Posts Tagged ‘fabels’

Langer dan een jaar voeden

dinsdag, april 9th, 2013

Langer dan een jaar voeden
– geschiedenis
– antropologie
– aanbevelingen
Samenstelling van moedermelk na het jaar
Factoren die de borstvoedingsduur kunnen beïnvloeden
– vaste voeding
– werksituatie van de moeder
Bronnenmateriaal


Daar waar jarenlang borstvoeding geven ongewoon is in onze westerse cultuur, is het dat niet vanuit een meer mondiaal perspectief. Langvoeden[1] is biologisch gezien immers de natuurlijkste zaak van de wereld. Het is daarom belangrijk om in gedachten te houden dat de kritiek waar langvoedende moeders soms mee te maken krijgen, voornamelijk gebaseerd is op culturele voorkeuren en niet zozeer op wetenschappelijke gegevens. Er bestaat immers geen enkel empirisch onderzoek dat kan aantonen dat langer borstvoeding geven schadelijk is voor peuters en kleuters. Integendeel zelfs, honderden onderzoeken tonen aan dat geen of slechts kortstondig borstvoeding geven nadelen oplevert voor zowel moeder als kind.

[1] In feite is de term ‘langvoeden’ een foutief gebruikte term. De biologische norm is namelijk om een kind minstens twee jaar borstvoeding te geven. Peuters en kleuters voeden zou daarom gewoon ‘borstvoeding’ genoemd moeten worden en minder dan twee jaar voeden is dan ‘kortvoeden’. Omdat deze zienswijze nog een lange weg te gaan heeft vooraleer hij algemeen aanvaard zal zijn in onze maatschappij, hanteer ik voor de gemakkelijkheid andere definities:

  • Borstvoeding = een kindje de borst geven, ongeacht de leeftijd van dat kindje,
  • Kortvoeden = minder dan zes maanden borstvoeding geven,
  • Langvoeden = langer dan een jaar borstvoeding geven,
  • Peutervoeden = een kind voeden dat een tot vier jaar oud is,
  • Kleutervoeden = een kind voeden dat vier tot zeven jaar oud is.

1. Langer dan een jaar voeden

1.1 Geschiedenis

Antropologisch onderzoek toont aan dat een borstvoedingsrelatie tussen moeder en kind van twee tot vier jaar waarschijnlijk de norm was in de oudste, prehistorische, tijden. Vanaf de historische tijden vinden we teksten over de speenleeftijd in uiteenlopende bronnen: Talmud, Bijbel, Koran, Joodse, Arabische, Latijnse, Griekse en Boeddhistische geschriften. Daarin wordt regelmatig gesproken van een borstvoedingsduur van minstens twee of drie jaar. Niet alle moeders voedden hun kind echter zelf, er wordt ook gesproken over minnen.

Ook middeleeuwse en latere schilderijen en andere afbeeldingen tonen borstvoedende vrouwen. De borstgevoede kinderen op de afbeeldingen zijn niet alleen babytjes, maar ook peuters en kleuters. Toch ging de slinger tussen lang- en kortvoeden en tussen min en moeder steeds heen en weer in de loop van de geschiedenis, totdat de commercialisering van kunstmatige zuigelingenmelk op het einde van de 19de eeuw langzaamaan een einde maakte aan de algemene overtuiging dat alle baby’s borstvoeding horen te krijgen.

Aan het begin van de 20ste eeuw was kunstvoeding vooral iets voor de kinderen van rijke ouders. 58% van de Vlaamse en Nederlandse moeders gaf toen nog langer dan een jaar borstvoeding. Vijftig jaar later groeit een groot deel van de westerse zuigelingen echter op met geen of slechts heel kortstondig borstvoeding, vaak zelfs op aansturen en aangemoedigd door de medische wereld. De jaren ’70 van de vorige eeuw waren dan ook een absoluut dieptepunt voor de borstvoeding. Marketeers zijn er sindsdien in geslaagd om kunstvoeding als norm in het algemene westerse gedachtengoed te parkeren en jarenlang borstvoeding geven te verdringen naar achterkamers. Een tendens waar nog maar heel recent weer een beetje verandering in lijkt te komen, voornamelijk onder impuls van vrijwillige borstvoedingsorganisaties en de Attachment Parenting-beweging.

Ondanks het verdringen van borstvoeding als norm sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw verheffen zich ook stemmen die zeggen dat jarenlang borstvoeding geven ook hier in het westen vaker voorkomt dan Jan met de pet denkt. Moeders die een of meerdere kinderen tot op peuter- of kleuterleeftijd borstvoeding geven, komen daar namelijk niet altijd mee naar buiten. Langvoeden wordt voor velen onder hen uiteindelijk een privézaak, waar enkel binnen het gezin of eventueel in besloten kringen, zoals moedergroepen of internetcommunities en -fora, over gesproken wordt.

Hoe langer men voedt, hoe vaker moeders een sociaal stigma ervaren inzake hun borstvoedingskeuze en hoe minder ze daardoor geneigd zijn om ermee naar buiten te komen dat hun kinderen borstvoeding krijgen tot op peuter- of kleuterleeftijd, is ook mijn ervaring als lactatiekundige. Toenemende kritiek vanuit de omgeving wordt als ongepast, storend en vervelend ervaren, maar een grote invloed op de voedingskeuze zelf, heeft het uiteindelijk niet. Zeker niet als moeders de weg vinden naar moedergroepen en internetcommunities en -fora waar ze medelangvoedsters treffen.

1.2 Antropologie

Elk zoogdier heeft een natuurlijke speenleeftijd; een biologische norm, zeg maar. Bij de mens wordt deze echter beïnvloed door culturele factoren. Gevolg daarvan is dat in de westerse wereld kortvoeden veeleer de norm geworden is.

Vergelijkend antropologisch onderzoek van primaten en observatie van hedendaagse natuurvolkeren wijst uit dat de natuurlijke speenleeftijd bij de mens vermoedelijk ergens tussen de twee-en-half en de zeven jaar ligt, met een stoppiek tussen de drie en de vier jaar oud.

Bij ‘baby-led weaning’, wanneer een kind zich op eigen tempo kan afwennen van de borst, vraagt het geleidelijk aan minder voedingen en stopt uiteindelijk vanzelf met borstvoeding vragen, zonder conflicten of emotionele trauma’s. In de hedendaagse westerse wereld gebeurt dat bij langgevoede kinderen gemiddeld ergens tussen de twee en de vier jaar oud.

1.3 Aanbevelingen

Unicef en de Wereld GezondheidsOrganisatie (WHO) raden aan om een kindje zes maanden lang exclusief borstvoeding te geven, om een zo optimaal mogelijke groei, ontwikkeling en gezondheid te bekomen. Na een half jaar kan dan vaste voeding geïntroduceerd worden, om tegemoet te komen aan de evoluerende voedingsbehoeften en toenemende eetlust van het kind. Die aanvullende voeding dient voedzaam en veilig te zijn en aangeboden te worden, terwijl de borstvoedingsrelatie blijft bestaan tot de tweede verjaardag of daar voorbij. Er bestaat geen gedocumenteerde leeftijd waarboven het geven van borstvoeding niet meer relevant, nutteloos of schadelijk zou zijn.

Om die vooropgestelde minimumaanbeveling van twee jaar voeden te halen, raden onderzoekers en lactatiekundigen aan om zo lang mogelijk borstvoeding te blijven geven op verzoek. Want hoe vaker een kindje drinkt, des te langer zal het waarschijnlijk duren eer het de borst niet meer nodig heeft.

2. Samenstelling van moedermelk na het jaar

Na een jaar ligt voornamelijk het vetgehalte en de calorische waarde van moedermelk percentueel hoger dan beneden het jaar. Daar waar het volume aan moedermelk langzaam daalt vanaf de introductie van vaste voeding, stijgt het caloriegehalte aanzienlijk.

Ongeveer een halve liter (448ml) moedermelk in het tweede levensjaar voorziet in 29% van de dagelijkse energiebehoefte, 43% van de dagelijkse eiwitbehoefte, 36% van de dagelijkse calciumbehoefte, 76% van de dagelijkse foliumzuurbehoefte, 94% van de dagelijkse vit B12-behoefte, 60% van de dagelijkse vit C-behoefte en 75% van de dagelijkse vit A-behoefte van het opgroeiende kind.

Moedermelk bevat ook een unieke en breedspectrumbescherming aan afweerstoffen die in geen enkele andere voedingsbron teruggevonden wordt. Vergeleken met kinderen die minstens een jaar lang borstvoeding krijgen, hebben kunstgevoede kinderen in het tweede levensjaar maar liefst 19% meer kans op otitis media en verhoogt de kans aanzienlijk dat de ziekte langer dan tien dagen aansleept.

Na de eerste verjaardag neemt de concentratie aan antistoffen in de moedermelk nog verder toe. Kinderen die geen borstvoeding meer krijgen op peuterleeftijd zijn gemiddeld vaker en ernstiger ziek dan kinderen die niet gespeend zijn op twee- en driejarige leeftijd.

Daarnaast werden nog een resem andere nadelen gevonden van niet of slechts kort borstvoeding krijgen:

  • De gemiddelde intelligentie van kinderen is lager als ze niet of minder dan zes maanden borstvoeding krijgen. Dat verschil in intelligentiequotiënt blijft lichtjes verder stijgen naarmate kinderen langer borstvoeding krijgen. Vermoed wordt dat de samenstelling van moedermelk, met name de vetzuren, hiervoor verantwoordelijk is.
  • De kans op obesitas op de leeftijd van zes jaar stijgt naarmate een kind minder dan een jaar borstvoeding kreeg. Hoe minder lang borstvoeding, hoe meer kans op obesitas. Mogelijk wordt dit ook beïnvloed door de manier waarop ouders omgaan met het eetgedrag van hun kind. Moeders die langer borstvoeding geven, laten hun kind ook meer zelf bepalen hoe en hoeveel vaste voeding het eet, waardoor de kans op overeten zich bij deze kinderen minder vaak voordoet.
  • De kans op een adequate ouder-kind-binding is kleiner bij kinderen die niet of slechts kort borstvoeding krijgen. Borstvoeding gaat voor een kindje immers verder dan enkel maar honger en dorst stillen. Het is ook tot rust komen, ontspanning, pijnstilling, angstreductie en een manier om aandacht te vragen.
  • Sommige onderzoeken geven aan dat de kans op mentale gezondheidsproblemen en gedragsstoornissen in de vroege adolescentie hoger ligt bij kinderen die minder dan zes maanden borstvoeding krijgen. Hoe korter de borstvoedingsperiode, hoe meer kans op problemen.

Borstvoeding blijft dus belangrijk, zowel op nutritioneel, op ontwikkelings- als ook op hechtingsvlak, tot ver voorbij de eerste verjaardag en ook wanneer het kindje al aanzienlijke hoeveelheden aan vaste voeding verorbert. Moeders geven vaak aan dat de band met hun kind en het plezier dat zowel moeder als kind beleven aan de borstvoedingsrelatie een belangrijke reden zijn om door te gaan met voeden na de eerste verjaardag en dat ondanks toenemende kritiek vanuit de omgeving.

3. Factoren die de lengte van de borstvoedingsduur kunnen beïnvloeden

3.1 Vaste voeding

Na een half jaar kan vaste voeding geïntroduceerd worden, om tegemoet te komen aan de evoluerende voedingsbehoeften en toenemende eetlust van het kind. Introductie van vaste voeding is echter een vorm van natuurlijk spenen. Vroeger dan zes maanden vaste voeding aanbieden houdt dus het risico in op vroegtijdig stoppen met borstvoeding en kan gezien worden als eersteklas voedsel vervangen door minderwaardig voedsel.

Niet alle kinderen eten vanaf het begin vlot vaste voeding. Rond zes maanden reikt ongeveer de helft van de kinderen naar het eten dat ouders voor hun neus zetten en eet vier op de tien kinderen daar ook daadwerkelijk wat van op. Rond acht maanden is dat aantal al gestegen tot 90%. Veel baby’s gedijen dus ook na de zes maanden goed op enkel en alleen moedermelk. Bloedarmoede is tot op de leeftijd van zeven maanden oud ongebruikelijk bij een kindje dat uitsluitend borstvoeding krijgt en geen vaste voeding eten tot de leeftijd van negen maanden hoeft geen problemen op te leveren, alhoewel medische opvolging wel verantwoord is.

Om de borstvoeding niet in het gedrang te brengen, wordt vaste voeding aangeboden op het tempo van het kind. De ouders of verzorgers bepalen wat een kind voorgeschoteld krijgt en het kind bepaalt zelf wat en hoeveel het daarvan eet. ‘Baby-led weaning’ of vaste voeding aanbieden in stukjes voorkomt daarbij dat kinderen zich gaan overeten en kan op die manier obesitas voorkomen. Stukjes eten is dan ook een uitstekende manier om de borstvoeding niet in het gedrang te brengen. Tot de eerste verjaardag komt vaste voeding immers enkel als extraatje bovenop de moedermelk en zeker niet ter vervanging ervan.

Na de eerste verjaardag vermindert de behoefte aan moedermelk dan geleidelijk aan en breidt een kindje zijn voedingsgamma uit met andere dingen. De balans van borstvoeding als voornamelijk voeding kantelt in de twee daaropvolgende jaren langzaamaan naar borstvoeding als vooral koester- en knuffelmoment op de leeftijd van drie jaar oud.

Echter, ook na de eerste verjaardag voldoet moedermelk nog perfect om de dorstbehoefte te lessen en om tekorten aan te vullen bij een niet uitgebalanceerde bijvoeding. Desondanks is het niet de bedoeling dat moedermelk de vaste voeding langdurig volledig gaat vervangen na een jaar. Daarvoor zijn de nutritionele behoeftes van het kind te groot geworden.

3.2 Werksituatie van de moeder

Borstvoeding met het werkschema combineren speelt een belangrijke rol in de beslissing om borstvoeding af te bouwen. Moeders die langer dan een jaar willen voeden, kunnen dat als een hele uitdaging ervaren van zodra ze hun betaalde job buitenshuis weer aanvangen. Een aantal onderzoeken geven aan dat voltijds werkende moeders met kinderen jonger dan een jaar oud minder geneigd zijn om borstvoeding vol te houden in vergelijking met halftijds werkenden of werkloze moeders. Als we kijken naar de moeders die langer dan drie jaar voeden, dan valt daarbij op dat langvoedsters behoren tot de midden- en hogere klassen, dat ze buitenshuis werken en dat ze hoogopgeleid zijn. Dat betekent dat de socio-economische klasse waartoe iemand behoort meer invloed uitoefent op de lengte van de borstvoedingsperiode dan het aantal uren dat een moeder effectief werkt per week. Daarbij komt nog dat een hoogopgeleide moeder vaak meer ruimte en mogelijkheden heeft om haar job flexibel in te vullen, waardoor de combinatie met langvoeden meer kans op slagen heeft. Mogelijk speelt ook het feit mee dat hoogopgeleiden meer geneigd zijn om zich diepgaander te informeren over de voedings- en opvoedingskeuzes die ze maken en daardoor gemotiveerder zijn om borstvoeding vol te houden.

Hoe langer vrouwen wachten met weer aan het werk te gaan buitenshuis, hoe minder negatieve effecten genoteerd worden voor de borstvoeding. Naast deze lange moederschapsrust, dragen ook on-site kinderopvang, flexibele werkuren, de aanwezigheid van een voed/kolfruimte op het werk en steun vanuit de werkomgeving bij tot het welslagen van de combinatie van werken met borstvoeding geven. Daarnaast houden werkende moeders die exclusief borstvoeding geven, zonder kunstvoeding-suppletie, borstvoeding langer vol dan werkende moeders die borstvoeding combineren met kunstvoeding.

En last but not least: werkende moeders die voor zichzelf de nadruk leggen op de praktische voordelen van borstvoeding geven en die plezier beleven aan het voeden, en daarom borstvoeding niet willen opgeven, geven ook langer borstvoeding.


“The biggest problem a mother faces is coping with people who do not understand why she bothers.”
Lawrence & Lawrence 2005 p. 332
 

© 2013


4. Verder onderzoek

Beschrijvend, niet-experimenteel onderzoek: retrospectief, correlationeel.


Bronnenmateriaal

Auerbach et al 2010 (4) “Maternal employment and breastfeeding” in Riordan & Wambach (eds) Breastfeeding and human lactation pp. 551-577

al-Bar, M.A. 1986 “Breast feeding and islamic teaching” in Islamic World Medical Journal 1406, pp. 55-57

Borresen, H. 1995 “Rethinking current recommendations to introduce solid food between four and six months to exclusively breastfeeding infants” in J Hum Lact 11 (3) pp. 201-204

Buckley, K.M. 2001 “Long-term breastfeeding. Nourishment or nurturance?” in J Hum Lact 17 pp. 304-312

Cameron K et al. 2011 “Is baby-led weaning feasible? When do babies first reach out for and eat finger foods?” in Matern Child Nutr 1 p. 27-33

Cousens, S. et al 1993 “Prolonged breast-feeding. No association with increased risk of clinical malnutrition in young children in Burkina Faso” in Bull World Health Organ 71 (6) pp. 713–722

de Reede, A. 2008 (7) “Begeleiding bij borstvoeding”

Dettwyler K. 1994 “A time to wean” in Breastfeeding Abstracts 14 pp. 3-4

Dettwyler K. 1995 “A time to wean. The hominid blueprint for the natural age of weaning in modern human populations” in Stuart-Macadam & Dettwyler (eds) Breastfeeding. Biocultural perspectives pp. 39-73

Dettwyler, K. 2004 “When to wean. Biological versus cultural perspectives” in Clin Obstet Gynecol 47 (3) pp. 712-23

Dewey, K.G. et al 1995 “”Differences in morbidity between breast-fed and formula-fed infants” in J Pediatr 126 (5.1) pp. 696-702

Dewey, K.G. 2001 “Nutrition, growth, and complementary feeding of the breastfed infant” in Pediatr Clin North Am 48 (1) pp. 87-104

Dodgson, J.E. & L. Duckett 1997 “Breastfeeding in the workplace. Building a support program for nursing mothers” in AAOHN Journal 45 pp. 290-298

Fein S.B. & B. Roe 1998 “The effect of work status on initiation and duration of breastfeeding” in Am J Pub Health 88 pp. 1042-1046

Fergusson D.M. & L.J. Woodward 1999 “Breast feeding and later psychosocial adjustment” in Paediatr Perinat Epidemiol 2 p.144-157

Fildes, V. 1986 “Breasts, bottles and babies. A history of infant feeding”

Fisher, J.O. et al 1999 “Breast-feeding through the first year predicts maternal control in feeding and subsequent toddler energy intakes” in J Am Diet Assoc 100 (6) pp. 641–646

Goldman A. et al 1983 “Immunologic components in human milk during the second year of lactation” in Acta Paediatr Scand 72 pp. 461-462

Hamosh, M. 2001 “Bioactive Factors in Human Milk” in Pediatric Clinics of North America 48 (1) pp. 69-86

Hervada, A.R. & D.R. Newman 1992 “Weaning. Historical perspective, practical recommendations, and current controversies” in Curr Probl Pediatr 22 (5) pp. 223-240

Isaacs E.B. et al 2010 “Impact of breast milk on intelligence quotient, brain size, and white matter development” in Pediatric Research 67 (4) pp. 357-362

Jackson, K.M. & A.M. Nazar 2006 “Breastfeeding, the immune response, and long-term health” in J Am Osteopath Assoc 106 (4) pp. 203-207

Kendall-Tackett, K.A. & M. Sugarman 1995 “The social consequences of long-term breastfeeding” in J Hum Lact 11 (3) pp. 179-183

Kramer et al 2008 “Breastfeeding and child cognitive development. New evidence from a large randomized trial” in Arch Gen Psychiatry 65 (5) pp. 578-584

Labbok, M. et al 2004 “Breastfeeding: maintaining an irreplaceable immunological resource” in Nat Rev Immunol 4 pp. 565 – 572

Lawrence, R. & R. Lawrence 2005 (7) “Breastfeeding. A guide for the medical profession”

Lindberg, L.D. 1996 “Women’s decisions about breastfeeding and maternal employment” in J Marr Fam 58 pp. 239-251

Lothrop, H. 1998 (22) “Borstvoeding. Ja, natuurlijk”

Mandel, D. et al 2005 “Fat and energy contents of expressed human breast milk in prolonged lactation” in Pediatrics 116 (3) pp. 432-435

Mohrbacher, N. & J. Stock 2005 “Handboek lactatiebegeleiding”

Oddy, W.H. et al 2010 “The long-term effects of breastfeeding on child and adolescent mental health. A pregnancy cohort study followed for 14 years” in J Pediatr 156 (4) pp. 568-74

Oddy, W.H. et al 2011 “Breastfeeding Duration and Academic Achievement at 10 Years” in Pediatrics 127 (1) pp. 137-145

Onyango, A. W. et al 1999 “Continued breastfeeding and child growth in the second year of life: a prospective cohort study in western Kenya” in The Lancet 354 (9195) pp. 2041-2045

Onyango A. W. et al 2002 “The contribution of breast milk to toddler diets in western Kenya” in Bull World Health Organ 80 (4) pp. 292–299

Ortiz, J. et al 2004 “Duration of breast milk expression among working mothers enrolled in an employer-sponsored lactation program” in Pediatr Nurs 30 pp. 111-119

Piper, S. & P.L. Parks 2005 “Predicting the duration of lactation. Evidence from a national survey” in Birth 23 pp. 7-12

Pisacane A. et al 1995 “Iron status in breast-fed infants” in J Pediatr 127 (3) pp. 429-431

Rapley, G. 2006 “Baby-led weaning, a developmental approach to the introduction of complementary foods” in Hall & Dykes (eds) Maternal and infant nutrition and nurture. Controversies and challenges pp 275-298

Riordan, J. & K. Wambach (eds) 2010 (4) “Breastfeeding and human lactation”

Roe, B. et al 1999 “Is there competition between breast-feeding and maternal employment?” in Demography 36 pp. 157-171

Rogan, W.J. & B.C. Gladen 1993 “Breast-feeding and cognitive development” in Early Hum Dev 3 pp. 181-193

Segawa M. 2008 “Buddhism and breastfeeding” in Breastfeed Med 2 pp. 124-128

Short R.V. 1984 “Breast feeding” in Sci Am 250 pp. 35-41

Stuart-Macadam, P. & K.A. Dettwyler 1995 “Breastfeeding: Biocultural Perspectives”

Sugarman, J. & K.A. Kendall-Tackett 1995 “Weaning ages in a sample of American women who practice extended breastfeeding” in Clin Pediatr 34 pp. 642-647

Van den Boogaard C. et al 1991 “The relationship between breast-feeding and early childhood morbidity in a general population” in Family Medicine 23 pp. 510-515

Von Kries, et al 1999 “Breast feeding and obesity: cross sectional study” in BMJ 319 (7203) pp. 147–150

Weijers-Teerling 2008 (4) “Borstvoeding. Handleiding voor de zorgverlener”

WHO 2001 “The optimal duration of exclusive breastfeeding. A systematic review”

WHO & Unicef 2003 “Global strategy for infant and young child feeding”

Witters-Green, R. 2003 “Increasing breastfeeding rates in working mothers” in Fam Sys Health 21 pp. 415-434

Ash, B. 2013 “Evolution of breastfeeding as a public health issue” geraadpleegd op 09/04/2013 van http://www.health-e-learning.com/courses/breasted/10-be10

Dettwyler, K. 1999 “A natural age of weaning” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://www.kathydettwyler.org/detwean.html

Fisher, D. et al 2013 “Breastfeeding after the first week” geraadpleegd op 09/04/2013 van http://www.health-e-learning.com/courses/breasted/7-be07

Greiner, T. sd “Sustained breastfeeding, complementation, and care” geraadpleegd op 05/04/2013 van http://archive.unu.edu/unupress/food/8F164e/8F164E06.htm

Kellymom 2011 “Breastfeeding past infancy. References” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://kellymom.com/ages/after12mo/ebf-refs/

Smith, L.J. 2009 “Is there any point in breastfeeding longer than a year?” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://www.bflrc.com/ljs/Breastfeedingbeyondayear.htm

Townsend, E. & N. J. Pitchford 2012 “Baby knows best? The impact of weaning style on food preferences and body mass index in early childhood in a case–controlled sample” geraadpleegd op 05/05/2013 van http://bmjopen.bmj.com/content/2/1/e000298.full

WHO 2013 “Global Strategy for Infant and Young Child Feeding” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://www.who.int/nutrition/topics/global_strategy/en/index.html

© 2013

Omgaan met een baby die veel huilt

vrijdag, februari 8th, 2013

Help me!

Troosten

  • Borstvoeding
  • In jouw nabijheid
  • Voorspelbaarheid en prikkelreductie
  • Slow motion
  • Entertainment
  • Aanvaarding
  • Als troosten niet werkt…

Positieve effecten van aanraking

Verwennen

Baby die veel huilt

Als het niet meer gaat…

  • Moedergevoel
  • Adempauze
  • Agressie
  • Veranderingen
  • Afschermen

Omgeving en support

Inspiratiebronnen en bronvermelding


Help me!

Als een mens huilt, is ie van streek. Het is een manier om te vertellen dat er wat scheelt.

Bij een babytje kan dat vanalles zijn… Honger of dorst, een vuile luier, koude of net te warm, eenzaamheid, verveling of net te veel prikkels, ergens van geschrokken zijn, het buikje dat van streek is, pijn of een ander ongemak. Als een kindje huilt, wil het eigenlijk maar één ding zeggen: “Help me!”

Troosten

Borstvoeding

Geef je borstvoeding, dan is je kindje allicht snel getroost met een slokje mamamelk. Bij honger kan je je volste borst aanbieden. Heb je de indruk dat je kindje niet echt honger of dorst heeft. Maar heeft ie wel zuigbehoefte? Geef dan je leegste borst. De borst dus waaraan je kindje het laatst gedronken heeft. Zo kan je babytje troost zoeken bij jou, maar krijgt ie geen hele sloten melk meer te slikken.

Kijk zeker na hoe je kindje aan de borst ligt. Let op de drie basisprincipes bij borstvoeding:

  • buikje dicht tegen jouw lijf aan,
  • tepel ter hoogte van de neus voor het aanhappen en
  • een grote asymmetrische hap.

Lijkt het alsof je babytje jou afwijst tijdens de borstvoeding? Zet ie zich schrap en duwt hij zich van je weg? Raadpleeg dan een lactatiekundige. Zij kan je helpen om de oorzaak van dit gedrag te achterhalen. En de borstvoeding weer lekker te laten lopen.


Mijn baby huilde heel veel, maar was wel snel getroost als we haar oppakten. Wij hadden dus geen huilbaby, maar een pakkebaby.”

In jouw nabijheid

De meeste babytjes worden rustig als je hen oppakt. Rechtop, leunend tegen jouw schouder of borst aan, vinden veel kindjes een fijne houding. Rustig heen en weer wandelen, zachtjes zingen of over het rugje wrijven kan daarbij extra geruststellend zijn.

Houd je kindje zo veel mogelijk dicht bij jou. Heb je graag je handen vrij, dan kan een draagdoek praktisch zijn. Jouw nabijheid, je geruststellende hartslag en ademhaling, je geur en zachte bewegingen maken je kindje rustig. En ook op reflux en krampjes heeft het een positief effect. Is je liefje moe? Dan kan het heerlijk gerust bij jou in slaap soezen. Zonder dat jij heen en weer hoeft te lopen naar zijn box of wiegje. Daarnaast is een draagdoek ook gewoon een handig ding om geen enkel hongersignaal over het hoofd te zien.

Ook ’s nachts kan je je kindje bij je laten slapen. In een cosleeper bijvoorbeeld. Je kindje is dan binnen handbereik. En kan getroost worden vooraleer de sirene op stand 10 gaat. Wat ook rust kan brengen voor de overige gezinsleden. Bovendien hoef je voor dat troosten niet eens je bed uit. Wat de nachten ook voor jou minder zwaar maakt. Geef je borstvoeding, dan is zelfs je voeding kant-en-klaar. Lekker makkelijk! Ben je ongerust over je liefje? Dan doe je gewoon een oog half open. En je bent binnen de seconde gerustgesteld dat alles nog goed gaat met je schattebol.

Tot slot kan massage kan voor sommige huilertjes een wondermiddel zijn. Het huidcontact, de aandacht en het rustgevende van de massagebewegingen kunnen van je kleintje een heel andere baby maken. Babymassage is een cursus die in veel gemeentes gegeven wordt. Ga eens na waar je bij jou in de buurt zo’n cursus kan volgen. Zowel je babytje als jijzelf zullen er deugd aan beleven!

Voorspelbaarheid en prikkelreductie

Sommige kindjes zijn gebaat bij regelmaat en voorspelbaarheid. Dat betekent niet dat je borstvoeding moet gaan geven op schema. Integendeel zelfs! Borstvoeding geef je zo veel mogelijk op verzoek! Maar al de rest daar omheen kan je wel voorspelbaarder maken. Enkele tips:

Zo veel mogelijk voeden op dezelfde plaats of op dezelfde manier bijvoorbeeld. Sommige moeders hebben (onbewust) een heel ‘voedingsritueel’. Met steeds terugkerende handelingen, woorden of spulletjes.

Ze hebben een vaste voedplek in huis, die enkel daarvoor gebruikt wordt. Ze neurieën telkens een bepaald melodietje. Of zijn gewend om eerst een aantal dingen klaar te leggen, zoals zoogcompressen, een tijdschrift of een drankje, vooraleer te starten met voeden. Babytjes zijn al geruster als dat ritueeltje start. Ze weten dan wat er komt.

Je kan dingen in dezelfde volgorde gaan doen. Elke voeding starten met een luierwisseling bijvoorbeeld. Of na elke borstvoeding rondwandelen met je kleintje. En een slaapliedje zingen.

Ook vaste tijdstippen voor steeds terugkerende dingen kunnen rust brengen. Denk bijvoorbeeld aan een wandeling enkel op de middag. Het badje telkens ’s avonds. Of supermarktbezoeken altijd in de ochtend. Die terugkerende “rituelen” zijn voorspelbaar. En kunnen je kleintje rustiger maken.

Prikkelreductie is ook zo’n toverwoord. Het betekent dat je je kindje niet te veel prikkels tegelijkertijd laat verwerken. Bijvoorbeeld slechts één uitstapje per dag plannen. Elke activiteit buitenshuis geldt dan als uitstapje. Dus ook die koffie bij de buren of het wekelijkse supermarktbezoek.

Tijdens ‘verplicht’ drukke momenten, zoals een familiebezoek of de babyborrel, kan je je kindje in de draagdoek houden. Zo blijft ie wat afgeschermd van alle commotie. Een draagdoek dempt immers de binnenkomende prikkels. Bovendien is het voor je kindje geruststellend om in alle drukte dicht bij jou te zijn. En misschien vind jij het ook wel prettig om je liefje op zulke momenten dicht bij jou te hebben.

Slow motion

Even in slow motion leven kan ook rust brengen. Zowel voor jou als voor je kindje. Laat dat stof op de kasten even voor wat het is. Dweilen hoeft niet elke dag. En eenvoudige eenpansgerechten zijn even lekker als een driesterrenmenu. Heb je geen zin in kraamvisite? Bel die dan af! Ben je te moe om te strijken? Strijk dan niet. Die ene plooi in je shirt ziet toch geen mens…

Ga regelmatig gewoon op de bank hangen. Met je babytje dichtbij. Vraag je partner er even bij en kruip dicht tegen hem aan. Probeer samen te genieten van dat kleine wondertje dat jullie op de wereld zetten. En laat de boel verder de boel. Leg de telefoon van de haak en sluit de rolluiken of gordijnen. Gewoon even “us-time” en lekker coccoonen.

Slow motion kan je ook toepassen bij je babytje. Als je kindje erg huilt, kan je kijken hoe hij reageert als je steeds hetzelfde rustgevende liedje zingt of neuriet. En als je al je bewegingen gaat vertragen.

Van snelle of hoekige handelingen wordt je liefje misschien onrustig. Probeer daarom eens een draagdoek uit. Jouw dagdagelijkse bewegingen bieden precies het juiste ritme en de kadans die je liefje gewend is van in de buik. Veel babytjes worden rustig van dat zachte en afgeronde gehots.

Heb je het gevoel dat je kleintje juist onrustig wordt in een doek? Raadpleeg dan een draagconsulente. Zij kan je tips op maat geven om het dragen aangenamer te maken.

Entertainment

Sommige kindjes huilen dan weer net uit verveling. Wat “entertainment” in hun leven kan dan helpen. Kleine baby’s kijken graag naar bewegende dingen. Duur speelgoed is daarbij zelfs niet nodig… Wapperende was aan de waslijn kan heel interessant zijn voor zo’n uk. Dat geldt ook voor een vogelvoederplaatsje aan het keukenraam. Voorbijgaand verkeer aan het raam van de straatzijde. Een aquarium met kleurrijke vissen. Of iemand die aan het stofzuigen is, de vaatwasser uitlaadt of een ander huishoudelijk klusje klaart. Daar waar sommige kindjes horendul worden van veel drukte of lawaai, vinden anderen dat net uiterst interessant.

En zelfs kleine baby’s zijn perfect in staat om te vertellen als het hen te veel wordt. Ze doen dat door simpelweg weg te kijken of te gaan fronsen. Dan is het tijd voor wat anders. Iets rustigers, een borstje of een dutje bijvoorbeeld.

Heb je een nieuwsgierig aagje in huis? Doe dan uitstapjes waar jij je prettig bij voelt. Pak je kleintje dan zeker mee. Gaan winkelen, een boswandeling maken of koffie drinken met vriendinnen. Zit je liefje in een draagdoek? Dan kan ie zijn oogjes sluiten en een dutje doen wanneer ie maar wil. En ook de borst is vlakbij. Lekker makkelijk!

Veilig en geborgen, dicht bij mama, zijn de meeste babytjes en peuters best bereid om mee mama’s wereld te verkennen!

Aanvaarding

Het klinkt misschien een beetje gek, maar probeer het huilgedrag van je kindje ook te aanvaarden. Veel huilen is immers een fase die ooit overgaat! Soms helpt het als je je neerlegt bij de situatie. En niet krampachtig probeert om je kindjes gedrag te veranderen. Jonge kinderen ‘moeten’ zoveel: dag en nacht-ritme aanleren, zelf inslapen, eten op vaste tijden, niet knoeien aan tafel, leren kruipen en lopen, praten, potjestraining, zich gedragen tijdens uitstapjes, …

Soms is een babytje gewoon nog niet toe aan iets nieuws. Ook al zegt de maatschappij dat je liefje iets ‘moet’, blijf vooral naar je kind zelf kijken! En probeer zijn tempo te volgen in plaats van hem iets op te leggen. De baby- en peutertijd is geen wedstrijd. En onze kinderen zijn niet allemaal wonderkids. Maar uniek zijn ze wel. Allemaal!

Als troosten niet werkt…

Helpen bovenstaande tips niet? Raadpleeg dan een lactatiekundige en/of een kinderarts. Om samen naar oorzaken van het huilgedrag te zoeken. En lichamelijke oorzaken uit te sluiten. Met hulp zoeken is niets mis!

De positieve effecten van aanraking

Aanraking maakt een kindje rustig. Vergelijk het met een troostende arm om je schouder als jij verdrietig bent. Je voelt je veilig en geborgen. Er is iemand bij je, die je steunt en motiveert.


Mijn dochter vertelde bij de aanvang/introductie van haar opleiding tot pedagoog: “Hallo, ik ben D. Als mijn moeder mij niet zoveel had gedragen was ik een huilbaby geweest.”
 

De mens is en blijft een sociaal wezen. Van eenzaamheid worden we ongelukkig. Dat is met kleine kindjes niet anders…

Alle basisbehoeftes zijn voldaan als een baby of peuter in mama’s armen ligt:

Voeding is vlakbij. Ligt een babytje bij mama, dan kan ie zelf zonder veel moeite tot bij mama’s borst geraken. Is er veel bloot vel tussen beide, dan gaat dat zelfs nog sneller. Maar ook als je een shirt draagt, weten kindjes vaak je tepel te vinden. En happen door je kleding op de juiste plek aan. Een duidelijker hongersignaal is er niet! ;-)

De warmte van jouw lichaam zorgt ervoor dat je kindje op temperatuur blijft. Jouw borsten passen zich zelfs aan aan de lichaamstemperatuur van je liefje! Heeft ie het te warm, dan koelen ze hem af. Heeft je kindje het te koud, dan warmen je borsten hem op bij rechtstreeks huid-op-huidcontact.

Aanraking vermindert ook stress. Zowel bij jou als bij je kindje. Jullie maken beiden een hormoon aan dat een ontspannen gevoel geeft. Aanraking maakt een mens gelukkiger. Dat geldt voor volwassenen, maar zeker ook voor kinderen!

Jouw geur, je ademhaling, hartslag en het geborgen gevoel van armen om zich heen stellen je kindje gerust. In iemands armen liggen betekent troost en veiligheid voor je liefje!

Aanraking stimuleert ook de hersenontwikkeling bij jonge kinderen. Je liefje heeft knuffels en liefkozingen nodig om goed te kunnen groeien! Babytjes worden immers geboren met onvolgroeide hersenen. Door de dichte nabijheid bij een ouderfiguur krijgen zijn hersenen optimaal de kans om zich verder te ontplooien. Kinderen weinig dragen en liefkozen, belemmert dus hun emotionele en zelfs cognitieve ontwikkeling.

Kinderen die zich geborgen voelen, hebben meer zelfvertrouwen. Ze weten dat er altijd een ‘veilige haven’ binnen handbereik is. Vanuit die wetenschap durven ze de wereld te gaan ontdekken. Loopt het mis, dan is er altijd troost en bescherming te vinden in mama’s of papa’s armen. Dat geeft hen een veilige basis, waardoor ze geruster op verkenning gaan.

Verwennen

Je kunt jonge kindjes niet verwennen door hen veel te knuffelen! Mensen zijn zoogdieren, die leven van aanraking en nabijheid. Gebrek aan aanraking en liefkozing maakt een mens ongelukkig…

Het is voor je kleintje daarom heel onnatuurlijk om ergens alleen te liggen, zonder mensen om zich heen. Laat je je kindje in zijn eigen bedje en kamertje slapen, dan is de kans groot dat ie gaat huilen. Dat komt omdat er dan een lichamelijk alarmmechanisme in gang wordt gezet. Alleen liggen betekent immers gevaar! Zo’n klein patatje beseft immers niet dat wij nu in veilige huizen wonen. En dat mama en papa vanop afstand hun liefje via de babyfoon in de gaten houden. Heeft een babytje het gevoel dat er niemand in de buurt is, dan roept ie om hulp. Letterlijk. Omdat ie instinctief het gevoel heeft dat er wel eens roofdieren op de loer kunnen liggen… Pas als er iemand komt die hem oppakt en troost, voelt ie zich weer veilig. Want dan weet ie dat die persoon hem zal verdedigen tegen welk gevaar dan ook. Als babytjes huilen, vragen ze dus vooral om troost, bescherming en veiligheid. In iemands armen. En liefst in die van hun mama. Want dan is er ook nog eens lekkere melk binnen ‘handbereik’! :-)

Aanraking, lichaamscontact en gelaatsuitdrukkingen zijn voor babytjes een natuurlijk communicatiemiddel. Door om te gaan met anderen leren ze om zich adequaat te uiten. En om uitingen van anderen te interpreteren. Babytjes kijken, voelen, luisteren en bootsen na. Zo ontwikkelt taal zich! Niet alleen de verbale, maar ook de non-verbale taal. Laat je je kindje vaak alleen, dan kan het zijn dat je daarmee zelfs onbewust zijn communicatieve ontwikkeling vertraagt.

Baby die veel huilt

Een baby die veel huilt wordt vaak een huilbaby genoemd. Van overmatig huilen wordt gesproken als je baby

  • drie uur of meer per dag huilt,
  • al minstens drie dagen na elkaar en
  • dat al drie weken lang.

En je kindje is daarbij schijnbaar niet te troosten.

Huilt je borstgevoede kindje erg veel? Zoek dan hulp bij een kinderarts én een lactatiekundige!

Als het niet meer gaat…

Iedereen lijkt te weten wat er met je kindje aan de hand is. Behalve jijzelf. Je wordt overspoeld door (vaak ongevraagde) tips en ervaringen. Veel van die goedbedoelde adviezen heb je al lang uitgeprobeerd… En niets lijkt echt voor langere tijd te werken. Het enige dat je eigenlijk wil is… rust! En een beetje begrip, zonder oordeel of advies.

Moedergevoel

Je krijgt veel tegenstrijdige adviezen. Je ‘moet’ als moeder schijnbaar vanalles… Wel, eigenlijk moet je maar één ding… En dat is naar je kindje kijken en naar jezelf luisteren! Als de hele wereld je vertelt dat je je kindje in zijn wiegje moet laten liggen en jij het gevoel hebt dat je het bij je wil houden, pak je kindje dan bij je. Als iedereen je zegt dat huilen geen kwaad kan, maar jij het gevoel hebt dat je kindje getroost wil worden, troost het dan. Als je voor de honderdste keer de vraag krijgt of het nu alweer etenstijd is, maar jij de indruk hebt dat je kindje een slokje mamamelk wil, leg hem dan gewoon aan. Als je van overal hoort dat kinderen in hun eigen kamertje moeten leren slapen, maar jij enkel gerust bent als je kindje naast jou slaapt, laat die wieg of cosleeper dan maar gewoon naast jouw bed staan.

Er zijn duizenden boeken geschreven over de voeding en opvoeding van kinderen… Onnoemelijk veel specialisten hebben zich in de materie verdiept. Maar weet dat de echte expert van jouw gezin… jijzelf bent! Regels en adviezen over voeding en opvoeding zijn richtlijnen, geen dwangbuizen…

Adempauze

Het is normaal dat je af en toe even tijd wil voor jezelf. Zonder je kindje erbij. Elke moeder snakt wel eens naar een adempauze. Al is het maar een uurtje…

Laat iemand anders even op je liefje passen. En doe iets wat jij zelf leuk vindt. Iets waar je echt van geniet! Ga eens uitgebreid in bad, lees een boek, schilder, speel muziek, maak een puzzel, ga winkelen, sporten, lekker eten, whatever. Iets waar jij weer even centraal staat en niet je kindje.

Agressie

Heb je het gevoel dat je je kindje soms wat aan kan doen? Negeer dat alarmsignaal dan niet. Het kan helpen om over je woede en frustratie te praten met een vertrouwenspersoon. Erover vertellen kan ervoor zorgen dat je je negatieve gevoelens beter kan plaatsen. En een uitweg ziet uit die vicieuze cirkel van stress en spanningen.

Je woede uitwerken op je kindje is natuurlijk not done. Maar je kan je liefje wel even in de armen van iemand anders duwen. En je frustratie afreageren op een andere manier: spitten in de moestuin, de struiken snoeien, brood kneden, dweilen, stofzuigen, gaan hardlopen, enzovoort.

Weet dat zelfs de meest liefhebbende ouder zijn kind wel eens achter het behang wil plakken… Gevoelens van woede, onmacht, frustratie of onzekerheid zijn normaal. Het is enkel kwestie van ermee leren omgaan.

Veranderingen

Moeder worden brengt een grote verandering met zich mee. Misschien zijn er, samen met de komst van de baby, nog andere zaken veranderd? Jullie zijn misschien net verhuisd of nog volop bezig met de bouw van jullie droomhuis. Je bent tijdelijk gestopt met werken buitenshuis of op zoek naar een andere baan. Je tevoren zo makkelijke oudste zit net nu in de peuterpuberteit… Enzovoort.

De komst van een babytje is zelden de enige verandering in het leven van jonge ouders. Je hebt zoveel aan je hoofd dat er bijna geen tijd meer overblijft voor andere zaken dan de baby. Laat staan voor jezelf… Dat alles maakt dat er momenten kunnen zijn dat je je gespannen, gefrustreerd of onzeker gaat voelen. Misschien heb je wel het gevoel dat je je greep op de dingen een beetje kwijt bent?

Het prille ouderschap is enorm vermoeiend. Zeker als je kindje veel huilt!


Als ouders van een baby die veel huilde hebben wij hier aan den lijve kunnen ondervinden dat een kind dat veel huilt enorm belastend is voor zowel het kind zelf, als de ouders en de rest van het gezin… De impact van maandenlang durend extreem huilgedrag op het welbevinden van alle gezinsleden, en dus niet alleen op de baby in kwestie, is moeilijk uit te leggen aan mensen die er geen ervaring mee hebben. Oververmoeidheid en het gevoel van machteloosheid breken na een tijdje echt op. Je voelt je verdrietig en hulpeloos. Er is iets mis met je kind. En je weet niet wat het is. Of hoe je het kan helpen. En na een tijdje merk je dat alle gezinsleden stilletjes mee lijden onder de hele situatie. Geef je borstvoeding, dan is het onbegrip in de omgeving heel groot, want “Met flesvoeding en vroegtijdig bijvoeden is het zo opgelost.” Iets wat uiteraard NIET zo is, dat wisten wij ook wel… Maar met dergelijke uitspraken wordt er impliciet wel gezegd dat je eigenlijk niet goed bezig bent als ouder, dat je zelf oorzaak bent van het probleem.  
 

Afschermen

Voortdurend dat schelle gekrijs in je oren, kan je horendul maken. Zelfs als de baby niet huilt, blijft dat schreeuwen misschien in je hoofd klinken… Als een nagalm die maar niet weg lijkt te gaan. Op de ergste huilmomenten kan het helpen om jezelf even “af te sluiten” van het gehuil.

Als je met je kindje bezig bent, kan je bijvoorbeeld met een hoofdtelefoon met muziek op je hoofd het huilen van je kindje een beetje dempen. Wellicht word je daar zelf ook rustiger van. En misschien neemt je babytje die ontspanning dan op de duur over.

Ademhalings-, ontspannings- of meditatie-oefeningen kunnen je ook rustiger maken.


Mijn jongste was soms met niets, maar dan ook met niets, te troosten… Erg frustrerend! Het enige wat dan hielp was papa met de oudste kinderen beneden achterlaten en ik die met de baby boven op de kamer in de hangmat ging liggen. Alleen en in het donker, met een gillende stijve plank op mijn blote borst… Dan probeerde ik om, via meditatie, mijn oren af te sluiten van het gekrijs en zoveel mogelijk zelf te ontspannen. Soms duurde het wel een half uur vooraleer die stijve plank op mijn blote borst ook wat ontspande en nog nasnikkend en snuffelend op zoek ging naar de borst. Als die kleine pruts dan uiteindelijk een tepel te pakken had en vol overgave begon te drinken, was de ontlading bij mij vaak groot. Hoe meer melk mijn baby bij elke nieuwe slok binnenkreeg, hoe rijkelijker de opluchtende tranenvloed bij mij stroomde. 
 

Omgeving en support

Heb je een gezin in je naaste omgeving met een baby die veel huilt? Dan is het belangrijkste vooral om begrip te hebben voor de situatie. Ouders van een overmatig huilende baby hebben vaak geen behoefte aan ongevraagde tips of adviezen. Waarschijnlijk hebben ze al vanalles geprobeerd. En is er schijnbaar niets dat lijkt te werken…

Bied een luisterend oor aan, zonder te gaan oordelen. Heeft je vriendin of kennisje nood aan tips of adviezen, wacht dan tot ze daar zelf om vraagt.

Misschien heb je het gevoel dat jij echt dé gouden tip kent om hun situatie te verbeteren? Dat kan! Vertel dan één keertje wat je weet. En laat het verder los. Ouders kiezen zelf of ze met het aangebodene wat doen of niet. En anderen hebben niet noodzakelijk dezelfde opvoedingsvisie als jij…

Wat allicht meer dan welkom is, is wat praktische hulp. Dingen die wat rust brengen in de tent. Of werk uit handen nemen van de vermoeide ouders:

  • eens koken voor het gezin,
  • de oudere broertjes of zusjes mee nemen op een uitstapje,
  • even babysitten,
  • wat huishoudelijke klusjes klaren of
  • vragen met welke praktisch dingetjes je kan helpen.

Probeer de mama ook uit haar isolement te halen. Wat menselijk contact kan wonderen doen. Zoek bijvoorbeeld samen met haar een moedergroep in de buurt. Of nodig haar uit voor een wandeling of uitje. De buitenlucht kan goed doen. Zowel voor de baby als voor de mama. En gesprekken komen sneller los tijdens een ontspannen uitstapje. Bovendien slapen babytjes makkelijker in de buitenlucht. En als de kleine uk geen zin heeft in slapen, dan kan jij hem misschien even kort overnemen van de mama.


Het enige dat écht geholpen heeft, is de buurvrouw die onbevooroordeeld vaststelde: “Ze huilt veel, hè?” En me aansprak: “Meisje, als het niet meer gaat, weet dat je haar altijd mag brengen, op elk moment van de dag of de nacht.” Weten dat er een back-up voorhanden is, moest het nodig zijn, zonder oordeel, tips of adviezen… Die geruststelling heeft ons er doorheen gesleept en ons de kracht gegeven om door te gaan.  
 

Inspiratie en bronnenmateriaal

Inspiratiebronnen

  • De moeder-en-kind-koppels waar ik dagelijks mee in contact kom
  • Nils Bergman
  • Sheila Kitzinger

Met dank aan Marianne Vanderveen-Kolkena (IBCLC) en Gonneke Van Veldhuizen-Staas voor het nalezen van dit artikel!

Gebruikte bronnen

St James-Roberts, I. et al 2006 “Infant crying and sleeping in London, Copenhagen and when parents adopt a ‘proximal’ form of care” in Pediatrics 117 (6) pp. 1146-1155

Zeifman D.M. 2001 “An ethological analysis of human infant crying: answering Tinbergen’s four questions” in Dev Psychobiol 39 pp. 265-285

http://borstvoeding.aardig.be/bronvermelding/handboeken/
http://borstvoeding.aardig.be/bronvermelding/websites/

Post scriptum
Omwille van privacy-redenen staan er geen namen bij de getuigenissen. De identiteit van de schrijfsters is echter wel bekend bij de redactie.

© 2013

Kort ziekenhuisverblijf en anesthesieadviezen bij het borstgevoede kind

dinsdag, april 3rd, 2012

Ik krijg af en toe de vraag hoe het nu eigenlijk zit met anesthesie en vastenperiode bij een baby of peuter die borstvoeding krijgt. Hieronder een overzicht van de algemene richtlijnen indien een kindje borstvoeding krijgt en kortstondig opgenomen wordt op de pediatrie-afdeling van een ziekenhuis.

Verblijf in het ziekenhuis
BabyFriendly Hospital Initiative
Handvest van de rechten van de gehospitaliseerde kinderen
Preoperatieve vastenperiode
Borstvoeding na de operatie
Melkproductie van de moeder
Bronnenmateriaal


Verblijf in het ziekenhuis

In het ziekenhuis dient men een omgeving te creëren die zoveel mogelijk aansluit op de huiselijke situatie. Je kindje wordt als een normaal kind behandeld en jullie als ouders mogen, indien medisch verantwoord, de gewone comfortzorg van thuis verder zetten. Dit zorgt ervoor dat jij en je kindje beter op elkaar reageren en minder angstig zijn. (Melnyk et al 2004)

Voor je kindje zouden tijdens de ziekenhuisopname de voedingen en het voedingspatroon zoveel mogelijk moeten aansluiten bij het patroon van de normale thuissituatie. (Riordan & Wambach 2010/4)

Als je kindje opgenomen wordt in een babyvriendelijke pediatrie-eenheid van het ziekenhuis, zal men normaalgezien met bovenstaande rekening houden. Het Babyfriendly Hospital Initiative van de World Health Organisation en Unicef is een kwaliteitslabel dat toegekend wordt aan ziekenhuizen die inspanningen leveren om de afdeling baby- en borstvoedingsvriendelijk te maken. Karakteristieken van een babyvriendelijke kinderafdeling zijn: (Riordan & Wambach 2010/4)

  1. Het ziekenhuis heeft een borstvoedingsbeleid op papier staan.
  2. Het ziekenhuis traint zijn personeel op borstvoedingsbegeleiding en – interventie. Alle medewerkers dienen hiervoor scholingen te volgen.
  3. Het ziekenhuis verschaft ouders geschreven en mondelinge informatie over de goede eigenschappen van borstvoeding.
  4. Het ziekenhuis geeft de mogelijkheid op ongelimiteerd voeden en stimuleert dus voeden op verzoek.
  5. Het ziekenhuis zorgt voor voorzieningen zodat een moeder kan kolven als de baby niet rechtstreeks aan de borst drinkt: borstkolf, kolfruimte, opslagplaats voor melk, lactatiekundige begeleiding indien gewenst.
  6. Het ziekenhuis geeft borstgevoede kinderen enkel leeftijdsgerelateerde of medisch noodzakelijke bijvoeding.
  7. Het ziekenhuis past alternatieve voedingsmethodes toe die het borstvoedingsbeleid niet in de weg staan, dus geen speentjes of flesjes.
  8. Het ziekenhuis geeft de mogelijkheid op 24u/24u rooming in voor moeder en kind. Moeder en kind worden niet gescheiden, ook niet voor onderzoeken of verpleegkundige of medische handelingen.
  9. Het ziekenhuis zorgt voor maaltijden en tussendoortjes voor de borstvoedende moeder.
  10. Het ziekenhuis zorgt voor een medicatie- en behandelingsschema dat de borstvoeding zo weinig mogelijk in de weg staat.
  11. Het ziekenhuis verschaft informatie over de mogelijkheden van borstvoedingsondersteuning en –begeleiding binnen en buiten het ziekenhuis, zowel tijdens de opname als na ontslag.
  12. Het ziekenhuis controleert dat het geschreven borstvoedingsbeleid effectief en efficiënt in de praktijk uitgevoerd wordt door alle ziekenhuismedewerkers en op alle afdelingen.

Ook het Handvest van de rechten van de gehospitaliseerde kinderen van de European Association for Children in Hospital en Unicef is zo’n kwaliteitslabel. Dit legt echter andere accenten in vergelijking met het Babyfriendly Hospital Initiative:

  1. Kinderen worden niet in een ziekenhuis opgenomen als de zorg die zij nodig hebben thuis, in dagbehandeling of poliklinisch kan worden verleend.
  2. Kinderen hebben het recht hun ouders of verzorgers altijd bij zich te hebben. Ook tijdens onderzoeken, bij verpleegkundige en medische handelingen, bij de voorbereiding en installatie in de operatiekamer en bij het ontwaken uit de verdoving.
  3. Ouders wordt accommodatie en de mogelijkheid tot overnachting naast het kind aangeboden.
  4. Kinderen en ouders hebben recht op informatie. De informatie wordt aangepast aan de leeftijd en het bevattingsvermogen van het kind.
  5. Kinderen en ouders hebben recht op alle informatie die noodzakelijk is voor het geven van toestemming voor onderzoeken, ingrepen en behandelingen.
  6. Kinderen worden in het ziekenhuis gehuisvest en verzorgd samen met kinderen in dezelfde leeftijd- en/of ontwikkelingsfase.
  7. Kinderen hebben recht op mogelijkheden om te spelen, zich te vermaken en onderwijs te genieten al naargelang hun leeftijd en lichamelijke conditie. Kinderen hebben recht op een verblijf in een stimulerende veilige omgeving waar voldoende toezicht is en die berekend is op kinderen van alle leeftijdscategorieën.
  8. Kinderen worden behandeld en verzorgd door medisch, verpleegkundig en ander personeel dat speciaal is opgeleid voor de zorg voor kinderen. Het beschikt over de kennis en de ervaring die nodig zijn om ook aan de emotionele eisen van het kind en het gezin tegemoet te komen.
  9. Kinderen hebben recht op verzorging en behandeling door zoveel mogelijk dezelfde personen, die onderling optimaal samenwerken.
  10. Kinderen hebben het recht met tact en begrip te worden benaderd en behandeld. Hun privacy wordt te allen tijde gerespecteerd.

Vraag dus bij een geplande opname van je kindje of het betreffende ziekenhuis één of beide labels behaald heeft. Op die manier verzeker je je kindje van de meest optimale begeleiding en verzorging.

Preoperatieve vastenperiode

Vooraleer je kindje onder narcose gaat, zal het een tijdje geen voeding mogen krijgen. Dit is om ademhalingsrisico’s ten gevolge van de anesthesie te  vermijden. Deze preoperatieve vastenperiode moet echter zo kort mogelijk gehouden worden.

Voor het bepalen van de duur van de vastenperiode dient men enerzijds rekening te houden met het reduceren van ademhalingsrisico’s ten gevolge van de anesthesie,  maar tegelijkertijd moet men ook het risico op uitdroging en hypoglycemie ten gevolge van het onthouden van voeding vermijden. (Riordan & Wambach 2010/4)

Voor zuigelingen heeft de American Society of Anesthesiologists daarom volgende richtlijnen opgesteld:

  • Heldere vloeistoffen tot 2 uur voor de narcose.
  • Moedermelk tot 4 uur voor de narcose. (Lawrence 2005, Cook-Sather & Litman 2006, Riordan & Wambach 2010/4)
  • Kunstvoeding en lichte maaltijd tot 6 uur voor de narcose.
  • Zware maaltijd tot 8 uur voor de narcose.

Sommige onderzoekers verkorten de preoperatieve borstvoedingsperiode zelfs nog meer en poneren dat  moedermelk tot 3 uur voor narcose de kindvriendelijkste handelswijze is. (Litman et al 1994, Schreiner 1994)

Scheiding van ouders en kindje dient altijd zo kort mogelijk gehouden worden, om stress bij beide te beperken. Je kan je borstgevoede babytje tijdens de preoperatieve vastenperiode troosten met een fopspeentje.  Je kan ook overwegen om je kindje te laten troosten door een andere vertrouwenspersoon van de familie, als je kindje jou te veel associeert met borstvoeding en je kindje niet meer bij je mag drinken. (Riordan & Wambach 2010/4)

Borstvoeding na de operatie

Postoperatief moet de borstvoeding zo snel mogelijk weer opgestart worden, van zodra de arts aangeeft dat orale voeding weer toegelaten is.  Er is geen enkele reden om moedermelk te gaan vervangen door glucosewater of om als eerste voeding glucosewater te geven. (Riordan & Wambach 2010/4) Dat betekent dat zuigelingen vaak al op de uitslaapkamer borstvoeding kunnen genieten. Met kunstvoeding en vaste voeding zal men echter langer moeten wachten.

Borstvoeding dient ook overwogen te worden als pijnreducerend middel na operaties. (Riordan & Wambach 2010/4) Het geven van borstvoeding kan troostend werken voor zowel je kindje als voor jou. Het geruststellende zuigen aan de borst kan de werking van pijnstillende medicatie ondersteunen. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat borstvoeding tijdens en na een pijnervaring zorgt voor een verlaging van de hartslag, voor een kortere periode van huilen en voor lagere pijnscores in vergelijking met kinderen die geen borstvoeding kregen onder dezelfde omstandigheden. (Shah et al 2006)

Melkproductie van de moeder

Indien je kindje tijdelijk niet bij jou aan de borst kan drinken, zal je je melk dienen af te kolven. Idealiter minstens even vaak als dat je kindje bij jou zou drinken. Die afgekolfde melk kan aan het kindje gegeven worden wanneer de arts daar de toestemming voor geeft, maar kan ook bewaard worden voor later.


Bronnenmateriaal

Cook-Sather, S.D. and R.S. Litman (2006) “Modern fasting guidelines in children” in Best Prac Res Clin Anaesthesiol 20/3:471-481

Lawrence, R. (2005) “Lactation support when the infant will require general anesthesia: assisting the breastfeeding dyad in remaining content through the preoperative fasting period” in J Hum Lact 21/3:355-357

Litman, R. et al. (1994) “Gastric volume and pH in infants fed clear liquids and breast milk prior to surgery” in Anesth Analg 79:482-485

Melnyk, B. et al. (2004) “Creating opportunities for parent empowerment: program effects on the mental health and coping outcomes of critically ill young children and their mothers” in Pediatrics 113/6:597-607

Riordan, J. and K. Wambach (2010/4) “Breastfeeding and human lactation

Schreiner, M. (1994) “Preoperative and postoperative fasting in children” in Ped Clinics N Amer 4/1:111-120

Shah, P.S. et al. (2006) “Breastfeeding or breast milk for procedural pain in neonatesCochrane Database Syst Rev 3:CD004950

Richtlijnen van de American Society of Anesthesiologists (1999) inzake preoperatief vasten bij zuigelingen

http://www.uzleuven.be/sites/default/files/kindergeneeskunde/kindvriendelijk_ziekenhuis_brochure.pdf (geraadpleegd op 3 april 2012)

© 2012

Borstvoedingsbegeleiding van tienermoeders

zaterdag, maart 17th, 2012

Gegevensverzameling
Profiel van de tienermoeder
Leeftijd
Socio-economische achtergrond
Prematuriteit en dismaturiteit
Borstvoeding
Anatomie en fysiologie van de tienerborst
Borstklierweefsel
Samenstelling moedermelk
Melkvolume
Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden
Borstvoeding
Kunstvoeding
Prenatale begeleiding
Duur van de lactatieperiode
Postnatale borstvoedingsbegeleiding
Begeleiding op maat van de tienermoeder
Praktische en concrete voorlichting
Peer counseling
Terugkeer naar school begeleiden
Houding van de hulpverlener
Specifieke voordelen van borstvoeding bij tienermoeders
Conclusie
Bijlage: Gegevensverzameling


Onderzoek toont aan dat tienermoeders minder vaak borstvoeding geven in vergelijking met oudere mama’s. Hoe komt het dat jonge mama’s soms kiezen voor kunstvoeding? Welke factoren spelen een rol om al tijdens de zwangerschap te kiezen voor kunstvoeding of vrij snel na de bevalling borstvoeding op te geven? Kunnen we dit tij doen keren? Hoe pakken we dat concreet aan?

Gegevensverzameling

De meeste studies over borstvoeding bij tienermoeders zijn gebeurd in de Verenigde Staten. In de door mij gebruikte Amerikaanse onderzoeken bestaat de meerderheid van de onderzoeksgroep uit blanke moeders. Daar waar dat niet het geval is, vermeld ik dat in mijn artikel.
Naast Amerikaanse gegevens heb ik ook Braziliaanse, Canadese, Nederlandse en Vlaamse onderzoeksresultaten verwerkt.

Alle onderzoeken betreffen tienermoeders, met name moeders van 18 jaar of jonger. En in zo goed als alle gevallen gaat het om primiparae.

Meer details over de gebruikte onderzoeken vind je in de bijlage: Gegevensverzameling.

 Profiel van de tienermoeder

Leeftijd

De meerderheid van de Vlaamse tienermeisjes die zwanger worden is achttien jaar of ouder. In 2005 was slechts 32% geen achttien (Andries 2008), in 2010 was dat nog maar 24,4% (Krijtenburg-Kolman 2012). De overgrote meerderheid van de zwangerschappen is ongepland, maar daarom niet noodzakelijk ongewenst. Hoe ouder de zwangere, hoe vaker ze kiest voor het voldragen van de zwangerschap. Zo kiest de meerderheid van de 18- en 19-jarigen ervoor om de zwangerschap uit te dragen. (Andries 2008)

In Nederland werden 2636 onder de 20 jaar in 2009 moeder, wat iets meer dan vijf geboorten per duizend tienermeisjes betreft. (Infoportaal tienermoeders 2012) In Vlaanderen kregen 1365 meisjes onder de 20 jaar hun eerste kindje in 2006 (Vlaams Parlement 2008) en in 2010 waren dat er 1228 (Kind en Gezin 2011). Dat maakt bijna vier op duizend tienermoeders in Vlaanderen. (Vlaams Parlement 2008) Vlaanderen en Nederland scoren hiermee laag op wereldschaal.

Socio-economische achtergrond

Doorgaans gaat het in Vlaanderen om meisjes uit het beroepsonderwijs en zijn de meesten alleenstaand. (Vlaams Parlement 2008) Nederland kent een vergelijkbare situatie. Daar heeft 13% van de vroegtijdige schoolverlaters tussen 15 en 22 jaar één of meerdere kinderen, terwijl dat in die totale leeftijdgroep slechts 6% is. (Infoportaal tienermoeders 2012) Tienermoeders zijn vaker alleenstaand in vergelijking met oudere moeders. (Constance 1998, Krijtenburg-Kolman 2012) Ze belanden vaker in de armoede en worden over het algemeen dan ook tot de lagere socio-economische klasse gerekend. Eén studie, een Canadese, maakt een overzicht van de belangrijkste bron van inkomsten voor deze jonge moeders. Daaruit blijkt dat 56% onder hen een overheidsuitkering ontvangt, 39% onderhouden wordt door een ouder of voogd en slechts 5% in haar eigen inkomsten voorziet door een baan buitenshuis. (Keizer 1995) De leefomstandigheden en het opleidingsniveau maken ook dat gebrek aan zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld regelmatig voorkomt in deze groep moeders. (Constance 1998, Infoportaal tienermoeders 2012)

Prematuriteit en dismaturiteit

Door hun nog deels onvolgroeide lichaam en doorgaans ongezondere levenswijze (onevenwichtige voeding, roken, alcoholgebruik) en lager opleidingsniveau hebben tienermoeders een verhoogde kans op prematuriteit en dismaturiteit bij hun kindje. (Brown 2004, Infoportaal tienermoeders 2012) Een gegeven waar al tijdens de zwangerschap rekening mee dient gehouden te worden en waaraan de begeleiding aangepast zou moeten worden. (Krijtenburg-Kolman 2012) Mogelijk beïnvloedt dit ook de borstvoedingscijfers. Bij een kindje dat te vroeg geboren is of een te laag geboortegewicht heeft heb je immers een verhoogde kans op borstvoedingsmoeilijkheden.

Borstvoeding

Als we globaal kijken, dan start slechts 43% van de pasbevallen vrouwen jonger dan 20 jaar met borstvoeding. Ter vergelijking: In de leeftijdscategorie van 20 tot en met 29 jaar is dat 65% en bij moeders ouder dan 30 jaar zelfs 75%. (Grassley and Sauls 2012)

Kind en Gezin geeft aan dat 49% van de tienermoeders (tot 20 jaar) op dag 6 na de geboorte borstvoeding geeft. Voor vrouwen tussen de 20 en de 25 jaar is dat 57,3% en in de leeftijdscategorie boven de 25 jaar is dat 64,4%. (Kind en Gezin 2011)

Anatomie en fysiologie van de tienerborst

Borstklierweefsel

Een tienermoeder is normaalgezien perfect in staat om borstvoeding te geven. Borstklierweefsel is immers zo’n twaalf tot achttien maanden na het doorbreken van de eerste menstruatie in staat tot de aanmaak van voldoende moedermelk. (Mohrbacher and Stock 2005)

 Samenstelling moedermelk

Verschillende studies geven aan dat de samenstelling van rijpe moedermelk van tienermoeders weinig verschilt van de melk van oudere moeders. (Motil et al 1997) Toch zijn er enkele kleinere verschillen merkbaar:

  • Gemiddeld vindt men hogere natriumconcentraties in de moedermelk van tienermoeders tijdens de eerste weken postpartum. Dit heeft verder geen gevolgen voor de neonaat. (Motil et al 1997)
  • Een Braziliaanse studie geeft een gemiddeld hogere totale eiwitconcentratie in rijpe moedermelk van jonge moeders in vergelijking met de melk van oudere moeders. Mogelijk een compensatiemechanisme om de calorische waarde van de melk te handhaven, zo stellen de onderzoekers. (Brasil et al 1991) Tienermoeders geven immers gemiddeld minder voedingen per etmaal dan oudere moeders. (Motil et al 1997)
  • Verschillende studies tonen ook aan dat het voedingspatroon van tieners verschilt van dat van volwassenen (Mohrbacher and Stock 2005, Flavia et al 2008): meer inname van verzadigde vetten en minder inname van poly-onverzadigde vetten. Vooral vette vis is ondervertegenwoordigd in het tienerdieet. Het gehalte aan essentiële vetzuren (omega 3 en omega 6) in het bloed van tienermoeders is daardoor gemiddeld lager in vergelijking met dat van oudere moeders. Voldoende essentiële vetzuren zijn bij zwangerschap en lactatie echter nodig voor een optimale neurologische, visuele en vasculaire ontwikkeling van de baby. Daarnaast is een tienerlichaam nog in groei en ontwikkeling en vraagt ook daarom extra voedingsstoffen en komt het voor dat deze jonge moeders soms liever niet te veel willen aankomen in gewicht en hun figuur behouden, waardoor er bij tienermoeders een vergrote kans is op tekorten aan essentiële voedingsstoffen tijdens zwangerschap en lactatie. Toch verschilt de samenstelling van rijpe moedermelk van een tienermoeder niet als dusdanig van de melk van een oudere moeder. De natuur zorgt er namelijk voor dat de groeiende foetus en de aanmaak van moedermelk voorrang krijgen op de moederlijke behoeftes, waardoor bij een onevenwichtige of onvoldoende voedingsinname vooral de moeder nadelen zal ondervinden. (Flavia et al 2008) Extra voedingsinformatie en/of –begeleiding kan dus nodig zijn (Wambach and Cole 2000), zelfs al vanaf het moment dat bekend is dat de jonge moeder zwanger is, niet voor de baby an sich maar voor de gezondheid van de tienermoeder zelf!

 Melkvolume

Het totale volume van moedermelk van tienermoeders verschilt weinig van het melkvolume van oudere moeders. (Riordan and Wambach 2010) Een vaak voorkomende lagere melkproductie bij tienermoeders kan voornamelijk verklaard worden door de doorgaans vroegere introductie van kunstvoeding en het feit dat tienermoeders vaker de neiging hebben om minder voedingen per etmaal te geven (Mohrbacher and Stock 2005), waardoor de melkproductie achteruit loopt. Mogelijk spelen bij deze lagere melkvolumes toch ook biologische factoren een rol. Welke dat zijn moet nog verder onderzocht worden. (Motil et al 1997)

 Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden

Borstvoeding

Tienermoeders zijn meer geneigd te starten met borstvoeding als… (Brown 2004)

  • Ze iemand anders in hun omgeving, zoals een familielid of vriendin, borstvoeding hebben zien geven.
  • Ze zelf borstvoeding hebben gekregen.
  • Ze over voldoende kennis over borstvoeding beschikken.

De eigen moeder van de tienermoeder heeft uiteindelijk de grootste invloed op de keuze voor borst- of kunstvoeding. (Brown 2004)
Deze onderzoeksresultaten suggereren dat tienermoeders zich sterk laten leiden door hun omgeving bij de voedingskeuze en dat het verstrekken van informatie belangrijk is om moeders een gefundeerde keuze te laten maken. De toekomstige oma zou hierbij betrokken moeten worden.

Tienermoeders die bewust kiezen voor borstvoeding geven daarvoor volgende redenen op:

  • Gezondheidseffecten voor het kindje (Wambach and Cohen 2009)
  • Kindje dicht bij zich kunnen houden, nabijheid en het niet moeten “afgeven” aan een oppas (Wambach and Cohen 2009)
  • Betere hechting met het kindje (Wambach and Cohen 2009)

Uit onderzoek blijkt inderdaad dat een veilige hechting de kans op gedragsproblemen op schoolgaande leeftijd aanzienlijk verkleint. Aangezien kinderen van tienermoeders en van moeders uit de lagere sociaal-economische klasse meer kans hebben op een onveilige hechting, is het geven van borstvoeding bij deze groep extra belangrijk. (Brown 2004)

Een studie onder Afro-Amerikaanse tienermoeders geeft aan dat jonge moeders echter vaak ambivalent en onzeker staan tegenover de keuze tussen borst- of kunstvoeding. Borstvoeding wordt gezien als de beste keuze omwille van de gezondheidsvoordelen, maar tegelijkertijd ook als complex en moeilijk vol te houden. Terwijl men naar kunstvoeding kijkt als de vanzelfsprekende en meest eenvoudige keuze, waarbij de moeder meer vrijheid heeft. Velen wensen dan ook borst- en kunstvoeding te gaan combineren. (Wambach and Koehn 2004)

 Kunstvoeding

Tienermoeders die kozen voor kunstvoeding geven daarvoor volgende redenen op:

  • Schaamte en angst voor de pijn bij borstvoeding (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Ongerustheid over hoe borstvoeding te combineren met de thuissituatie, met school of met de werksituatie (Constance 1998, Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Anderen kunnen ook een flesje geven en de moeder heeft daardoor meer vrijheid (Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Kunstvoeding is gemakkelijker dan borstvoeding (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Zich zorgen maken dat borstvoeding te veel invloed zal hebben op de vorm en de grootte van de borsten (Mohrbacher and Stock 2005)
  • Angst om belachelijk gemaakt te worden bij het voeden in het openbaar (Constance 1998, Brown 2004)
  • Schaamte om te voeden in het bijzijn van anderen (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Ongerustheid dat borstvoeding de relatie met anderen, voornamelijk de vrienden, zal beïnvloeden (Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005)
  • Denken dat borstvoeding niet samengaat met de levensstijl (roken, alcohol, anticonceptie, uitgaan) (Constance 1998, Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005)
  • Gevoelens  van de partner tegenover borstvoeding (Mohrbacher and Stock 2005)
  • Negatieve ervaringen van familie en/of vrienden met borstvoeding (Constance 1998, Brown 2004)

Hulpverleners geven volgende redenen aan waarom tienermoeders niet starten met borstvoeding:

  • Laag zelfbeeld, onzekerheid (Constance 1998, Brown 2004, Riordan and Wambach 2010)
  • Kennistekort of misvattingen over borstvoeding (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Nog onvolgroeide cognitief-emotionele ontwikkeling, waardoor egocentrische redenen aangehaald worden zoals te tijdrovend, te moeilijk of je krijgt er lelijke borsten van (Brown 2004)
  • Denken dat het waarschijnlijkheidsprincipe (bijvoorbeeld dat hun kindje meer kans maakt op ziekte bij kunstvoeding) niet op hen van toepassing zal zijn; een denkpatroon dat typisch is voor tieners en waardoor ze de gezondheidsnadelen van kunstvoeding gaan negeren of ontkennen (Brown 2004)

Bovenstaande gegevens wijzen in de richting van onzekerheid en omgevingsdruk, naast een kennistekort bij zwangere tieners, waardoor ze om de verkeerde redenen voor kunstvoeding kiezen. Informatieverstrekking en aangepaste begeleiding vroeg in de zwangerschap of zelfs al voordat er van zwangerschap sprake is, kan een oplossing zijn. Aangezien de meeste tieners nog volop in ontwikkeling zijn wat het cognitief-emotionele betreft, zal die informatieverstrekking aan hun leef- en denkwereld moeten aangepast worden. (Riordan and Wambach 2010) Het is ook nodig om infomomenten open te stellen voor de ondersteunende naaste omgeving van de tienermoeder: (schoon)moeder, partner, goede vriendin. (Constance 1998) Meer informatie hieronder in de hoofdstukken:
–          Prenatale begeleiding
–          Postnatale borstvoedingsbegeleiding

 Prenatale begeleiding

Vele moeders nemen de beslissing tot het geven van borstvoeding al voor de zwangerschap of in het eerste trimester van de zwangerschap (Wambach and Cole 2000), maar niet al deze moeders starten uiteindelijk ook met borstvoeding na de bevalling. (Riordan and Wambach 2010) Een probleem hierbij kan zijn dat de meeste jonge moeders ongepland zwanger worden. (Infoportaal tienermoeders 2012, Krijtenburg-Kolman 2012) Mogelijk is er dus aanvankelijk een ontkenning of afwijzing van de zwangerschap, waardoor begeleiding tijdens de eerste zwangerschapsmaanden niet of ontoereikend is. (Mohrbacher and Stock 2005)

Prenatale voorlichting over borstvoeding doet 65,1% van de tienermoeders effectief starten met borstvoeding, terwijl dat bij tienermoeders die geen prenatale voorlichting kregen slechts 14,6% is. (Brown 2004) Het heeft echter geen zin om alle zwangere tieners te gaan verplichten prenatale klassen te volgen. De vrijblijvendheid van deelname aan informatiebijeenkomsten is een belangrijke factor voor tienermoeders. Zij willen serieus genomen worden en zelf kunnen beslissen of ze deelnemen aan een begeleidings- en informatieproject of niet. Professionele begeleiding bij het ouderschap zou eigenlijk ook los moeten staan van de uiteindelijke voedingskeuze. Op die manier krijg je tienermoeders het best bereikt. (Brown 2004)

Tienermoeders vragen een andere begeleidingsaanpak dan wat er in het reguliere hulpverlenersaanbod voorhanden is. Met een betuttelende of belerende houding bereik je niet het gewenste resultaat. (Mohrbacher and Stock 2005) Jonge moeders hebben nood aan ondersteuning, maar willen vooral ook serieus genomen worden. (Hertfelt Wahn et al 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Doorgaans hebben ze minder zelfvertrouwen in het eigen moederlijke kunnen in vergelijking met oudere moeders. (Constance 1998, Mohrbacher and Stock 2005) Daarom moeten ze gezien worden als experts van hun eigen situatie en geaccepteerd worden als de persoon die ze zijn. Hierbij staat niet hun jonge leeftijd centraal, maar wel hun eigen persoonlijkheid en talenten. (Hertfelt Wahn et al 2005) Tegelijkertijd dient men rekening te houden met het feit dat jonge moeders vaak snel geïntimideerd zijn door hulpverleners en mensen uit hun naaste omgeving. (Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Ze hebben meer moeite om voor zichzelf op te komen, om hun wensen kenbaar te maken en vinden het soms moeilijk om informatie of hulp te vragen omtrent zwangerschap, bevalling en borstvoeding. (Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Het is belangrijk dat deze kwetsbare groep moeders bereikt wordt, maar vooral ook dat de begeleiding die ze krijgen aangepast is aan hun specifieke socio-economische en cognitief-emotionele situatie. Deze meisjes moeten de kans krijgen om uit te groeien tot krachtige jonge vrouwen! Iets wat je niet bereikt met een belerende of overdreven sturende houding, maar wel met een respectvolle en individueel aangepaste begeleiding.

Jonge moeders zitten bijvoorbeeld nog volop in het proces tot volwassen worden, met voor velen onder hen de daarbij horende puberale egocentriciteit. Tegelijkertijd worden zij verplicht om zich te richten op hun groeiende babytje en het uitbouwen van een primaire gehechtheidsrelatie. Tienermoeders kunnen op die manier een conflictsituatie ervaren tussen de ontwikkelingsnoden van hun kindje en hun eigen ontwikkelingsnoden als tiener. Het voldoen aan beide, soms tegengestelde, noden kan een hele opgave zijn voor de tienermoeder. (Brown 2004, Infoportaal tienermoeders 2012, Krijtenburg-Kolman 2012) Bij de prenatale voorlichting kan men rekening houden met deze egocentrische denkwijze door vooral de voordelen van borstvoeding voor de moeder te benadrukken: de gezondheidseffecten, het sneller op het oude gewicht zitten, beter slapen, langer uitblijven van de menstruatie en een betere binding met de baby. (Brown 2004)
Daarnaast leven tieners meer van dag tot dag en gaat het maken van toekomstplannen soms moeilijk (Mohrbacher and Stock 2005), omdat ze zich moeten aanpassen aan een situatie die ze niet verwacht hadden. Als ze toekomstplannen maken, koesteren ze daarbij vaak onrealistische toekomstverwachtingen. (Infoportaal tienermoeders 2012)

Prenatale begeleiding en voorlichting door een getrainde peer counselor in de vorm van een getrainde contactmoeder en/of lactatiekundige doet meer zwangere tieners beslissen tot het geven van borstvoeding en zorgt er ook voor dat tienermoeders borstvoeding langer volhouden. (Constance 1998, Wambach sd) Vooral prenataal contact met tienermoeders die succesvol borstvoeding geven of hebben gegeven maakt dat tieners makkelijker leren hoe ze zelf succesvol borstvoeding kunnen geven. (Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2012) Het tonen van een borstvoedingsvideo kan vooroordelen over borstvoeding uit de weg ruimen en tieners aanzetten om positiever te denken over borstvoeding, zowel bij niet-zwangeren als bij zwangeren. (Wiemann 1998, Constance 1998) Dat kan voordelen hebben voor de moeder zelf, maar ook voor haar klasgenoten. Voorlichting van de klasgroep, bijvoorbeeld door borstvoeding een onderdeel te maken van de gezondheidseducatie of door middel van klasgesprekken of een presentatie voor de klas door de tienermoeder zelf kan helpen om de vooroordelen uit de weg te ruimen en meer begrip te creëren. Tieners zijn immers erg gevoelig voor het oordeel van leeftijdsgenoten en moeders geven aan dat de mening van hun vrienden en klasgenoten belangrijk is in hun keuze voor borst- of kunstvoeding.

Om dezelfde reden is het belangrijk om infomomenten voor zwangere tienermoeders ook open te stellen voor de mensen die deze jonge vrouwen bij hun eerste stapjes in het moederschap zullen ondersteunen: de partner, de (schoon)moeder, een vriendin,… Als de omgeving meer kennis heeft over borstvoeding, heeft de borstvoeding immers meer kans op slagen! (Constance 1998)

Hebben deze moeders een keuze voor borstvoeding gemaakt, dan kan die keuze kenbaar gemaakt worden voor alle betrokken hulpverleners door het opstellen van een geboorteplan, een document waarin de wensen en verwachtingen voor de bevalling en vlak erna genoteerd staan. Ook een wiegenkaartje kan helpen om de keuze voor borstvoeding te ondersteunen. (Krijtenburg-Kolman 2012) Een borstvoedingsvriendelijk voorbeeld van een wiegenkaartje vind je bij Kiind.nl.

Een positieve borstvoedingservaring vergroot de kans dat de latere kinderen van een tienermoeder ook borstvoeding zullen krijgen. (Riordan and Wambach 2010) Het is dus uiterst belangrijk dat zorgverleners nadenken over de manier waarop men moeders gaat begeleiden in hun voedingskeuze en hoe men die keuze ook optimaal kan blijven ondersteunen na de bevalling. Bijvoorbeeld door middel van degelijke informatie en advies, praktische hulp, mogelijkheden om de school af te maken (verlofregelingen, aangepaste schooltrajecten, financiële ondersteuning), uitkeringen, re-integratietrajecten met betrekking tot school en werk, flexibele kinderopvang en opvoedingsondersteuning. (Infoportaal tienermoeders 2012)

Duur van de lactatieperiode

Voor de Verenigde Staten zijn de borstvoedingscijfers in het algemeen bij tienermoeders lager dan bij oudere moeders. (Scanlon et al 2007) Jonge moeders starten ook minder vaak met borstvoeding. (Constance 1998, Wambach and Cole 2000) Minder dan 1/3 van de Amerikaanse jongeren start effectief met het geven van de borst. (Brown 2004)

Als we op wereldschaal kijken, dan start 43% van de pasbevallen vrouwen jonger dan 20 jaar met borstvoeding. In de leeftijdscategorie van 20 tot en met 29 jaar is dat 65% en bij moeders ouder dan 30 jaar 75%. (Grassley and Sauls 2012)

Voor Vlaanderen geven de algemene cijfers 71% starters in 2007 aan. In Nederland is dat 81% in 2007 en 75% in 2010. Van die 81% starters in Nederland ervaart dan 68% een succesvolle borstvoedingservaring één week postpartum. (van der Greft 2011, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Kind en Gezin geeft aan dat in Vlaanderen 49% van de tienermoeders op dag 6 na de geboorte borstvoeding geeft. Voor vrouwen tussen de 20 en de 25 jaar is dat 57,3% en in de leeftijdscategorie boven de 25 jaar is dat 64,4%. (Kind en Gezin 2011)

48% van de Nederlandse moeders geeft volledig borstvoeding één maand postpartum in 2007 (46% in 2010), terwijl de tienermoeders op 44,4% stranden. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Al de tienermoeders uit het onderzoek van Krijtenburg-Kolman (44,4%) houden de borstvoeding vervolgens wel vol totdat hun babytje drie maanden oud is, terwijl de algemene Nederlandse cijfers op 30% stranden voor 2007 en 29% voor 2010 en de Vlaamse cijfers uitkomen op 37% voor 2007. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Zes maanden postpartum groeien beiden moedergroepen dan weer wat naar elkaar toe met 22,2% voor de tienermoeders en 20-25% (in 2005, 18% in 2010) voor de algemene Nederlandse borstvoedingscijfers. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

In vergelijking met oudere moeders geeft dubbel zoveel Amerikaanse tienermoeders die startten met borstvoeding al snel na het verlaten van het ziekenhuis de borstvoeding op. (Brown 2004) Ook bij ons kennen we een soortgelijke situatie. (Krijtenburg-Kolman 2009/2012) Redenen die tienermoeders aanhalen voor het stoppen met borstvoeding:

  • Aanlegproblemen (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Onvoldoende melkproductie (Constance 1998, Wambach and Cohen 2009, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Borstvoedingsonvriendelijke begeleiding tijdens de eerste dagen postpartum (Constance 1998)
  • Moeite hebben met borstvoeding in het openbaar (Constance 1998, Brown 2004)
  • Kolfproblemen (Wambach and Cohen 2009)
  • Terugkeer naar school of werk (Constance 1998, Wambach and Cohen 2009)
  • Tepel- of borstpijn (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Overweldigd zijn door de situatie (Brown 2004)
  • Frustratie (Brown 2004)

Een groot aantal moeders dat hun kindje vroeger speende dan gepland is niet op zoek gegaan naar beschikbare hulp en velen gaven aan achteraf spijt te hebben over de vroegtijdige overschakeling naar kunstvoeding. (Wambach and Cohen 2009, Krijtenburg-Kolman 2009) Individuele follow-up met extra huisbezoeken tijdens de eerste week na het ontslag uit de materniteit is nodig om de overgang naar de thuissituatie, mét continuering van borstvoeding, te ondersteunen. (Constance 1998)

Tieners zijn sneller beïnvloedbaar door de foute raadgevingen en commentaar van de omgeving, waardoor de borstvoeding meer kans heeft op mislukken. (Mohrbacher and Stock 2005) Een Amerikaanse studie onderzocht de statistische voorspelbaarheid op de slaagkans van borstvoeding (Grossman et al 1989) en kwam op volgende factoren uit die een succesvolle borstvoedingservaring zouden bevorderen:

  • De moeder heeft een middelbaar onderwijsdiploma.
  • De moeders is gehuwd.
  • De moeder heeft een blanke huidskleur.
  • Er is prenatale begeleiding opgestart in het eerste trimester van de zwangerschap.
  • De eigen moeder heeft borstvoeding gegeven aan haar dochter.
  • De partner steunt de borstvoedingskeuze.

Ook twee andere onderzoeken geven aan dat emotionele, informatieve en praktische steun van familie, vrienden en school de slaagkans van borstvoeding verhoogt. (Andries 2008, Wambach and Cohen 2009)

Postnatale borstvoedingsbegeleiding

Enkele concrete tips waarvan uit onderzoek is gebleken dat ze effectief zijn bij de borstvoedingsvoorlichting en –begeleiding van jonge moeders:

 Begeleiding op maat van de tienermoeder

Zie bovenstaande hoofdstukken:
–          Profiel van de tienermoeder
–          Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden
–          Prenatale begeleiding

 Praktische en concrete voorlichting

Om snel stoppen met borstvoeding te voorkomen start men best al tijdens de zwangerschap met borstvoedingsvoorlichting, bijvoorbeeld door aanleggen te oefenen met poppen, door het geven van kolfinformatie, tips over leuke borstvoedingskleding en tips over voeden in het openbaar. (Brown 2004) Om jonge moeders aan te spreken kan men erop letten dat prenten in boeken of brochures niet alleen oudere moeders, maar ook tienermeisjes tonen. (Mohrbacher and Stock 2005) Moeilijk taalgebruik is te vermijden in voorlichtingsmateriaal; met academische taal spreek je maar een klein segment van de moederpopulatie aan. (Mohrbacher and Stock 2005) Begeleiding en informatieverstrekking hoeft niet belerend en schools te zijn. (Mohrbacher and Stock 2005) Wat wel kan werken zijn rollenspelen, videomateriaal en spelletjes. (Brown 2004)

Meer informatie over begeleiding van tienermoeders tijdens de zwangerschap in een vorig hoofdstuk: Prenatale begeleiding.

 Peer counseling

Peer counseling in de vorm van getrainde contactmoeders, lokale moedergroepen en rolmodellen uit de naaste omgeving is belangrijk om tienermoeders aan te moedigen borstvoeding te starten en vol te houden. (Riordan and Wambach 2010)

Een mooi voorbeeld hiervan is de Amerikaanse Breastfeeding Educated and Supported Teen (BEST) Club in de New Future School. Tienermoeders die succesvol borstvoeding hebben gegeven informeren en ondersteunen daar andere tienermoeders, met stijgende borstvoedingscijfers tot gevolg. Zo startte 65,1% van de cursusdeelneemsters met borstvoeding, terwijl dat bij de controlegroep slechts 14,6% was. En 81,1% van de moeders in de BEST-club die startte met borstvoeding gaf op drie maanden postpartum nog (gedeeltelijk) borstvoeding, terwijl dat in de controlegroep slechts 66,9% was. Daarnaast heeft zo’n mentorsysteem tot gevolg dat tienermoeders zichzelf en hun borstvoedingservaring ook positiever gaan inschatten en tevredener zijn met hun voedingskeuze. Het project werkt zo goed omdat typische tienervragen en -twijfels aan bod kunnen komen, dingen waar het reguliere zorgverleningscircuit soms minder aandacht aan besteedt. Bovendien worden tienermoeders op deze manier uit hun isolement gehaald en hebben sociale contacten met andere moeders, wat hun welbevinden vergroot. (Brown 2004)

Vooral in de eerste zes weken postpartum zorgt extra ondersteuning ervoor om borstvoeding voor langere tijd vol te houden. (Mohrbacher and Stock 2005) Daarnaast kan het informeren van naaste familieleden en de partner ook nodig zijn om de slaagkansen te vergroten. (Riordan and Wambach 2010) Tienermoeders die hun partner, een vriendin of hun moeder meebrengen tijdens de borstvoedingsinfomomenten starten vaker met borstvoeding en geven gemiddeld ook langer borstvoeding, omdat ze meer steun uit de naaste omgeving krijgen. (Brown 2004) Bovendien wordt de morele steun dan aangevuld met praktische kennis, iets wat ook de slaagkans van borstvoeding doet stijgen. (Constance 1998)

 Terugkeer naar school begeleiden

De terugkeer naar school wordt door heel veel tienermoeders als reden aangehaald om te stoppen met borstvoeding. Daarom is het belangrijk dat leerkrachten ook wat borstvoedingsscholing krijgen of op zijn minst contact hebben met een peer-counselor die hun vragen kan beantwoorden. (Constance 1998) Soms denken leerkrachten bijvoorbeeld dat tienermoeders borstvoeding als excuus gebruiken om de lessen te missen. Een peer-counselor kan dergelijke vooroordelen weerleggen. (Brown 2004) Met de juiste ondersteuning vanuit het schoolteam zijn tieners ook beter en langer in staat om borstvoeding vol te houden. (Constance 1998)

Aangepaste uurroosters en kolf- of voedpauzes voor borstvoedende moeders bestaan wel in het arbeidscircuit, maar zijn in het onderwijs nog een grote onbekende. In die zin zijn de plannen van Vlaams onderwijsminister Smet om moederschapsverlof en thuisonderwijs te organiseren voor tienermoeders een goede zaak!

Veel jonge moeders gaan vrij snel na de bevalling weer naar school en ervaren het afmaken van hun schoolopleiding als een zware klus en moeilijk te combineren met borstvoeding. (Constance 1998) Speciale verlofregelingen, aangepaste schooltrajecten en re-integratietrajecten na de bevalling kunnen deze jonge meiden helpen om een diploma te halen. Daarnaast is er ook nood aan aangepaste kolfruimtes (Constance 1998), flexibele kinderopvang en opvoedingsondersteuning, (Infoportaal tienermoeders 2012) samen met informatie over kolven en waar kolfapparatuur te huren is. (Riordan and Wambach 2010) Instanties die kolven verhuren dienen  ook een degelijke uitleg te geven over hoe een kolf werkt. (Constance 1998)

 Houding van de hulpverlener

Een Zuidoost-Amerikaanse studie toont aan dat hulpverleners soms sceptisch staan tegenover de kans op een succesvolle borstvoedingservaring bij tienermoeders, omwille van vermeende onvolwassenheid en gebrek aan inzet. Hoe lager de scholingsgraad van de verpleegkundige of vroedvrouw, hoe sterker het geloof in vooroordelen over tienermoeders. Bijscholingen over de problematiek zijn dus nodig! (Spear 2004)

Een wanverhouding tussen de puberale onzekerheid van vele jonge moeders enerzijds en de vooroordelen bij vele hulpverleners anderzijds maakt dat tienermoeders zich snel geïntimideerd voelen door zorgverleners. Ze vinden het soms moeilijk om informatie of hulp te vragen omtrent zwangerschap, bevalling en borstvoeding. (Constance 1998, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Om borstvoeding te doen slagen is een vertrouwensband tussen moeder en hulpverlener dan ook erg belangrijk. (Mohrbacher and Stock 2005) Bovendien dienen hulpverleners meer te doen dan enkel moeders aan te moedigen om borstvoeding te geven. Ze zouden ook over de nodige kennis en vaardigheden moeten beschikken om tienermoeders te begeleiden en te ondersteunen met de juiste tips om de borstvoeding op het goede spoor te zetten of te houden. Aanmoedigen alleen is immers niet voldoende. (Constance 1998)

Specifieke voordelen van borstvoeding bij tienermoeders

Borstvoeding is iets wat de moeder alleen kan geven, waardoor ze haar kindje dicht bij zich kan houden en minder angst hoeft te hebben dat ze het uit handen zal moeten geven aan oma of aan een oppas. (Mohrbacher and Stock 2005) In die zin helpt borstvoeding ook om een band op te bouwen met het kindje, iets wat zeker belangrijk kan zijn bij een onverwachte of laat ontdekte zwangerschap.

Borstvoeding versterkt het zelfvertrouwen van een jonge moeder. Het kindje zien groeien en gedijen op de eigen melk en ervaren dat het kindje meestal snel getroost kan worden, kan het zelfbeeld van een aanvankelijk onzekere tienermoeder versterken. Dit heeft tevens een lange termijneffect, want deze jonge vrouwen vormen op die manier een positiever beeld van zichzelf, van volwassenheid en van het moederschap in het algemeen. (Riordan and Wambach 2010)

Tienermoeders belanden door het gebrek aan diploma en/of werk vaker in een socio-economisch lagere klasse. Het feit dat kunstvoeding veel duurder is dan borstvoeding kan dan belangrijk zijn, vooral als de moeder over geen of weinig inkomsten beschikt of niet financieel gesteund wordt door haar naaste omgeving. (Riordan and Wambach 2010)

Kinderen van tienermoeders hebben meer kans op gezondheidsproblemen, door de hogere frequentie van pre- en dismaturiteit en het vaker opgroeien in een minder gezonde omgeving in vergelijking met kinderen van oudere moeders. De immunologische kenmerken van borstvoeding kunnen voor een deel deze nadelen compenseren. (Brown 2004)

Conclusie

In Nederland krijgen elk jaar iets meer dan vijf op duizend babytjes een tienermama. In Vlaanderen gaat het om bijna vier op duizend geboortes. Door gebrek aan opleiding en beperkte inkomsten behoren deze moeders doorgaans tot de lagere socio-economische klasse. De leefomstandigheden en het opleidingsniveau maken dat gebrek aan zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld regelmatig voorkomt in deze groep.

Ondanks het feit dat een tienermoeder fysiologisch gezien perfect in staat is om borstvoeding te geven, starten minder jonge moeders met borstvoeding in vergelijking met oudere moeders en ze schakelen ook vaker over op kunstvoeding tijdens de eerste maand postpartum.

Dat komt omdat jonge moeders zich vaak laten leiden door hun omgeving in hun keuze voor borst- of kunstvoeding. Fabels en vooroordelen over borstvoeding komen regelmatig voor. Daarnaast schaamte of angst voor het voeden in het bijzijn van anderen of in het openbaar en ongerustheid over hoe borstvoeding te combineren met school of werk. Tienermoeders krijgen soms ook te maken met aanleg- en kolfproblemen of pijn bij het voeden, factoren die de kans vergroten dat ze snel overschakelen op kunstvoeding. Degelijke voorlichting, bij voorkeur in de vorm van peer-counseling, is dan ook nodig om de borstvoedingscijfers bij jonge moeders te doen stijgen.

Praktische en concrete voorlichting van de tienermoeder zelf en aangepast aan de specifieke cognitief-emotionele ontwikkelingsfase waarin ze zich bevindt, maar ook voorlichting van haar omgeving die de tienermoeder zal bijstaan in de opvoeding van haar kindje(s): haar partner, (schoon)moeder, een goede vriendin. Bijscholing van de hulpverlening en het lerarenkorps waar de jonge moeder mee te maken krijgt kan ook nodig zijn om vooroordelen over tienerouderschap uit de weg te ruimen en ervoor te zorgen dat ze op een borstvoedingsvriendelijke manier begeleid wordt. Daarnaast kan ondersteuning bij de terugkeer naar school ervoor zorgen dat een tienermoeder haar opleiding kan afmaken en dus meer kansen krijgt op de arbeidsmarkt. Voorwaarde hierbij is wel dat de schoolinfrastructuur, de lessenroosters, het schooltraject, het lerarenkorps en de kinderopvang flexibel genoeg zijn zodat de jonge mama de borstvoeding kan continueren in een motiverende omgeving.

Begeleiding doorheen de zwangerschap en tijdens de eerste zes weken postpartum zijn cruciaal om borstvoeding meer kans op slagen te geven, maar idealiter gebeurt voorlichting zelfs al voordat een tiener zwanger is. Bijvoorbeeld als onderdeel van de gezondheidseducatie op school. Zo wordt borstvoeding gezien als een vanzelfsprekende keuze door alle partijen. Wat voordelen heeft voor de tienermoeder zelf, omdat ze zich meer gesteund weet in haar borstvoedingskeuze, maar ook voor de maatschappij in zijn geheel. Die heeft er immers alle baat bij dat alle moeders zo veel en zo lang mogelijk borstvoeding geven!

© 2012-2013


Bijlage: Gegevensverzameling

Algemeen

Andries, K. (2008) “Tiener en Moeder: Een bewuste keuze? Een belevingsonderzoek bij jonge meisjes in Vlaanderen naar de beweegredenen om moeder te worden”
Hertfelt Wahn, E. et al. (2005) “A description of Swedish midwives’ reflections on their experience of caring for teenage girls during pregnancy and childbirth” in Midwifery 23:269-278
Kind en Gezin (2011) “Het kind in Vlaanderen 2010”
Lanting, C.I. and J.P. van Wouwe (2011) “Borstvoeding in Nederland” in in Een professionele kijk op borstvoeding 7.4
Mohrbacher N. and J. Stock (2005) “Handboek Lactatiebegeleiding La Leche League”
Riordan J. and K. Wambach (2010/4) “Breastfeeding and Human Lactation”
Van der Greft, A.M. (2011) “Beleid van de overheid” in Een professionele kijk op borstvoeding 7.1
Vlaams Parlement – Vragen en Antwoorden – Nr.1 – Oktober 2008 –Profiel tienermoeder
http://www.borstvoeding.com/aanverwant/maatschappij/borstvoedingscijfers.html (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.infoportaaltienermoeders.nl/ (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.vlov.be/ (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.zorgvoorborstvoeding.nl/achtergrondinformatie/borstvoedingscijfers (geraadpleegd op 16/03/2012)

 Brazilië – moeders ≤ 18 jaar

Brasil, A. et al. (1991) “Fat and protein composition of mature milk in adolescents” in Journal of Adolescent Health 12(5):365-371

Brazilië en Nederland– moeders ≤ 18 jaar

Flavia, M. et al. (2008) “Essential and long-chain polyunsaturated fatty acid status and fatty acid composition of breast milk of lactating adolescents” in British Journal of Nutrition 100:1029–1037

 Canada – moeders ≤ 18 jaar

Keizer, S.E. (1995) “Postpartum folic acid supplementation of adolescents: impact on maternal folate and zinc status and milk composition” in American Journal of Clinical Nutrition 62(2)377-384

 Nederland– moeders ≤ 25 jaar –> uitgefilterd tot ≤ 18 jaar

Krijtenburg-Kolman, S. (2009) “Onderzoek naar de keuze voor borst- of kunstvoeding bij jonge moeders”
Persoonlijke correspondentie met Sascha Krijtenburg-Kolman (februari-maart 2012)

 Verenigde Staten– moeders ≤ 18 jaar

Brown, A.L. (2004) “The effect of breastfeeding education on breastfeeding initiation rates among teenage mothers”
Constance, M. et al. (1998) “Strategies to promote breastfeeding among adolescent mothers” in Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine 152:862-869
Grassley, J.S. and D.J. Sauls (2012) “Evaluation of the Supportive Needs of Adolescents during Childbirth Intrapartum Nursing Intervention on Adolescents’ Childbirth Satisfaction and Breastfeeding Rates” in Journal of Obstetric, Gynecologic, and Neonatal Nursing 41:33-44
Grossman, L.K. et al. (1989) “Breastfeeding among low-income, high-risk women” inClinical Pediatrics 28:38-42
Motil, K.J. et al. (1997) “Lactational performance of adolescent mothers shows preliminary differences from that of adult women” in  Journal of Adolescent Health 20(6):442-449
Scanlon, K.S. et al. (2007) “Breastfeeding trends and updated national health objectives for exclusive breastfeeding – United States, Birth Years 2000-2004” in Morbidity and Mortality Weekly Report 56:760-763
Spear, H.J. (2004) “Nurses’ attitudes, knowledge, and beliefs related to the promotion of breastfeeding among women who bear children during adolescence” in Journal of Pediatric Nursing 19(3):176-183
Wambach K.A. (unpublished) “Promoting and supporting breastfeeding in adolescents”
Wambach, K.A. and C. Cole (2000) “Breastfeeding and adolescents” in Journal of Obstetric, Gynecologic and Neonatal Nursing 29:282-294
Wambach, K.A. and S.M. Cohen (2009) “Breastfeeding Experiences of Urban Adolescent Mothers” in Journal of Pediatric Nursing 24(4):244-254
Wambach, K.A. and M. Koehn (2004) “Experiences of infant-feeding decision-making among urban economically disadvantaged pregnant adolescents” in Journal of Advanced Nursing 2004 48(4):361-70
Wiemann, C. et al. (1998) “Strategies to promote breastfeeding among adolescent mothers” in Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine 152:862-869

© 2012-2013

Kindvriendelijk flesvoeding geven

maandag, mei 2nd, 2011

Er zijn voldoende studies verschenen die aantonen dat kunstvoeding nadelen heeft ten opzichte van borstvoeding.
De samenstelling van kunstvoeding tipt nog steeds niet aan het origineel, zijnde moedermelk. En dat lijkt in de eerstkomende jaren niet snel te gaan veranderen. Hoe graag de kunstvoedingsindustrie ons ook anders wil doen geloven…

Afgekolfde melk

Maar ook de manier waarop er (ook door zorgverleners) soms aangeraden wordt om flesvoeding te geven, doet vragen rijzen. Voeden op de klok, waarbij het kindje tussen de voedingen door “tevreden” gehouden wordt met een speentje of afgeleid wordt met een wandeling, spelletje of speelgoedje. Het pogen om jonge babytjes al na enkele weken te programmeren om de nacht door te slapen, alsof het computerprogramma’s betreft en niet minimensjes. En het proberen om die lieve kleine wezentjes zo snel mogelijk op zo weinig mogelijk voedingen te zetten, waarbij dat maagje maar zo vol mogelijk gepropt wordt met melk en aanverwanten… Kindvriendelijk vind ik het niet…

Als je je door omstandigheden genoodzaakt ziet om je kindje fles- of kolfvoeding te geven, doe het dan alstublieft op een kindvriendelijke manier. Een manier die het dichtst aansluit bij de voedingsmethode waarop de mens al miljoenen jaren overleeft, zijnde borstvoeding.

Enkele tips:

  1. Draag het flessenspeentje tijdens het bereiden of opwarmen van de voeding even bij je, onder je shirt, zodat het warm aanvoelt en heerlijk ruikt en smaakt naar mama. De natuur heeft het immers zo voorzien dat mama normaalgezien in de babyvoeding voorziet.
  2. Hou je kindje tijdens het geven van het flesje dicht tegen je aan, met zo veel mogelijk lichaamscontact tussen jou en je baby, zoals je ook zou doen bij het geven van borstvoeding. Je kindje voeden is immers meer dan het doorgeven van voedingstoffen. Het is ook gezellig samenzijn, vertrouwen en geborgenheid geven, troosten, enzovoort. Dat alles bereik je beter als je je kindje heerlijk dicht tegen je aan trekt en voedt in alle intimiteit. Neem dus je tijd voor de voedingen. Maak er meer van dan het louter bevredigen van het hongergevoel bij je kindje.
  3. Wek de zoekreflex op door met het speentje zachtjes over de kaak en de lipjes van je kindje te strelen. Als je kindje spontaan de mond opent en een grote hap neemt, kan je het flesje in zijn mondje steken.
  4. Stop de speen redelijk ver in zijn mondje, tot aan de overgang tussen hard en zacht verhemelte. Dat is de meest natuurlijke manier van drinken voor je kindje. Bij borstvoeding zit de tepel ook ver in het babymondje en neemt het kindje een groot stuk van het tepelhof mee in de mond.
  5. Hou het flesje wat horizontaler, draai de speen vast aan en gebruik een flessenspeen met een klein gaatje. Zo stroomt de melk langzamer. En moet je kleintje moeite doen om melk uit zijn flesje te krijgen. Net zoals hij ook aan de borst zou moeten doen. Hiermee boots je niet alleen de meest natuurlijke manier van drinken na, maar geef je je kindje tevens de kans om zijn zuigbehoefte goed te bevredigen, zodat hij na de voeding geen fopspeen meer nodig heeft. Zeker als je kindje dreigt om boven de maximum hoeveelheid cc’s uit te komen op een etmaal is dit een goede manier om hem tevreden te houden en toch in zijn zuigbehoefte te blijven voorzien.
  6. Voed je kindje op verzoek, dus bij de eerste hongersignalen en stel geen voedingen uit. Kijk dus niet naar de klok om je kindje te voeden, maar kijk naar je kind zelf! Als je je kindje voedt zoals bij borstvoeding (zie punt 4), dan krijgt het ook de kans om zijn zuigbehoefte te bevredigen. Dan zal het geen fopspeentje nodig hebben. En zal het ook niet boven de maximum aantal cc’s voeding per dag komen.
  7. Spreid de voedingen over zowel de dag als de nacht, als je kindje daar behoefte aan heeft. Het is uiterst onnatuurlijk voor een jonge zuigeling om de hele nacht door te slapen. Tot ver boven het jaar is het normaal dat kinderen nog behoefte hebben aan een of meerdere nachtvoedingen. Of je fles- dan wel borstvoeding geeft, staat daar zelfs los van.
  8. Volg je kindje wat de hoeveelheden voeding betreft. Probeer niet om je kindje meer te doen eten dan het aankan. Dwing je kindje niet om zijn flesje tot op de bodem leeg te drinken. Vertrouw erop dat een normaal groeiende en gezonde zuigeling heel goed zelf kan bepalen hoeveel hij nodig heeft. De ene keer zal dat een hele fles zijn, de volgende keer misschien maar de helft. Wij eten of drinken ook niet altijd even veel… Je kindje zelf de hoeveelheden laten bepalen is de meest natuurlijke manier van voeden. Bij borstvoeding weet je immers ook niet exact hoeveel je kindje per keer drinkt en zijn er grote voedingen en tussendoorslokjes bij. Dronk je kindje overdag niet voldoende, geef hem dan de gelegenheid om zijn tekort ’s nachts in te halen. Dat is een normaal voedingspatroon dat vanzelf overgaat, eens je kindje daar klaar voor is.

Afgekolfde melk drinken uit een bekertje

Opmerking: Geef je live borstvoeding en moet je kindje om de één of andere reden kolfmelk of kunstvoeding krijgen, dan is cupfeeding of voeden met een lepeltje vaak een borstvoedingsvriendelijkere optie dan flesjes.

Als je vroeger dan verwacht stopt met borstvoeding (Aidulac.nl)

© 2011-2012

Borstvoeding, gelukkige ouders en gezonde kinderen!

vrijdag, maart 25th, 2011

Help! Flesvoeding is een ramp…

Geniet van je kind, geef borstvoeding!

Slechts 2% van de vrouwen is fysiek niet in staat om haar kind borstvoeding te geven. Je bent dus niet de enige die borstvoeding geeft aan haar kind, 98% van de vrouwen overal ter wereld kan het!

  • Stel dat jij je baby gewoon kan voeden. En hij daarna heerlijk tevreden gaat slapen of spelen.
  • Stel dat je er ‘s nachts niet uit hoeft om een speentje te geven of flesjes te bereiden. Maar lekker in bed kan blijven liggen. En jullie samen knus kunnen genieten van de voedingen.
  • Stel dat jij niet hoeft te klungelen met flesjes, poedertjes of schepjes?

Iedereen vraagt al na enkele maanden wanneer je gaat stoppen met borstvoeding. En je schaamt je bijna als je vertelt dat je nog lang door wil gaan met voeden. Je gaat je schuldig voelen en je denkt dat je jouw kind tekort doet als je niet overstapt op flesvoeding. Maar dat blijkt niet te kloppen! Borstvoeding is de normale voeding voor je kindje!

Op deze manier verder gaan lijkt moeilijk vol te houden. Al dat gezeur aan je hoofd over flesvoeding en bijvoeden met potjesvoeding. Lees dus verder hoe jij jouw problemen met bemoeienissen over je borstvoeding op kan gaan lossen!

Download “Borstvoeding, gelukkige ouders en gezonde kinderen!”

Hoe kan ik weer gaan genieten van het voeden van mijn kind?

Je zal de babytijd van je kindje nooit vergeten! Die allereerste periode waarin je je kleintje heerlijk zag groeien op jouw melk, die blijft je altijd bij! Haal dus het maximale uit deze periode en geniet volop van het samenzijn met je kindje. Gezeur en bemoeienissen hebben een slechte uitwerking op moeder en kind.

Beslis nu voor jezelf dat je voortaan wil genieten van je kind. En geen gezeur meer aan je hoofd wil over flesvoeding, vroegtijdig bijvoeden of potjesvoeding.

De flesvoedingsmaffia ontmaskerd?!?!

Uit onderzoek blijkt dat flesvoeding nadelen op zowel korte als lange termijn geeft voor moeder en kind! De nadelen van flesvoeding worden je nooit verteld door mensen “die het goed met je voor hebben”. Maar ze zijn er wel! Maak dus nu de keuze om gewoon lekker door te gaan met die borstvoeding!

  • Bij bijna alle onderzoeken naar flesvoeding worden appels met peren vergeleken. En laat de verantwoording te wensen over.
  • Bijna iedereen lijkt dit klakkeloos over te nemen: je vrienden, je familie, de media.

Het is heel normaal dat je het vervelend vindt om tegen familie, bekenden of collega’s te vertellen dat je nog lang borstvoeding wil blijven geven. Iedereen lijkt er van uit te gaan dat je snel zal willen overstappen op flesvoeding.

Borstvoeding, gelukkige ouders en gezonde kinderen!

Borstvoeding, gelukkige ouders en gezonde kinderen! Ons boek is speciaal geschreven voor ouders die de bemoeienissen van hun omgeving beu zijn. Wij laten je zien hoe je weer kunt genieten van het voeden van je kindje!

Het boek telt slechts een tiental bladzijden. En leest gemakkelijk weg! Er staat in wat jij als ouder nu op dit moment nodig hebt. Wat je kan doen om al die overbodige adviezen en dat geleuter over flesjes en bijvoeding te stoppen.

Een greep van de inhoud van ons boek:

  • Hoe je het best om kan gaan met de reacties van de omgeving.
  • Waarom de onderzoeken naar flesvoeding vaak niet kloppen.
  • De gebruikelijke nadelen aan flesvoeding.
  • Contactgegevens van borstvoedingsorganisaties.
  • Meer informatie over de werking van borstvoeding.

Als jij dit boek gelezen hebt, dan ben je degelijk geïnformeerd. En gewapend tegen opmerkingen van je omgeving. En kan je weer gaan genieten van deze babytijd!

Download “Borstvoeding, gelukkige ouders en gezonde kinderen!”

Voordelen van “Borstvoeding, gelukkige ouders en gezonde kinderen!”

  • Bespaar tijd! Je hoeft zelf niets uit te pluizen. Alles wat je wil weten over borstvoeding staat in het boek.
  • Voorkom ergernissen en frustraties.
  • Meteen beginnen! Na je aanmelding kan je meteen het pakket downloaden.
  • Werkt op iedere computer. Print uit wat je nodig hebt!

100% tevredenheidsgarantie, voor ouders én kinderen!

[Deze blog is een parodie op een reclame-advertentie voor een bepaald flesvoedingsboek.]

 

Borstvoeding met hobbels

vrijdag, maart 4th, 2011

Borstvoeding geven is fijn! Veel moeders genieten van het zelf voeden van hun kindje. Borstvoeding geven is een mooi, logisch en natuurlijk vervolg op zwangerschap en geboorte. Moeders zijn terecht trots als ze hun kindje zien groeien en bloeien op hun melk.

Bij vele moeders verloopt het voeden  van hun kindje(s) als van een leien dakje. Maar helaas is dat niet altijd het geval. Er zijn ook mama’s die de ene hobbel na de andere moeten overwinnen vooraleer ten volle te kunnen genieten van het geven van borstvoeding. Cruciaal bij borstvoedingsproblemen is het krijgen van de juiste begeleiding en tips! Gaat er iets niet goed, zoek dan hulp! Voor zowat elk borstvoedingsprobleem is er wel een oplossing te vinden.

Nathalie, mama van Chantall en Julia, vertelt hoe haar dramatische eerste kennismaking met borstvoeding evolueerde naar een mooie langvoedervaring, waar moeder en dochter tot op de dag van vandaag nog volop van genieten:

“Borstvoeding altijd proberen” is mijn motto. Maar dochter nummer één dacht daar anders over. Die schreeuwde moord en brand als ze alleen de borst nog maar zag. Dus ben ik braaf aan het kolven gegaan, vingervoeden, en daarna voeden met de fles. Maar mevrouw weigerde nog steeds. En ik had melk genoeg, het liep er gewoon uit. Veel last gehad van stuwing en dergelijke. Maar braaf bleef ik kolven en iedere drie uur voeden. De dag bestond dus uit kolven, fles geven, weer kolven. Niet echt ideaal en geen roze wolk-idee. Daarom na een week of wat het kolven langzaam afgebouwd. Totdat ik rond vier maand zowat geen melk meer af kon kolven. Toen ineens viel het kwartje, mevrouw kon ineens aan de borst drinken. Naar mijn idee te laat, ik ben dus niet doorgegaan.

Bij dochter nummer twee wilde ik het wel weer proberen. Die hapte direct goed in het ziekenhuis en ik voelde me de koning te rijk. Eentje die niet huilt als ze de borst krijgt. Maar helaas ’s nachts ging het al mis, ze wilde niet, huilen, huilen, huilen. En ik wilde niet nog een keer zoveel maanden kolven, dus in goed overleg met mijn man besloten op de fles over te gaan. Kraamzorg was het er helemaal mee eens. “Nee”, groot gelijk gaf ze me. In de loop van de dag werd onze dochter ziek. Op naar het ziekenhuis, met als resultaat streptokok b bacteriële infectie, welke een hersenvliesontsteking en een bloedvergiftiging meenam. En als klap op de vuurpijl nog een herseninfarct er achteraan. Onze wolk klapte wederom uiteen. Dinsdag geboren, woensdag doodziek. Donderdag giga stuwing, de melk spoot eruit. De verpleging wist niets anders te melden dan minder drinken. ’s Nachts tot twee keer toe 100 ml afgekolfd en weggegooid. Andere dag nieuwe verpleegster, die noemde borstvoeding vloeibaar goud en vroeg ons het af te kolven en mee te nemen. Baby ging naar Utrecht, wij er achter aan. En daar werd juist heel erg gestimuleerd om te kolven en borstvoeding te geven. Dat heb ik gedaan. Ook werd de baby vaak aangelegd. Ze was te moe om te drinken, maar mama leerde zo wel de techniek. Kindje mee naar huis. De verloskundige heeft ook nog een boekje over borstvoeding gebracht. En gaandeweg hebben we samen geleerd om borstvoeding te geven. Julia is nu inmiddels een jaar en ik voed nog steeds op verzoek. De levende cellen in de borstvoeding hebben naar mijn idee nog heel wat meegewerkt aan de ontwikkeling van haar hersenen, die aanzienlijk beschadigd waren. Het is nu een heel beweeglijk ding. Ik vind borstvoeding veel makkelijker dan de fles, nooit denken van “Is het wel genoeg? De fles is niet leeg, was het te weinig?” Je weet niet wat ze krijgen en dat stelt mij gerust zolang ze groeit. Je hebt altijd eten mee voor als de kleine honger heeft. Ook in het openbaar voeden: een stil hoekje, laken erover en het hoeft niemand op te vallen. Ik ben blij met deze ervaring en zou iedere moeder willen zeggen gewoon borstvoeding geven. Het is zo veel gemakkelijker!

Ik heb gelukkig nooit last gehad van spruw. Stuwing was me bij de tweede ook onbekend, op die begindag na. Ik heb geen tepelkloven en dergelijke. Een keer een blaartje, maar toen moest ik gewoon iets beter opletten met aanleggen. Nu kan ik zelfs rustig een dag maar twee keer voeden en de andere dag zes keer. Het gaat allemaal en er is altijd genoeg. De typische verhalen die je vaak hoort van vrouwen “Mijn voeding liep terug” geloof ik niet meer. Een rustig genietmoment voor twee als we voeden. Echt een aanrader voor iedereen.

Kennis over borstvoeding is erg belangrijk! Hoe meer je erover weet, hoe meer kans op slagen borstvoeding heeft. Veel borstvoedingsorganisaties, ziekenhuizen, kraaminstellingen, zelfstandige vroedvrouwen, doula’s, lactatiekundigen enzovoort organiseren daarom informatiebijeenkomsten. Op die manier proberen ze de kennis van zwangere vrouwen te vergroten. En ervoor te zorgen dat steeds meer kinderen na de geboorte gevoed worden met moedermelk.

De meest gehoorde uitspraak van zwangere mama’s tijdens zo’n eerste borstvoedingsinfo-avond is volgens mij: “Ik ga borstvoeding proberen.”

Proberen? Wat proberen? Hoe proberen? … Borstvoeding ga je doen! Dat hoef je niet te proberen… Met de juiste tips in het achterhoofd, eventueel aangevuld met degelijke begeleiding, lukt borstvoeding altijd! Onzekerheid is echt nergens voor nodig.

Danielle, mama van prematuur geboren Max en langvoedster, zegt het heel mooi:

Ik had vanmiddag een verjaardagsfeestje en er waren veel kinderen, baby’s en zwangeren. Erg gezellig. Max had honger dus (natuurlijk) legde ik hem aan. Bovendien was hij een beetje overvallen door het lawaai en gespeel van de kindjes, en wilde dus lekker bij mama tutten.

“wat fijn dat het lukt” Kreeg ik te horen. Huh? Lukken? Okee… Op mijn antwoord dat iedere vrouw, op 2% van de wereldbevolking na, wel borstvoeding kon geven, kwamen de verhalen los…

“Jamaar, Truusje van de buren, van de nicht van, van de overkant, mijn kennis, ik, (etcetera etcetera) kan ECHT geen borstvoeding geven, hoor…”
Een zwangere vrouw vond het erg mooi dat ik nog steeds (?) voedde, maar ze zei: “Zoals de andere moeders zeggen, ik hoop maar dat het lukt…”

Het kan. Maar 2% niet. Van de wereldbevoking. AAAHHHHH.

Even voorbijgaand of het nou wel of niet lukt, willen we echt dat zwangere vrouwen zeggen: “Ik hoop dat de borstvoeding gaat lukken?” Dat vrouwen er bij voorbaat al vanuit gaan dat het wel eens niet kan lukken?

Oh, zeker, ik heb ook wel eens momenten gehad dat ik het even niet meer zag zitten. Met een premature zoon, niet kunnen happen, nachtkolven, kolfmelk nageven etcetera. Maar geen moment heb ik gedacht dat ik het niet zou kunnen.
Maar pak een jonge moeder, die voor de geboorte constant van iedereen te  horen heeft gekregen: “Nou, IK kon het niet, hoor!”.  Logisch dat ze dan snel(ler) overstapt op kunstvoeding.

Ikzelf vind dat echt geen goede ontwikkeling. Borstvoedingskennis wordt niet meer overgedragen van moeder op moeder. Oma staat niet meer mee te kijken of je een goede houding hebt. En grootoma met de huis/tuin/keukentips is allang uit beeld.

Misschien wordt het tijd, dat we met z’n allen (of het is gelukt of niet) zwangere vrouwen een (postitief) hart onder de riem steken!!

© 2011

Papa en borstvoeding

zondag, september 26th, 2010

“Mijn vrouw geeft de borst. Makkelijk voor mij! Hoef ik niks te doen…”

Hmm, dat is niet helemaal waar… De steun van de partner tijdens de ganse borstvoedingsperiode is heel belangrijk! En dat begint al van in de zwangerschap…

Enkele tips voor de papa’s(-in-spe) onder ons:

* Ga met je vrouw mee naar een informatiebijeenkomst over borstvoeding. Weten hoe borstvoeding werkt, helpt om je vrouw te begrijpen en te steunen als ze het even niet meer ziet zitten.

* Toon niet alleen tijdens die informatiebijeenkomst, maar ook daarna nog belangstelling voor het fenomeen van borstvoeden. Zo kan je jullie keuze voor borstvoeding mee verdedigen als je vrouw te maken krijgt met vragen, vooroordelen of fabels als “Wanneer ze gaat stoppen met die borstvoeding”, “Of dat kind ondertussen al niet toe is aan groentjes of fruit”, “Of er nog wel genoeg voedingsstoffen zitten in haar melk”, enzovoort.

* Neem een aantal huishoudelijke karweitjes of de opvang van de oudere kinderen van mama over, als de jongste aan het nachtbraken gaat of in de regeldagen zit. Zodat je vrouw zich alleen maar hoeft bezig te houden met het voeden van het borstekindje.

* Wees begripvol als mama een zware nacht achter de rug heeft en wat korter van stof is dan gewoonlijk.

* Een sterke band met je kindje krijg je niet alleen door het geven van voeding. Neem je kindje vaak bij je, met veel huid-op-huid-contact, draag het bij je in de draagdoek, geef het babymassages, dans en zing met je kleintje, enzovoort.

* De (nacht)voedingen zijn dan wel voor mama, maar knuffelen, badderen, luiers verversen, troosten en entertainen kan even goed door papa gedaan worden.

* Verzorg je vrouw. Geef haar af en toe een extra knuffel of een massage. Of breng haar een kopje thee tijdens het voeden. Een ontspannen mama produceert meer melk en zorgt voor een tevredener kind.

* Waardeer je vrouw. Vertel je vrouw regelmatig dat ze het goed doet. Dat je trots op haar bent. Dat je het fijn vindt dat je jouw kind ziet groeien en bloeien op haar melk.

* De keuze tot het geven van borstvoeding is niet alleen een keuze van de mama. Borstvoeding geven is ook jouw keuze, en een gezinskeuze. Die houding zorgt ervoor dat je vrouw zich niet alleen voelt. En zich gesterkt weet als ze te maken krijgt met familieleden of vrienden die haar keuze tot het geven van de borst in twijfel zouden trekken.

* Voel je je uitgesloten, mis je aandacht, ben je jaloers op de hechte band tussen mama en je kindje of vind je het vreemd dat je de borsten van je vrouw moet delen met je kindje, praat daar dan over met haar. En zoek samen naar oplossingen.

Ervaringsverhaal

De warme steun van mannen in de keuze tot borstvoeding: Mijn venten (Kenniscentrum Borstvoeding)

Mijn vrouw is mijn held, ervaringsverhaal met tips voor papa’s-in-spe (Kenniscentrum Borstvoeding)

Achtergrondinformatie

De rol van vader en grootmoeder bij borstvoeding (Eurolac.net)

The Breastfeeding Team: The Role of Involved Fathers in the Breastfeeding Family (wetenschappelijk rapport, Engelstalig)

Grandmothers and Men (wetenschappelijk rapport, Engelstalig)

De rol van de vader (La Leche League)

My partner wants to share the feeding, natch (Analytical Armadillo)

Real men support breastfeeding (Waba)

Papa’s en draagdoeken (La Leche League)

What Is the Father’s Role in the Breastfeeding Relationship? (La Leche League International)

FAQ for first year father’s (Mr Dad)

Mannencursussen

Mannencursus bij borstvoedingswinkel Boobs ’n Burps

Mannencursus door verloskundige David Borman

© 2010-2012