  • Laat je kindje regelmatig boeren. Niet alleen na de voeding, maar ook bij het wisselen van borst.
  • Hou je kleintje na de voeding minstens een half uurtje rechtop. Op de arm, de relax, in de draagdoek, enzovoort.
  • Zet het bedje 45-60° hoger aan het hoofdeinde. Maak bijvoorbeeld een oude onderbroek aan beide kanten van de spijltjes vast. Je kan je babytje daarin leggen om onderuit zakken te voorkomen.
  • Leg je babytje nooit helemaal plat. Verhoog dus ook het luierkussen en de wandelwagen.

Ga zeker nooit op eigen houtje experimenteren met het vroegtijdig introduceren van vaste voeding of met het indikken van afgekolfde melk. Bij borstvoeding worden deze maatregelen overigens afgeraden. Ze doen vaak meer kwaad dan goed… En hebben doorgaans weinig tot geen effect als je borstvoeding geeft.[1]

Osteopathie bij reflux heeft geen wetenschappelijke evidentie, maar de praktijk wijst uit dat het soms wel verlichting kan brengen. Vraag je lactatiekundige naar een erkende osteopaat bij je in de buurt!

Reflux, een term met meerdere betekenissen

Zowat 70% van de pasgeborenen geeft regelmatig voeding terug. Spugen is dus normaal voor zulke kleintjes. En betert vanzelf naarmate je liefje ouder wordt. Als een babytje gaat spugen, spreekt men in de volksmond dan ook vaak wat te snel van reflux…

Er zijn verschillende oorzaken te vinden voor het opbraken of “herkauwen” van voeding. Daarom is het belangrijk om de oorzaak van de reflux bij je kleintje te achterhalen. Een overzicht van mogelijke oorzaken voor refluxklachten:

1. Regurgitatie

Dit is de “reflux” waar ik het hierboven al over had. Teruggeven van voeding hoort bij jonge zuigelingen. Als je kleintje er geen last van heeft, hoef je er verder niets aan te doen. Behalve dan wat vaker een wasje draaien ;-) en je kindje veel bij je dragen.

2. Gastro-oesophagale reflux

Bij gastro-oesophagale reflux is de sluitspier tussen de slokdarm en de maag van je liefje nog niet volledig volgroeid. Voeding die reeds (een tijdje) in de maag zit, kan terugvloeien in de slokdarm. Waarna ze ofwel weer ingeslikt of uitgebraakt wordt.

Deze vorm van reflux kan alleen maar vastgesteld worden na onderzoek door een kinderarts.

Meestal helpen algemene anti-refluxmaatregelen al voldoende om de klachten te minderen (zie boven). Is de reflux ernstig van aard, dan kan er symptomatische medicatie voorgeschreven worden. Deze medicijnen remmen dan de aanmaak van maagzuur of versnellen de vertering van de (melk)voeding. Je kinderarts zal je vertellen welke middelen het meest geschikt zijn voor je liefje. Maar verwacht er geen wonderen van… Deze medicatie helpt misschien wel wat tegen reflux, maar heeft bijvoorbeeld weinig effect op het vele huilen van je babytje. [Blokpoel 2010]

Ook bij deze vorm van reflux is uitzitten de boodschap. Naarmate je babytje ouder wordt, ontwikkelt de sluitspier tussen maag en slokdarm verder. En groeit je kleintje vanzelf over zijn klachten heen. Na een half jaar zijn de meeste zuigelingen over hun grootste klachten heen. En op de leeftijd van een jaar zijn de meesten helemaal klachtenvrij.

3. Hyperlactatie en/of sterke toeschietreflex

Hyperlactatie of te veel melk kan refluxklachten geven bij je kleintje. Een sterke toeschietreflex doet dat ook. Het opbraken of wegslikken van voeding heeft dan niks te maken met een onvolgroeide sluitspier, maar met een overload aan melk en/of een te snelle melkstroom. Let wel: te veel melk en een snelle toeschietreflex komen vaak samen voor, maar niet altijd! Sommige vrouwen hebben last van een snelle toeschietreflex zonder dat ze te veel melk hebben.

Kenmerken van deze vorm van reflux bij je babytje zijn: moeite met aanhappen, onrustig drinken, zich regelmatig verslikken tijdens de voeding, tijdens en na de voeding braken, veel last hebben van krampjes en winderigheid en waterige, schuimende ontlasting die groenig van kleur is en zuur ruikt. Jijzelf hebt veel last van lekkende borsten en/of je borsten blijven vol aanvoelen, ook na de voeding. Als je kindje de borst lost in al zijn onrust, dan spuit de melk vaak nog even na.

Enkele tips als je last hebt van hyperlactatie en/of een sterke toeschietreflex:

  • Probeer stuwing te vermijden. Voed je kleintje dus regelmatig. Hoe vaker je borsten geleegd worden, hoe minder last je zal ondervinden van hyperlactatie. Je kindje heeft minder last van reflux als het vaak bij je mag drinken. Het zal dan immers minder melk per keer drinken. Zodat het maagje minder zwaar belast wordt.
  • Heb je een sterke toeschietreflex, masseer je borsten dan even voor de voeding. Zo wek je een toeschietreflex op. Waarna je die eerste spuitmelk laat weglopen in een doekje. Leg je kleintje pas aan als de melk minder krachtig uit je borst spuit. Lukt masseren niet goed, dan kan je ook wat melk afkolven met de hand. Maar let erop dat je stopt met kolven van zodra je een toeschietreflex krijgt. Anders werkt kolven productieverhogend.
  • Laat je kleintje een borst goed leeg drinken. En koppel hem niet eerder af. Zo krijgt ie ook voldoende achtermelk binnen, wat de vertering zal bevorderen. Lost je kindje dus snel de borst, leg hem dan opnieuw aan dezelfde borst aan, eventueel in een andere voedingshouding.
  • Lijkt je kleintje onverzadigbaar, maar verslikt ie zich telkens in de grote hoeveelheid nieuwe melk bij het borstwisselen, probeer dan eens je leegste borst opnieuw aan te bieden. Zo kan je liefje zijn zuigbehoefte bevredigen, zonder weer hele sloten melk binnen te krijgen. Heb je veel last van hyperlactatie, dan mag je binnen een tijdsspanne van twee tot drie uur telkens dezelfde borst opnieuw aanbieden. Wil je de blokken waarbinnen je telkens weer dezelfde borst gaat aanbieden verlengen naar meer dan vier uur, dan raadpleeg je best eerst even een lactatiekundige.

4. Luchtweginfectie
Soms kan je babytje tijdelijk last hebben van reflux omdat ie met een verstopt neusje of met slijmpjes kampt. Het teruggeven van melk is dan tijdelijk. Blijf zeker borstvoeding geven! Moedermelk heeft een bewezen genezend effect op luchtweginfecties.
Heeft je babytje last van een verstopt neusje, waardoor drinken moeilijker gaat, dan kan je het neusje even uitspoelen met enkele druppeltjes moedermelk vlak voor de voeding.

5. Voedselovergevoeligheid

Reflux kan ook een kenmerk zijn van voedselovergevoeligheid bij je babytje. Melk-, ei- en sojaproducten die jij eet, zijn dan vaak de boosdoener.

Het opbraken of wegslikken van voeding is bij voedselovergevoeligheid echter niet het enige kenmerk. Je kindje heeft dan ook last vaak van onrustig (drink)gedrag, ontroostbaar huilen, krampjes, chronische opstopping of diarree, huiduitslag, luchtweginfecties, slaapproblemen, enzovoort.

Heb je een vermoeden van een voedselovergevoeligheid bij je babytje, dan raadpleeg je best een lactatiekundige en/of diëtist voor de juiste diagnose en behandeling.

Enkele opmerkingen

Heeft je babytje last van reflux, stop dan zeker niet met het geven van borstvoeding. De samenstelling van moedermelk werkt verzachtend bij refluxklachten, kunstvoeding doet dat niet… En overschakelen op kunstvoeding lost de refluxsituatie bij je kleintje vaak niet op.[2]

Ga nooit op eigen houtje experimenteren met het indikken van afgekolfde melk, het vroegtijdig introduceren van vaste voeding of het geven van anti-reflux-medicatie. Neem deze maatregelen enkel in overleg met een (kinder)arts. Enkel een arts kan de ernst van de situatie juist inschatten en de juiste behandeling voorschrijven. Wat je wel kan doen is je kinderarts laten overleggen met een lactatiekundige, zodat je je verzekerd weet van een borstvoedingsvriendelijke begeleiding.


[1]KNEEPKENS 2002, AARSEN e.a. 2008

[2] ALLIET e.a. 2002

(voor een uitgebreide bibliografie kijk hier)

Met hartelijke dank aan dokter Vertongen voor het nalezen van deze tekst!

© 2011-2014

Borstcompressie

zondag, september 26th, 2010

Wat is borstcompressie?

Borstcompressie is een methode die je kan gebruiken om een baby die telkens in slaap valt aan de borst langer actief te laten drinken. Of wanneer je het kolven wil vergemakkelijken of versnellen.

Bij borstcompressie ga je tijdens het voeden of kolven met je handpalm en je vingers mee drukken op je borst. Zo hou je de melkstroom langer op gang.

Hou met je volle hand de borst vast, zo dicht mogelijk tegen je borstkas aan en ver verwijderd van je tepelhof. Je vingers liggen aan de onderkant en je duim aan de bovenkant van je borst, of omgekeerd. Terwijl je kolft of voedt duw je je duim en vingers naar elkaar toe. Net als bij het knijpen op een knijpbus ketchup of een tube tandpasta. Je drukt je vingers enkel samen en gaat dus niet glijdend knijpen richting je tepel. De druk moet stevig zijn, maar mag niet pijnlijk zijn! Zorg ervoor dat het deel van je borst dat je kindje in de mond neemt niet vervormt door de druk, want dan kan je kindje de borst lossen.

Start met knijpen van zodra je baby niet meer actief drinkt of van zodra de melkstroom in je kolftrechter mindert. Hou deze druk de hele tijd aan. En los je greep pas wanneer je kindje stopt met drinken of wanneer de melkstroom stopt. Op dat moment gaat de melk vaak nog even nastromen. Daarna kan je opnieuw je vingers en duim samenknijpen. Heeft dat geen effect, dan verplaats je je hand een beetje en start weer met knijpen. Blijf dit doen totdat je kleintje de borst lost en verzadigd is of totdat er geen melk meer stroomt bij het kolven.

Wanneer is borstcompressie nuttig?

Meer informatie over borstcompressie:

http://www.borstvoeding.com/kindjeaandeborst/al-even-bezig/borstcompressie-2.html

http://www.borstvoeding.com/kindjeaandeborst/al-even-bezig/borstcompressie.html

© 2010-2017

Stille hongeraars…

zaterdag, september 18th, 2010

Stille hongeraars zijn babytjes die te weinig voeding binnenkrijgen. Waardoor ze erg slaperig worden. En dus niet wakker worden van de honger. Omdat ze daar eenvoudigweg de energie niet (meer) voor hebben. En net omdat ze slecht wakker worden, legt mama hen niet zo vaak aan. Waardoor de melkproductie langzaam achteruit gaat. Ze nog minder voeding binnenkrijgen. En nog slechter wakker worden voor een voeding. Weer minder gaan eten. Minder productie. Enzovoort. Een vicieuze cirkel dus.

Pasgeborenen geven immers niet altijd aan wanneer ze honger hebben. Omdat ze te moe zijn. En dus eigenlijk alleen maar willen slapen. Laat je hén dan verzoeken, dan worden sommige onder hen stille hongeraartjes. Uit zelfbescherming… Om hun weinige en dus zeer kostbare energie niet te verliezen…

Baby bij mama

Hoe weet ik of mijn babytje genoeg voeding binnenkrijgt?

Daarvoor bestaat een handig overzichtslijstje, met kenmerken waaraan jij en je liefje moeten voldoen.

  • Je hoort en ziet je kindje duidelijk melk slikken met klokkende geluiden, waarbij de kin traag en diep naar beneden gaat bij elke slok. En dit minutenlang.
  • Je kindje weigert de andere borst of laat los nadat ie de eerste voelbaar “leeg” gedronken heeft.
  • Je borst(en) voelen na de voeding leger aan dan ervoor.
  • Je kindje heeft verschillende duidelijke plasluiers op een etmaal (vier volle wegwerpluiers of zes kletsnatte katoenen luiers).
  • Je kindjes urine is licht van kleur en reukloos.
  • Je kindje heeft dagelijks zalfachtige en mosterdgele ontlasting.
  • Je kindje groeit goed en komt aan.
  • Je kindje is alert en levendig bij het wakker worden.
  • Je kindje is tevreden en voldaan na de voeding.
  • Je krijgt dorst tijdens of vlak na het voeden.

Is aan een of meerdere van deze criteria niet voldaan en heb je nog een jong babytje in huis, dan bestaat de kans dat je een stille hongeraar in huis hebt…

Wat doe je met een stille hongeraar?

Als je kleintje niet zelf komt voor een voeding, dan is het het beste dat jij als mama even het ritme gaat bepalen voor je schatje. Borstvoeding op verzoek dus, maar dan op verzoek van mama. Waarmee ik bedoel dat je je kleintje uiteraard aanlegt bij de eerste hongersignalen. Maar daarnaast je liefje ook gewoon wakker maakt voor een voeding om de twee uur, als ie daar niet zelf om komt. Of hem of haar gewoon al slapend aanlegt. Slapend aanleggen doe je best van zodra hij gaat bewegen. Of geluidjes maakt in zijn slaap.

Hoe vaak moet je je kleintje dan voeden? Dat hangt eigenlijk vooral van het gewicht van je kleintje af. Want de basisregel is: Hoe lichter je kindje in gewicht, hoe meer kans op een stille hongeraar!

Maximum aantal uren doorslapen op een nacht:

< 4kg: elke 2 uur voeding, maximum eenmalig 4u doorslapen

4-6kg (vanaf 2 maanden oud): elke 2-3 uur voeding, maximum eenmalig 6u doorslapen

> 6kg (vanaf 6 maanden oud): minimaal 6-7 voedingen, maximum eenmalig 8-10u doorslapen

> 8kg (vanaf 1 jaar oud): minimaal 6-7 voedingen, heel de nacht doorslapen (als je kindje overdag voldoende borstvoeding gehad heeft)

Het fijne aan borstvoeding is dat een borstekind geen maximumlimiet aan voedingen of ml’s moedermelk heeft. Voed dus gerust zo vaak je wil. En geef je liefje maar gewoon nachtvoedingen, als ie daar nog nood aan heeft!

Honger

Een kindje gaat pas ten vroegste doorslapen als het overdag voldoende voeding binnenkrijgt. Dat betekent bij volledige borstvoeding, zo’n 800-1000ml daags. Aan die hoeveelheid melk komen de meeste vrouwen pas als ze zo’n zes keer of meer gaan voeden. Zij die zo’n grote opslagcapaciteit in hun borsten hebben, dat ze met minder dan zes voedingen toch aan die 800-1000ml komen op een dag zijn schaars. Laat je dus niet ontmoedigen als je een borstaddictje hebt dat het gezellig vindt om zo’n tien keer of meer bij je te willen drinken, ook als ie al verschillende maanden oud is. Dat is een perfect normaal en perfect gezond drinkpatroon voor een borstebabytje!

Valt je kindje telkens in slaap aan de borst?

  • Zo veel mogelijk huid op huid-contact met je babytje is erg belangrijk. Op die manier is de borst steeds beschikbaar. En kan je reageren op de allereerste hongersignalen. Leg je kleintje slapend aan van zodra hij onrustig gaat bewegen. Of smakgeluidjes maakt in zijn slaap.
  • Bij een pasgeborene kan je met de tepel de lipjes strelen. Of de mondhoek zachtjes aanraken. Een pasgeboren babytje opent dan automatisch zijn mondje, zelfs als hij half slaapt. En hapt op automatische piloot aan.
  • Een andere methode is om met je tepel van zijn oortje tot aan de mondhoek te strelen, over het kaakje. Ook dat stimuleert je liefje om aan te happen.
  • Geef je je kindje de borst bij de eerste hongersignalen, dan verspilt het geen energie aan huilen. Daardoor zal hij veel effectiever drinken aan de borst.
  • Geef je je kindje een voeding, kleed hem dan niet te warm aan. En stroop de mouwtjes wat op. Dat blote velletje van de armpjes en handjes op jouw blote borst maakt je kindje alerter.
  • Sommige merken voedingsbh’s zijn wel prachtig om te zien, maar laten maar weinig vel van de borst bloot. Als je discreet wil gaan voeden is dat handig. Maar valt je kindje snel in slaap aan de borst, dan draag je beter geen bh of eentje waarbij veel bloot te “voelen” is voor je kindje.
  • Plaag je kleintje een beetje door aan zijn oor te frutselen op het moment dat ie minder krachtig zuigt. Of tik tegen het kaakje en het kinnetje. Of masseer voorzichtig zijn rugje, handpalm of de muis van zijn duimpje als ie in slaap dreigt te vallen. Zo blijft ie alerter en beter bij de les.
  • Wissel van borst van zodra je kindje loslaat. En wissel desnoods niet één, maar meerdere keren per voeding. Wisselvoeden, noemen ze dat.
  • In plaats van van borst te wisselen, kan je ook van houding wisselen. Lost je kleintje de borst, dan schakel je bijvoorbeeld over van madonna- naar rugbyhouding. Maar je legt hem wel aan dezelfde borst weer aan. Lost hij daarna die borst opnieuw, dan ga je dan pas wisselen van borst.
  • Pas borstcompressie toe tijdens het drinken. Zo blijft de melk krachtig stromen. En krijgt je kleintje geen kans om in een diepe slaap te vallen. Bovendien krijgt je babytje dan meer melk binnen op de korte tijd dat ie wel  wat wakkerder is.

Meer informatie (voor zorgverleners) : Uitdroging en ondervoeding (Richtlijn Borstvoeding)

© 2010-2015