Archive for the ‘na zes maanden’ Category

Hangborsten

maandag, augustus 12th, 2013

Affiche borstvoeding

Campagne-affiche “Van borstvoeding krijg je géén hangborsten!”

Bijzondere dank aan de enthousiaste powerladies die meewerkten aan dit project!

© 2013

Dagelijkse Borst!

zaterdag, april 13th, 2013

Een tijdje geleden deed ik via facebook en twitter een oproep: “Omschrijf in drie woorden wat borstvoeding voor jou betekent?”

86 moeders gaven hun antwoord door, zonder te weten wat ik met deze antwoorden zou gaan doen. Dit was hun top 5:

  • 40% Liefde
  • 27% Natuurlijk
  • 23% Binding, Band, Verbondenheid
  • 18% Uniek
  • 15% Voeding

Aangevuld tot minstens 10% lezen we ook nog: Geborgenheid, Intens, Gemakkelijk, Genieten, Puur, Rust en Samen.

Dagelijkse borst!
Bovenstaande antwoorden heb ik eind februari 2013 gebruikt tijdens de voorstelling van de promotiefilm “Dagelijkse Borst!” op het jaarlijks symposium van Borstvoeding vzw te Sint-Niklaas.

 

Borstvoeding is voor veel moeders immers een onderdeel van hun dagelijks leven. Het is een keuze die ze maken, voor korte of voor langere tijd.

Inhoud en thema’s
De film is geen expliciet educatieve borstvoedingsfilm. Er komen geen hulpverleners aan het woord en in beeld, maar de gezinnen zelf! De film is namelijk gemaakt op basis van foto’s en verhalen die we kregen van ouders, aangevuld met cartoons, interviews en filmfragmenten.

Terugkerende thema’s zijn:

  • geboorte-ervaringen,
  • betrokkenheid van de partner,
  • relatie tussen moeder en kind,
  • fier zijn op de eigen prestatie,
  • voeden in het openbaar,
  • weer gaan werken,
  • langer voeden.

Woordarm en beeldrijk
Alle beelden in de film zijn ‘borstvoedingscorrect’. Er was namelijk voldoende materiaal om bij de selectie te letten op dingen zoals aanleghouding en drinktechniek. Want ook dat is educatie… Niet door expliciet te zeggen: “Het moet zo!”, maar gewoon door te tonen hoe het moet.

Wij leven immers in een beeldcultuur… Jonge mensen zijn makkelijker te ‘pakken’ met beelden dan met taal. Vandaar de bewuste keuze voor een woordarme en beeldrijke film!

Resultaat
Onze bedoeling was om mensen te raken. En van daaruit te hopen dat de boodschap zou blijven hangen: borstvoeding is normaal en de meest logische keuze voor je kindje.

Het uiteindelijke resultaat werd een compilatie van uitspraken, foto’s, filmfragmenten, cartoons en interviews. Van en door moeders! Een film waarin geen enkel taboe uit de weg wordt gegaan, maar waarin we er wel in slagen om borstvoeding voor te stellen als gewoon, normaal en… dagelijkse borst!

© 2013

Langer dan een jaar voeden

dinsdag, april 9th, 2013

Langer dan een jaar voeden
– geschiedenis
– antropologie
– aanbevelingen
Samenstelling van moedermelk na het jaar
Factoren die de borstvoedingsduur kunnen beïnvloeden
– vaste voeding
– werksituatie van de moeder
Bronnenmateriaal


Daar waar jarenlang borstvoeding geven ongewoon is in onze westerse cultuur, is het dat niet vanuit een meer mondiaal perspectief. Langvoeden[1] is biologisch gezien immers de natuurlijkste zaak van de wereld. Het is daarom belangrijk om in gedachten te houden dat de kritiek waar langvoedende moeders soms mee te maken krijgen, voornamelijk gebaseerd is op culturele voorkeuren en niet zozeer op wetenschappelijke gegevens. Er bestaat immers geen enkel empirisch onderzoek dat kan aantonen dat langer borstvoeding geven schadelijk is voor peuters en kleuters. Integendeel zelfs, honderden onderzoeken tonen aan dat geen of slechts kortstondig borstvoeding geven nadelen oplevert voor zowel moeder als kind.

[1] In feite is de term ‘langvoeden’ een foutief gebruikte term. De biologische norm is namelijk om een kind minstens twee jaar borstvoeding te geven. Peuters en kleuters voeden zou daarom gewoon ‘borstvoeding’ genoemd moeten worden en minder dan twee jaar voeden is dan ‘kortvoeden’. Omdat deze zienswijze nog een lange weg te gaan heeft vooraleer hij algemeen aanvaard zal zijn in onze maatschappij, hanteer ik voor de gemakkelijkheid andere definities:

  • Borstvoeding = een kindje de borst geven, ongeacht de leeftijd van dat kindje,
  • Kortvoeden = minder dan zes maanden borstvoeding geven,
  • Langvoeden = langer dan een jaar borstvoeding geven,
  • Peutervoeden = een kind voeden dat een tot vier jaar oud is,
  • Kleutervoeden = een kind voeden dat vier tot zeven jaar oud is.

1. Langer dan een jaar voeden

1.1 Geschiedenis

Antropologisch onderzoek toont aan dat een borstvoedingsrelatie tussen moeder en kind van twee tot vier jaar waarschijnlijk de norm was in de oudste, prehistorische, tijden. Vanaf de historische tijden vinden we teksten over de speenleeftijd in uiteenlopende bronnen: Talmud, Bijbel, Koran, Joodse, Arabische, Latijnse, Griekse en Boeddhistische geschriften. Daarin wordt regelmatig gesproken van een borstvoedingsduur van minstens twee of drie jaar. Niet alle moeders voedden hun kind echter zelf, er wordt ook gesproken over minnen.

Ook middeleeuwse en latere schilderijen en andere afbeeldingen tonen borstvoedende vrouwen. De borstgevoede kinderen op de afbeeldingen zijn niet alleen babytjes, maar ook peuters en kleuters. Toch ging de slinger tussen lang- en kortvoeden en tussen min en moeder steeds heen en weer in de loop van de geschiedenis, totdat de commercialisering van kunstmatige zuigelingenmelk op het einde van de 19de eeuw langzaamaan een einde maakte aan de algemene overtuiging dat alle baby’s borstvoeding horen te krijgen.

Aan het begin van de 20ste eeuw was kunstvoeding vooral iets voor de kinderen van rijke ouders. 58% van de Vlaamse en Nederlandse moeders gaf toen nog langer dan een jaar borstvoeding. Vijftig jaar later groeit een groot deel van de westerse zuigelingen echter op met geen of slechts heel kortstondig borstvoeding, vaak zelfs op aansturen en aangemoedigd door de medische wereld. De jaren ’70 van de vorige eeuw waren dan ook een absoluut dieptepunt voor de borstvoeding. Marketeers zijn er sindsdien in geslaagd om kunstvoeding als norm in het algemene westerse gedachtengoed te parkeren en jarenlang borstvoeding geven te verdringen naar achterkamers. Een tendens waar nog maar heel recent weer een beetje verandering in lijkt te komen, voornamelijk onder impuls van vrijwillige borstvoedingsorganisaties en de Attachment Parenting-beweging.

Ondanks het verdringen van borstvoeding als norm sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw verheffen zich ook stemmen die zeggen dat jarenlang borstvoeding geven ook hier in het westen vaker voorkomt dan Jan met de pet denkt. Moeders die een of meerdere kinderen tot op peuter- of kleuterleeftijd borstvoeding geven, komen daar namelijk niet altijd mee naar buiten. Langvoeden wordt voor velen onder hen uiteindelijk een privézaak, waar enkel binnen het gezin of eventueel in besloten kringen, zoals moedergroepen of internetcommunities en -fora, over gesproken wordt.

Hoe langer men voedt, hoe vaker moeders een sociaal stigma ervaren inzake hun borstvoedingskeuze en hoe minder ze daardoor geneigd zijn om ermee naar buiten te komen dat hun kinderen borstvoeding krijgen tot op peuter- of kleuterleeftijd, is ook mijn ervaring als lactatiekundige. Toenemende kritiek vanuit de omgeving wordt als ongepast, storend en vervelend ervaren, maar een grote invloed op de voedingskeuze zelf, heeft het uiteindelijk niet. Zeker niet als moeders de weg vinden naar moedergroepen en internetcommunities en -fora waar ze medelangvoedsters treffen.

1.2 Antropologie

Elk zoogdier heeft een natuurlijke speenleeftijd; een biologische norm, zeg maar. Bij de mens wordt deze echter beïnvloed door culturele factoren. Gevolg daarvan is dat in de westerse wereld kortvoeden veeleer de norm geworden is.

Vergelijkend antropologisch onderzoek van primaten en observatie van hedendaagse natuurvolkeren wijst uit dat de natuurlijke speenleeftijd bij de mens vermoedelijk ergens tussen de twee-en-half en de zeven jaar ligt, met een stoppiek tussen de drie en de vier jaar oud.

Bij ‘baby-led weaning’, wanneer een kind zich op eigen tempo kan afwennen van de borst, vraagt het geleidelijk aan minder voedingen en stopt uiteindelijk vanzelf met borstvoeding vragen, zonder conflicten of emotionele trauma’s. In de hedendaagse westerse wereld gebeurt dat bij langgevoede kinderen gemiddeld ergens tussen de twee en de vier jaar oud.

1.3 Aanbevelingen

Unicef en de Wereld GezondheidsOrganisatie (WHO) raden aan om een kindje zes maanden lang exclusief borstvoeding te geven, om een zo optimaal mogelijke groei, ontwikkeling en gezondheid te bekomen. Na een half jaar kan dan vaste voeding geïntroduceerd worden, om tegemoet te komen aan de evoluerende voedingsbehoeften en toenemende eetlust van het kind. Die aanvullende voeding dient voedzaam en veilig te zijn en aangeboden te worden, terwijl de borstvoedingsrelatie blijft bestaan tot de tweede verjaardag of daar voorbij. Er bestaat geen gedocumenteerde leeftijd waarboven het geven van borstvoeding niet meer relevant, nutteloos of schadelijk zou zijn.

Om die vooropgestelde minimumaanbeveling van twee jaar voeden te halen, raden onderzoekers en lactatiekundigen aan om zo lang mogelijk borstvoeding te blijven geven op verzoek. Want hoe vaker een kindje drinkt, des te langer zal het waarschijnlijk duren eer het de borst niet meer nodig heeft.

2. Samenstelling van moedermelk na het jaar

Na een jaar ligt voornamelijk het vetgehalte en de calorische waarde van moedermelk percentueel hoger dan beneden het jaar. Daar waar het volume aan moedermelk langzaam daalt vanaf de introductie van vaste voeding, stijgt het caloriegehalte aanzienlijk.

Ongeveer een halve liter (448ml) moedermelk in het tweede levensjaar voorziet in 29% van de dagelijkse energiebehoefte, 43% van de dagelijkse eiwitbehoefte, 36% van de dagelijkse calciumbehoefte, 76% van de dagelijkse foliumzuurbehoefte, 94% van de dagelijkse vit B12-behoefte, 60% van de dagelijkse vit C-behoefte en 75% van de dagelijkse vit A-behoefte van het opgroeiende kind.

Moedermelk bevat ook een unieke en breedspectrumbescherming aan afweerstoffen die in geen enkele andere voedingsbron teruggevonden wordt. Vergeleken met kinderen die minstens een jaar lang borstvoeding krijgen, hebben kunstgevoede kinderen in het tweede levensjaar maar liefst 19% meer kans op otitis media en verhoogt de kans aanzienlijk dat de ziekte langer dan tien dagen aansleept.

Na de eerste verjaardag neemt de concentratie aan antistoffen in de moedermelk nog verder toe. Kinderen die geen borstvoeding meer krijgen op peuterleeftijd zijn gemiddeld vaker en ernstiger ziek dan kinderen die niet gespeend zijn op twee- en driejarige leeftijd.

Daarnaast werden nog een resem andere nadelen gevonden van niet of slechts kort borstvoeding krijgen:

  • De gemiddelde intelligentie van kinderen is lager als ze niet of minder dan zes maanden borstvoeding krijgen. Dat verschil in intelligentiequotiënt blijft lichtjes verder stijgen naarmate kinderen langer borstvoeding krijgen. Vermoed wordt dat de samenstelling van moedermelk, met name de vetzuren, hiervoor verantwoordelijk is.
  • De kans op obesitas op de leeftijd van zes jaar stijgt naarmate een kind minder dan een jaar borstvoeding kreeg. Hoe minder lang borstvoeding, hoe meer kans op obesitas. Mogelijk wordt dit ook beïnvloed door de manier waarop ouders omgaan met het eetgedrag van hun kind. Moeders die langer borstvoeding geven, laten hun kind ook meer zelf bepalen hoe en hoeveel vaste voeding het eet, waardoor de kans op overeten zich bij deze kinderen minder vaak voordoet.
  • De kans op een adequate ouder-kind-binding is kleiner bij kinderen die niet of slechts kort borstvoeding krijgen. Borstvoeding gaat voor een kindje immers verder dan enkel maar honger en dorst stillen. Het is ook tot rust komen, ontspanning, pijnstilling, angstreductie en een manier om aandacht te vragen.
  • Sommige onderzoeken geven aan dat de kans op mentale gezondheidsproblemen en gedragsstoornissen in de vroege adolescentie hoger ligt bij kinderen die minder dan zes maanden borstvoeding krijgen. Hoe korter de borstvoedingsperiode, hoe meer kans op problemen.

Borstvoeding blijft dus belangrijk, zowel op nutritioneel, op ontwikkelings- als ook op hechtingsvlak, tot ver voorbij de eerste verjaardag en ook wanneer het kindje al aanzienlijke hoeveelheden aan vaste voeding verorbert. Moeders geven vaak aan dat de band met hun kind en het plezier dat zowel moeder als kind beleven aan de borstvoedingsrelatie een belangrijke reden zijn om door te gaan met voeden na de eerste verjaardag en dat ondanks toenemende kritiek vanuit de omgeving.

3. Factoren die de lengte van de borstvoedingsduur kunnen beïnvloeden

3.1 Vaste voeding

Na een half jaar kan vaste voeding geïntroduceerd worden, om tegemoet te komen aan de evoluerende voedingsbehoeften en toenemende eetlust van het kind. Introductie van vaste voeding is echter een vorm van natuurlijk spenen. Vroeger dan zes maanden vaste voeding aanbieden houdt dus het risico in op vroegtijdig stoppen met borstvoeding en kan gezien worden als eersteklas voedsel vervangen door minderwaardig voedsel.

Niet alle kinderen eten vanaf het begin vlot vaste voeding. Rond zes maanden reikt ongeveer de helft van de kinderen naar het eten dat ouders voor hun neus zetten en eet vier op de tien kinderen daar ook daadwerkelijk wat van op. Rond acht maanden is dat aantal al gestegen tot 90%. Veel baby’s gedijen dus ook na de zes maanden goed op enkel en alleen moedermelk. Bloedarmoede is tot op de leeftijd van zeven maanden oud ongebruikelijk bij een kindje dat uitsluitend borstvoeding krijgt en geen vaste voeding eten tot de leeftijd van negen maanden hoeft geen problemen op te leveren, alhoewel medische opvolging wel verantwoord is.

Om de borstvoeding niet in het gedrang te brengen, wordt vaste voeding aangeboden op het tempo van het kind. De ouders of verzorgers bepalen wat een kind voorgeschoteld krijgt en het kind bepaalt zelf wat en hoeveel het daarvan eet. ‘Baby-led weaning’ of vaste voeding aanbieden in stukjes voorkomt daarbij dat kinderen zich gaan overeten en kan op die manier obesitas voorkomen. Stukjes eten is dan ook een uitstekende manier om de borstvoeding niet in het gedrang te brengen. Tot de eerste verjaardag komt vaste voeding immers enkel als extraatje bovenop de moedermelk en zeker niet ter vervanging ervan.

Na de eerste verjaardag vermindert de behoefte aan moedermelk dan geleidelijk aan en breidt een kindje zijn voedingsgamma uit met andere dingen. De balans van borstvoeding als voornamelijk voeding kantelt in de twee daaropvolgende jaren langzaamaan naar borstvoeding als vooral koester- en knuffelmoment op de leeftijd van drie jaar oud.

Echter, ook na de eerste verjaardag voldoet moedermelk nog perfect om de dorstbehoefte te lessen en om tekorten aan te vullen bij een niet uitgebalanceerde bijvoeding. Desondanks is het niet de bedoeling dat moedermelk de vaste voeding langdurig volledig gaat vervangen na een jaar. Daarvoor zijn de nutritionele behoeftes van het kind te groot geworden.

3.2 Werksituatie van de moeder

Borstvoeding met het werkschema combineren speelt een belangrijke rol in de beslissing om borstvoeding af te bouwen. Moeders die langer dan een jaar willen voeden, kunnen dat als een hele uitdaging ervaren van zodra ze hun betaalde job buitenshuis weer aanvangen. Een aantal onderzoeken geven aan dat voltijds werkende moeders met kinderen jonger dan een jaar oud minder geneigd zijn om borstvoeding vol te houden in vergelijking met halftijds werkenden of werkloze moeders. Als we kijken naar de moeders die langer dan drie jaar voeden, dan valt daarbij op dat langvoedsters behoren tot de midden- en hogere klassen, dat ze buitenshuis werken en dat ze hoogopgeleid zijn. Dat betekent dat de socio-economische klasse waartoe iemand behoort meer invloed uitoefent op de lengte van de borstvoedingsperiode dan het aantal uren dat een moeder effectief werkt per week. Daarbij komt nog dat een hoogopgeleide moeder vaak meer ruimte en mogelijkheden heeft om haar job flexibel in te vullen, waardoor de combinatie met langvoeden meer kans op slagen heeft. Mogelijk speelt ook het feit mee dat hoogopgeleiden meer geneigd zijn om zich diepgaander te informeren over de voedings- en opvoedingskeuzes die ze maken en daardoor gemotiveerder zijn om borstvoeding vol te houden.

Hoe langer vrouwen wachten met weer aan het werk te gaan buitenshuis, hoe minder negatieve effecten genoteerd worden voor de borstvoeding. Naast deze lange moederschapsrust, dragen ook on-site kinderopvang, flexibele werkuren, de aanwezigheid van een voed/kolfruimte op het werk en steun vanuit de werkomgeving bij tot het welslagen van de combinatie van werken met borstvoeding geven. Daarnaast houden werkende moeders die exclusief borstvoeding geven, zonder kunstvoeding-suppletie, borstvoeding langer vol dan werkende moeders die borstvoeding combineren met kunstvoeding.

En last but not least: werkende moeders die voor zichzelf de nadruk leggen op de praktische voordelen van borstvoeding geven en die plezier beleven aan het voeden, en daarom borstvoeding niet willen opgeven, geven ook langer borstvoeding.


“The biggest problem a mother faces is coping with people who do not understand why she bothers.”
Lawrence & Lawrence 2005 p. 332
 

© 2013


4. Verder onderzoek

Beschrijvend, niet-experimenteel onderzoek: retrospectief, correlationeel.


Bronnenmateriaal

Auerbach et al 2010 (4) “Maternal employment and breastfeeding” in Riordan & Wambach (eds) Breastfeeding and human lactation pp. 551-577

al-Bar, M.A. 1986 “Breast feeding and islamic teaching” in Islamic World Medical Journal 1406, pp. 55-57

Borresen, H. 1995 “Rethinking current recommendations to introduce solid food between four and six months to exclusively breastfeeding infants” in J Hum Lact 11 (3) pp. 201-204

Buckley, K.M. 2001 “Long-term breastfeeding. Nourishment or nurturance?” in J Hum Lact 17 pp. 304-312

Cameron K et al. 2011 “Is baby-led weaning feasible? When do babies first reach out for and eat finger foods?” in Matern Child Nutr 1 p. 27-33

Cousens, S. et al 1993 “Prolonged breast-feeding. No association with increased risk of clinical malnutrition in young children in Burkina Faso” in Bull World Health Organ 71 (6) pp. 713–722

de Reede, A. 2008 (7) “Begeleiding bij borstvoeding”

Dettwyler K. 1994 “A time to wean” in Breastfeeding Abstracts 14 pp. 3-4

Dettwyler K. 1995 “A time to wean. The hominid blueprint for the natural age of weaning in modern human populations” in Stuart-Macadam & Dettwyler (eds) Breastfeeding. Biocultural perspectives pp. 39-73

Dettwyler, K. 2004 “When to wean. Biological versus cultural perspectives” in Clin Obstet Gynecol 47 (3) pp. 712-23

Dewey, K.G. et al 1995 “”Differences in morbidity between breast-fed and formula-fed infants” in J Pediatr 126 (5.1) pp. 696-702

Dewey, K.G. 2001 “Nutrition, growth, and complementary feeding of the breastfed infant” in Pediatr Clin North Am 48 (1) pp. 87-104

Dodgson, J.E. & L. Duckett 1997 “Breastfeeding in the workplace. Building a support program for nursing mothers” in AAOHN Journal 45 pp. 290-298

Fein S.B. & B. Roe 1998 “The effect of work status on initiation and duration of breastfeeding” in Am J Pub Health 88 pp. 1042-1046

Fergusson D.M. & L.J. Woodward 1999 “Breast feeding and later psychosocial adjustment” in Paediatr Perinat Epidemiol 2 p.144-157

Fildes, V. 1986 “Breasts, bottles and babies. A history of infant feeding”

Fisher, J.O. et al 1999 “Breast-feeding through the first year predicts maternal control in feeding and subsequent toddler energy intakes” in J Am Diet Assoc 100 (6) pp. 641–646

Goldman A. et al 1983 “Immunologic components in human milk during the second year of lactation” in Acta Paediatr Scand 72 pp. 461-462

Hamosh, M. 2001 “Bioactive Factors in Human Milk” in Pediatric Clinics of North America 48 (1) pp. 69-86

Hervada, A.R. & D.R. Newman 1992 “Weaning. Historical perspective, practical recommendations, and current controversies” in Curr Probl Pediatr 22 (5) pp. 223-240

Isaacs E.B. et al 2010 “Impact of breast milk on intelligence quotient, brain size, and white matter development” in Pediatric Research 67 (4) pp. 357-362

Jackson, K.M. & A.M. Nazar 2006 “Breastfeeding, the immune response, and long-term health” in J Am Osteopath Assoc 106 (4) pp. 203-207

Kendall-Tackett, K.A. & M. Sugarman 1995 “The social consequences of long-term breastfeeding” in J Hum Lact 11 (3) pp. 179-183

Kramer et al 2008 “Breastfeeding and child cognitive development. New evidence from a large randomized trial” in Arch Gen Psychiatry 65 (5) pp. 578-584

Labbok, M. et al 2004 “Breastfeeding: maintaining an irreplaceable immunological resource” in Nat Rev Immunol 4 pp. 565 – 572

Lawrence, R. & R. Lawrence 2005 (7) “Breastfeeding. A guide for the medical profession”

Lindberg, L.D. 1996 “Women’s decisions about breastfeeding and maternal employment” in J Marr Fam 58 pp. 239-251

Lothrop, H. 1998 (22) “Borstvoeding. Ja, natuurlijk”

Mandel, D. et al 2005 “Fat and energy contents of expressed human breast milk in prolonged lactation” in Pediatrics 116 (3) pp. 432-435

Mohrbacher, N. & J. Stock 2005 “Handboek lactatiebegeleiding”

Oddy, W.H. et al 2010 “The long-term effects of breastfeeding on child and adolescent mental health. A pregnancy cohort study followed for 14 years” in J Pediatr 156 (4) pp. 568-74

Oddy, W.H. et al 2011 “Breastfeeding Duration and Academic Achievement at 10 Years” in Pediatrics 127 (1) pp. 137-145

Onyango, A. W. et al 1999 “Continued breastfeeding and child growth in the second year of life: a prospective cohort study in western Kenya” in The Lancet 354 (9195) pp. 2041-2045

Onyango A. W. et al 2002 “The contribution of breast milk to toddler diets in western Kenya” in Bull World Health Organ 80 (4) pp. 292–299

Ortiz, J. et al 2004 “Duration of breast milk expression among working mothers enrolled in an employer-sponsored lactation program” in Pediatr Nurs 30 pp. 111-119

Piper, S. & P.L. Parks 2005 “Predicting the duration of lactation. Evidence from a national survey” in Birth 23 pp. 7-12

Pisacane A. et al 1995 “Iron status in breast-fed infants” in J Pediatr 127 (3) pp. 429-431

Rapley, G. 2006 “Baby-led weaning, a developmental approach to the introduction of complementary foods” in Hall & Dykes (eds) Maternal and infant nutrition and nurture. Controversies and challenges pp 275-298

Riordan, J. & K. Wambach (eds) 2010 (4) “Breastfeeding and human lactation”

Roe, B. et al 1999 “Is there competition between breast-feeding and maternal employment?” in Demography 36 pp. 157-171

Rogan, W.J. & B.C. Gladen 1993 “Breast-feeding and cognitive development” in Early Hum Dev 3 pp. 181-193

Segawa M. 2008 “Buddhism and breastfeeding” in Breastfeed Med 2 pp. 124-128

Short R.V. 1984 “Breast feeding” in Sci Am 250 pp. 35-41

Stuart-Macadam, P. & K.A. Dettwyler 1995 “Breastfeeding: Biocultural Perspectives”

Sugarman, J. & K.A. Kendall-Tackett 1995 “Weaning ages in a sample of American women who practice extended breastfeeding” in Clin Pediatr 34 pp. 642-647

Van den Boogaard C. et al 1991 “The relationship between breast-feeding and early childhood morbidity in a general population” in Family Medicine 23 pp. 510-515

Von Kries, et al 1999 “Breast feeding and obesity: cross sectional study” in BMJ 319 (7203) pp. 147–150

Weijers-Teerling 2008 (4) “Borstvoeding. Handleiding voor de zorgverlener”

WHO 2001 “The optimal duration of exclusive breastfeeding. A systematic review”

WHO & Unicef 2003 “Global strategy for infant and young child feeding”

Witters-Green, R. 2003 “Increasing breastfeeding rates in working mothers” in Fam Sys Health 21 pp. 415-434

Ash, B. 2013 “Evolution of breastfeeding as a public health issue” geraadpleegd op 09/04/2013 van http://www.health-e-learning.com/courses/breasted/10-be10

Dettwyler, K. 1999 “A natural age of weaning” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://www.kathydettwyler.org/detwean.html

Fisher, D. et al 2013 “Breastfeeding after the first week” geraadpleegd op 09/04/2013 van http://www.health-e-learning.com/courses/breasted/7-be07

Greiner, T. sd “Sustained breastfeeding, complementation, and care” geraadpleegd op 05/04/2013 van http://archive.unu.edu/unupress/food/8F164e/8F164E06.htm

Kellymom 2011 “Breastfeeding past infancy. References” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://kellymom.com/ages/after12mo/ebf-refs/

Smith, L.J. 2009 “Is there any point in breastfeeding longer than a year?” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://www.bflrc.com/ljs/Breastfeedingbeyondayear.htm

Townsend, E. & N. J. Pitchford 2012 “Baby knows best? The impact of weaning style on food preferences and body mass index in early childhood in a case–controlled sample” geraadpleegd op 05/05/2013 van http://bmjopen.bmj.com/content/2/1/e000298.full

WHO 2013 “Global Strategy for Infant and Young Child Feeding” geraadpleegd op 04/04/2013 van http://www.who.int/nutrition/topics/global_strategy/en/index.html

© 2013

Vroedvrouw

vrijdag, februari 22nd, 2013

“Mammaah, waar gaan we ei’lijk naartoe?” hoor ik mijn peuterdochtertje vragen in het fietsstoeltje voor me.
“We gaan naar een vroedvrouw” antwoord ik. “Dat is een mevrouw die met mama’s en kleine babytjes werkt.”

Ze draait zich half naar me om en kijkt me bedenkelijk aan. “Wat gaan we daar dan doen? … Jij werkt ook met babytjes…”

Juist, het verschil tussen een lactatiekundige en een vroedvrouw…
“We gaan een pakje brengen, met kaartjes. Die mevrouw heeft daar naar gevraagd.” leg ik uit terwijl ik haar straat in fiets: “Ik werk met mama’s en kleine kindjes die mamamelk krijgen. Met babytjes, en peutertjes… of kleuters. En die mevrouw, die werkt met mama’s die een babytje in de buik hebben. Of mama’s die een babytje hebben dat pas geboren is.”

“Krijgen die babytjes mamamelk?” vraagt ze nieuwsgierig.
“Nee, niet allemaal. De meeste wel. Die mevrouw werkt ook met mama’s waarvan het kindje geen mamamelk krijgt.”
“Alle kindjes krijgen mamamelk!!” roept ze verontwaardigd.
Ik zwijg.

“Mammaah… Als ik later een mama ben en een baby in de buik heb…”
Ik bedenk dat de stem die ik enkele dagen geleden aan de telefoon hoorde, nog erg jong klonk. Een snelle berekening zegt me dat mijn dorpsgenote nog wel aan de slag zal zijn als zelfstandige vroedvrouw tegen dat mijn peuterdochtertje volwassen is. Dus ik vul aan: “Dan kan het zijn dat die mevrouw voor jou komt zorgen.”

“En… als die baby dan uit de buik is…”
“Dan ga jij een prachtige borstvoedingsmama worden!” denk ik bij mezelf.
“Dan geef ik die mama tinkeh!” zegt ze overtuigd. “Totdat mijn baby een peuter is!”
Ik glimlach… Had geen ander antwoord verwacht.

“Maar… als ik dan geen…” Ze maakt haar zin niet af. Twee bezorgde donkere oogjes kijken schuin naar me op. Borstvoeding is belangrijk voor haar… “Dan zal die mevrouw je wel helpen.” sus ik “Of ik.”

“Oké… En dan mag die baby, die peuter, bij mij slapen… In mijn bed! … En in de draagdoek!”

© 2013

Omgaan met een baby die veel huilt

vrijdag, februari 8th, 2013

Help me!

Troosten

  • Borstvoeding
  • In jouw nabijheid
  • Voorspelbaarheid en prikkelreductie
  • Slow motion
  • Entertainment
  • Aanvaarding
  • Als troosten niet werkt…

Positieve effecten van aanraking

Verwennen

Baby die veel huilt

Als het niet meer gaat…

  • Moedergevoel
  • Adempauze
  • Agressie
  • Veranderingen
  • Afschermen

Omgeving en support

Inspiratiebronnen en bronvermelding


Help me!

Als een mens huilt, is ie van streek. Het is een manier om te vertellen dat er wat scheelt.

Bij een babytje kan dat vanalles zijn… Honger of dorst, een vuile luier, koude of net te warm, eenzaamheid, verveling of net te veel prikkels, ergens van geschrokken zijn, het buikje dat van streek is, pijn of een ander ongemak. Als een kindje huilt, wil het eigenlijk maar één ding zeggen: “Help me!”

Troosten

Borstvoeding

Geef je borstvoeding, dan is je kindje allicht snel getroost met een slokje mamamelk. Bij honger kan je je volste borst aanbieden. Heb je de indruk dat je kindje niet echt honger of dorst heeft. Maar heeft ie wel zuigbehoefte? Geef dan je leegste borst. De borst dus waaraan je kindje het laatst gedronken heeft. Zo kan je babytje troost zoeken bij jou, maar krijgt ie geen hele sloten melk meer te slikken.

Kijk zeker na hoe je kindje aan de borst ligt. Let op de drie basisprincipes bij borstvoeding:

  • buikje dicht tegen jouw lijf aan,
  • tepel ter hoogte van de neus voor het aanhappen en
  • een grote asymmetrische hap.

Lijkt het alsof je babytje jou afwijst tijdens de borstvoeding? Zet ie zich schrap en duwt hij zich van je weg? Raadpleeg dan een lactatiekundige. Zij kan je helpen om de oorzaak van dit gedrag te achterhalen. En de borstvoeding weer lekker te laten lopen.


Mijn baby huilde heel veel, maar was wel snel getroost als we haar oppakten. Wij hadden dus geen huilbaby, maar een pakkebaby.”

In jouw nabijheid

De meeste babytjes worden rustig als je hen oppakt. Rechtop, leunend tegen jouw schouder of borst aan, vinden veel kindjes een fijne houding. Rustig heen en weer wandelen, zachtjes zingen of over het rugje wrijven kan daarbij extra geruststellend zijn.

Houd je kindje zo veel mogelijk dicht bij jou. Heb je graag je handen vrij, dan kan een draagdoek praktisch zijn. Jouw nabijheid, je geruststellende hartslag en ademhaling, je geur en zachte bewegingen maken je kindje rustig. En ook op reflux en krampjes heeft het een positief effect. Is je liefje moe? Dan kan het heerlijk gerust bij jou in slaap soezen. Zonder dat jij heen en weer hoeft te lopen naar zijn box of wiegje. Daarnaast is een draagdoek ook gewoon een handig ding om geen enkel hongersignaal over het hoofd te zien.

Ook ’s nachts kan je je kindje bij je laten slapen. In een cosleeper bijvoorbeeld. Je kindje is dan binnen handbereik. En kan getroost worden vooraleer de sirene op stand 10 gaat. Wat ook rust kan brengen voor de overige gezinsleden. Bovendien hoef je voor dat troosten niet eens je bed uit. Wat de nachten ook voor jou minder zwaar maakt. Geef je borstvoeding, dan is zelfs je voeding kant-en-klaar. Lekker makkelijk! Ben je ongerust over je liefje? Dan doe je gewoon een oog half open. En je bent binnen de seconde gerustgesteld dat alles nog goed gaat met je schattebol.

Tot slot kan massage kan voor sommige huilertjes een wondermiddel zijn. Het huidcontact, de aandacht en het rustgevende van de massagebewegingen kunnen van je kleintje een heel andere baby maken. Babymassage is een cursus die in veel gemeentes gegeven wordt. Ga eens na waar je bij jou in de buurt zo’n cursus kan volgen. Zowel je babytje als jijzelf zullen er deugd aan beleven!

Voorspelbaarheid en prikkelreductie

Sommige kindjes zijn gebaat bij regelmaat en voorspelbaarheid. Dat betekent niet dat je borstvoeding moet gaan geven op schema. Integendeel zelfs! Borstvoeding geef je zo veel mogelijk op verzoek! Maar al de rest daar omheen kan je wel voorspelbaarder maken. Enkele tips:

Zo veel mogelijk voeden op dezelfde plaats of op dezelfde manier bijvoorbeeld. Sommige moeders hebben (onbewust) een heel ‘voedingsritueel’. Met steeds terugkerende handelingen, woorden of spulletjes.

Ze hebben een vaste voedplek in huis, die enkel daarvoor gebruikt wordt. Ze neurieën telkens een bepaald melodietje. Of zijn gewend om eerst een aantal dingen klaar te leggen, zoals zoogcompressen, een tijdschrift of een drankje, vooraleer te starten met voeden. Babytjes zijn al geruster als dat ritueeltje start. Ze weten dan wat er komt.

Je kan dingen in dezelfde volgorde gaan doen. Elke voeding starten met een luierwisseling bijvoorbeeld. Of na elke borstvoeding rondwandelen met je kleintje. En een slaapliedje zingen.

Ook vaste tijdstippen voor steeds terugkerende dingen kunnen rust brengen. Denk bijvoorbeeld aan een wandeling enkel op de middag. Het badje telkens ’s avonds. Of supermarktbezoeken altijd in de ochtend. Die terugkerende “rituelen” zijn voorspelbaar. En kunnen je kleintje rustiger maken.

Prikkelreductie is ook zo’n toverwoord. Het betekent dat je je kindje niet te veel prikkels tegelijkertijd laat verwerken. Bijvoorbeeld slechts één uitstapje per dag plannen. Elke activiteit buitenshuis geldt dan als uitstapje. Dus ook die koffie bij de buren of het wekelijkse supermarktbezoek.

Tijdens ‘verplicht’ drukke momenten, zoals een familiebezoek of de babyborrel, kan je je kindje in de draagdoek houden. Zo blijft ie wat afgeschermd van alle commotie. Een draagdoek dempt immers de binnenkomende prikkels. Bovendien is het voor je kindje geruststellend om in alle drukte dicht bij jou te zijn. En misschien vind jij het ook wel prettig om je liefje op zulke momenten dicht bij jou te hebben.

Slow motion

Even in slow motion leven kan ook rust brengen. Zowel voor jou als voor je kindje. Laat dat stof op de kasten even voor wat het is. Dweilen hoeft niet elke dag. En eenvoudige eenpansgerechten zijn even lekker als een driesterrenmenu. Heb je geen zin in kraamvisite? Bel die dan af! Ben je te moe om te strijken? Strijk dan niet. Die ene plooi in je shirt ziet toch geen mens…

Ga regelmatig gewoon op de bank hangen. Met je babytje dichtbij. Vraag je partner er even bij en kruip dicht tegen hem aan. Probeer samen te genieten van dat kleine wondertje dat jullie op de wereld zetten. En laat de boel verder de boel. Leg de telefoon van de haak en sluit de rolluiken of gordijnen. Gewoon even “us-time” en lekker coccoonen.

Slow motion kan je ook toepassen bij je babytje. Als je kindje erg huilt, kan je kijken hoe hij reageert als je steeds hetzelfde rustgevende liedje zingt of neuriet. En als je al je bewegingen gaat vertragen.

Van snelle of hoekige handelingen wordt je liefje misschien onrustig. Probeer daarom eens een draagdoek uit. Jouw dagdagelijkse bewegingen bieden precies het juiste ritme en de kadans die je liefje gewend is van in de buik. Veel babytjes worden rustig van dat zachte en afgeronde gehots.

Heb je het gevoel dat je kleintje juist onrustig wordt in een doek? Raadpleeg dan een draagconsulente. Zij kan je tips op maat geven om het dragen aangenamer te maken.

Entertainment

Sommige kindjes huilen dan weer net uit verveling. Wat “entertainment” in hun leven kan dan helpen. Kleine baby’s kijken graag naar bewegende dingen. Duur speelgoed is daarbij zelfs niet nodig… Wapperende was aan de waslijn kan heel interessant zijn voor zo’n uk. Dat geldt ook voor een vogelvoederplaatsje aan het keukenraam. Voorbijgaand verkeer aan het raam van de straatzijde. Een aquarium met kleurrijke vissen. Of iemand die aan het stofzuigen is, de vaatwasser uitlaadt of een ander huishoudelijk klusje klaart. Daar waar sommige kindjes horendul worden van veel drukte of lawaai, vinden anderen dat net uiterst interessant.

En zelfs kleine baby’s zijn perfect in staat om te vertellen als het hen te veel wordt. Ze doen dat door simpelweg weg te kijken of te gaan fronsen. Dan is het tijd voor wat anders. Iets rustigers, een borstje of een dutje bijvoorbeeld.

Heb je een nieuwsgierig aagje in huis? Doe dan uitstapjes waar jij je prettig bij voelt. Pak je kleintje dan zeker mee. Gaan winkelen, een boswandeling maken of koffie drinken met vriendinnen. Zit je liefje in een draagdoek? Dan kan ie zijn oogjes sluiten en een dutje doen wanneer ie maar wil. En ook de borst is vlakbij. Lekker makkelijk!

Veilig en geborgen, dicht bij mama, zijn de meeste babytjes en peuters best bereid om mee mama’s wereld te verkennen!

Aanvaarding

Het klinkt misschien een beetje gek, maar probeer het huilgedrag van je kindje ook te aanvaarden. Veel huilen is immers een fase die ooit overgaat! Soms helpt het als je je neerlegt bij de situatie. En niet krampachtig probeert om je kindjes gedrag te veranderen. Jonge kinderen ‘moeten’ zoveel: dag en nacht-ritme aanleren, zelf inslapen, eten op vaste tijden, niet knoeien aan tafel, leren kruipen en lopen, praten, potjestraining, zich gedragen tijdens uitstapjes, …

Soms is een babytje gewoon nog niet toe aan iets nieuws. Ook al zegt de maatschappij dat je liefje iets ‘moet’, blijf vooral naar je kind zelf kijken! En probeer zijn tempo te volgen in plaats van hem iets op te leggen. De baby- en peutertijd is geen wedstrijd. En onze kinderen zijn niet allemaal wonderkids. Maar uniek zijn ze wel. Allemaal!

Als troosten niet werkt…

Helpen bovenstaande tips niet? Raadpleeg dan een lactatiekundige en/of een kinderarts. Om samen naar oorzaken van het huilgedrag te zoeken. En lichamelijke oorzaken uit te sluiten. Met hulp zoeken is niets mis!

De positieve effecten van aanraking

Aanraking maakt een kindje rustig. Vergelijk het met een troostende arm om je schouder als jij verdrietig bent. Je voelt je veilig en geborgen. Er is iemand bij je, die je steunt en motiveert.


Mijn dochter vertelde bij de aanvang/introductie van haar opleiding tot pedagoog: “Hallo, ik ben D. Als mijn moeder mij niet zoveel had gedragen was ik een huilbaby geweest.”
 

De mens is en blijft een sociaal wezen. Van eenzaamheid worden we ongelukkig. Dat is met kleine kindjes niet anders…

Alle basisbehoeftes zijn voldaan als een baby of peuter in mama’s armen ligt:

Voeding is vlakbij. Ligt een babytje bij mama, dan kan ie zelf zonder veel moeite tot bij mama’s borst geraken. Is er veel bloot vel tussen beide, dan gaat dat zelfs nog sneller. Maar ook als je een shirt draagt, weten kindjes vaak je tepel te vinden. En happen door je kleding op de juiste plek aan. Een duidelijker hongersignaal is er niet! ;-)

De warmte van jouw lichaam zorgt ervoor dat je kindje op temperatuur blijft. Jouw borsten passen zich zelfs aan aan de lichaamstemperatuur van je liefje! Heeft ie het te warm, dan koelen ze hem af. Heeft je kindje het te koud, dan warmen je borsten hem op bij rechtstreeks huid-op-huidcontact.

Aanraking vermindert ook stress. Zowel bij jou als bij je kindje. Jullie maken beiden een hormoon aan dat een ontspannen gevoel geeft. Aanraking maakt een mens gelukkiger. Dat geldt voor volwassenen, maar zeker ook voor kinderen!

Jouw geur, je ademhaling, hartslag en het geborgen gevoel van armen om zich heen stellen je kindje gerust. In iemands armen liggen betekent troost en veiligheid voor je liefje!

Aanraking stimuleert ook de hersenontwikkeling bij jonge kinderen. Je liefje heeft knuffels en liefkozingen nodig om goed te kunnen groeien! Babytjes worden immers geboren met onvolgroeide hersenen. Door de dichte nabijheid bij een ouderfiguur krijgen zijn hersenen optimaal de kans om zich verder te ontplooien. Kinderen weinig dragen en liefkozen, belemmert dus hun emotionele en zelfs cognitieve ontwikkeling.

Kinderen die zich geborgen voelen, hebben meer zelfvertrouwen. Ze weten dat er altijd een ‘veilige haven’ binnen handbereik is. Vanuit die wetenschap durven ze de wereld te gaan ontdekken. Loopt het mis, dan is er altijd troost en bescherming te vinden in mama’s of papa’s armen. Dat geeft hen een veilige basis, waardoor ze geruster op verkenning gaan.

Verwennen

Je kunt jonge kindjes niet verwennen door hen veel te knuffelen! Mensen zijn zoogdieren, die leven van aanraking en nabijheid. Gebrek aan aanraking en liefkozing maakt een mens ongelukkig…

Het is voor je kleintje daarom heel onnatuurlijk om ergens alleen te liggen, zonder mensen om zich heen. Laat je je kindje in zijn eigen bedje en kamertje slapen, dan is de kans groot dat ie gaat huilen. Dat komt omdat er dan een lichamelijk alarmmechanisme in gang wordt gezet. Alleen liggen betekent immers gevaar! Zo’n klein patatje beseft immers niet dat wij nu in veilige huizen wonen. En dat mama en papa vanop afstand hun liefje via de babyfoon in de gaten houden. Heeft een babytje het gevoel dat er niemand in de buurt is, dan roept ie om hulp. Letterlijk. Omdat ie instinctief het gevoel heeft dat er wel eens roofdieren op de loer kunnen liggen… Pas als er iemand komt die hem oppakt en troost, voelt ie zich weer veilig. Want dan weet ie dat die persoon hem zal verdedigen tegen welk gevaar dan ook. Als babytjes huilen, vragen ze dus vooral om troost, bescherming en veiligheid. In iemands armen. En liefst in die van hun mama. Want dan is er ook nog eens lekkere melk binnen ‘handbereik’! :-)

Aanraking, lichaamscontact en gelaatsuitdrukkingen zijn voor babytjes een natuurlijk communicatiemiddel. Door om te gaan met anderen leren ze om zich adequaat te uiten. En om uitingen van anderen te interpreteren. Babytjes kijken, voelen, luisteren en bootsen na. Zo ontwikkelt taal zich! Niet alleen de verbale, maar ook de non-verbale taal. Laat je je kindje vaak alleen, dan kan het zijn dat je daarmee zelfs onbewust zijn communicatieve ontwikkeling vertraagt.

Baby die veel huilt

Een baby die veel huilt wordt vaak een huilbaby genoemd. Van overmatig huilen wordt gesproken als je baby

  • drie uur of meer per dag huilt,
  • al minstens drie dagen na elkaar en
  • dat al drie weken lang.

En je kindje is daarbij schijnbaar niet te troosten.

Huilt je borstgevoede kindje erg veel? Zoek dan hulp bij een kinderarts én een lactatiekundige!

Als het niet meer gaat…

Iedereen lijkt te weten wat er met je kindje aan de hand is. Behalve jijzelf. Je wordt overspoeld door (vaak ongevraagde) tips en ervaringen. Veel van die goedbedoelde adviezen heb je al lang uitgeprobeerd… En niets lijkt echt voor langere tijd te werken. Het enige dat je eigenlijk wil is… rust! En een beetje begrip, zonder oordeel of advies.

Moedergevoel

Je krijgt veel tegenstrijdige adviezen. Je ‘moet’ als moeder schijnbaar vanalles… Wel, eigenlijk moet je maar één ding… En dat is naar je kindje kijken en naar jezelf luisteren! Als de hele wereld je vertelt dat je je kindje in zijn wiegje moet laten liggen en jij het gevoel hebt dat je het bij je wil houden, pak je kindje dan bij je. Als iedereen je zegt dat huilen geen kwaad kan, maar jij het gevoel hebt dat je kindje getroost wil worden, troost het dan. Als je voor de honderdste keer de vraag krijgt of het nu alweer etenstijd is, maar jij de indruk hebt dat je kindje een slokje mamamelk wil, leg hem dan gewoon aan. Als je van overal hoort dat kinderen in hun eigen kamertje moeten leren slapen, maar jij enkel gerust bent als je kindje naast jou slaapt, laat die wieg of cosleeper dan maar gewoon naast jouw bed staan.

Er zijn duizenden boeken geschreven over de voeding en opvoeding van kinderen… Onnoemelijk veel specialisten hebben zich in de materie verdiept. Maar weet dat de echte expert van jouw gezin… jijzelf bent! Regels en adviezen over voeding en opvoeding zijn richtlijnen, geen dwangbuizen…

Adempauze

Het is normaal dat je af en toe even tijd wil voor jezelf. Zonder je kindje erbij. Elke moeder snakt wel eens naar een adempauze. Al is het maar een uurtje…

Laat iemand anders even op je liefje passen. En doe iets wat jij zelf leuk vindt. Iets waar je echt van geniet! Ga eens uitgebreid in bad, lees een boek, schilder, speel muziek, maak een puzzel, ga winkelen, sporten, lekker eten, whatever. Iets waar jij weer even centraal staat en niet je kindje.

Agressie

Heb je het gevoel dat je je kindje soms wat aan kan doen? Negeer dat alarmsignaal dan niet. Het kan helpen om over je woede en frustratie te praten met een vertrouwenspersoon. Erover vertellen kan ervoor zorgen dat je je negatieve gevoelens beter kan plaatsen. En een uitweg ziet uit die vicieuze cirkel van stress en spanningen.

Je woede uitwerken op je kindje is natuurlijk not done. Maar je kan je liefje wel even in de armen van iemand anders duwen. En je frustratie afreageren op een andere manier: spitten in de moestuin, de struiken snoeien, brood kneden, dweilen, stofzuigen, gaan hardlopen, enzovoort.

Weet dat zelfs de meest liefhebbende ouder zijn kind wel eens achter het behang wil plakken… Gevoelens van woede, onmacht, frustratie of onzekerheid zijn normaal. Het is enkel kwestie van ermee leren omgaan.

Veranderingen

Moeder worden brengt een grote verandering met zich mee. Misschien zijn er, samen met de komst van de baby, nog andere zaken veranderd? Jullie zijn misschien net verhuisd of nog volop bezig met de bouw van jullie droomhuis. Je bent tijdelijk gestopt met werken buitenshuis of op zoek naar een andere baan. Je tevoren zo makkelijke oudste zit net nu in de peuterpuberteit… Enzovoort.

De komst van een babytje is zelden de enige verandering in het leven van jonge ouders. Je hebt zoveel aan je hoofd dat er bijna geen tijd meer overblijft voor andere zaken dan de baby. Laat staan voor jezelf… Dat alles maakt dat er momenten kunnen zijn dat je je gespannen, gefrustreerd of onzeker gaat voelen. Misschien heb je wel het gevoel dat je je greep op de dingen een beetje kwijt bent?

Het prille ouderschap is enorm vermoeiend. Zeker als je kindje veel huilt!


Als ouders van een baby die veel huilde hebben wij hier aan den lijve kunnen ondervinden dat een kind dat veel huilt enorm belastend is voor zowel het kind zelf, als de ouders en de rest van het gezin… De impact van maandenlang durend extreem huilgedrag op het welbevinden van alle gezinsleden, en dus niet alleen op de baby in kwestie, is moeilijk uit te leggen aan mensen die er geen ervaring mee hebben. Oververmoeidheid en het gevoel van machteloosheid breken na een tijdje echt op. Je voelt je verdrietig en hulpeloos. Er is iets mis met je kind. En je weet niet wat het is. Of hoe je het kan helpen. En na een tijdje merk je dat alle gezinsleden stilletjes mee lijden onder de hele situatie. Geef je borstvoeding, dan is het onbegrip in de omgeving heel groot, want “Met flesvoeding en vroegtijdig bijvoeden is het zo opgelost.” Iets wat uiteraard NIET zo is, dat wisten wij ook wel… Maar met dergelijke uitspraken wordt er impliciet wel gezegd dat je eigenlijk niet goed bezig bent als ouder, dat je zelf oorzaak bent van het probleem.  
 

Afschermen

Voortdurend dat schelle gekrijs in je oren, kan je horendul maken. Zelfs als de baby niet huilt, blijft dat schreeuwen misschien in je hoofd klinken… Als een nagalm die maar niet weg lijkt te gaan. Op de ergste huilmomenten kan het helpen om jezelf even “af te sluiten” van het gehuil.

Als je met je kindje bezig bent, kan je bijvoorbeeld met een hoofdtelefoon met muziek op je hoofd het huilen van je kindje een beetje dempen. Wellicht word je daar zelf ook rustiger van. En misschien neemt je babytje die ontspanning dan op de duur over.

Ademhalings-, ontspannings- of meditatie-oefeningen kunnen je ook rustiger maken.


Mijn jongste was soms met niets, maar dan ook met niets, te troosten… Erg frustrerend! Het enige wat dan hielp was papa met de oudste kinderen beneden achterlaten en ik die met de baby boven op de kamer in de hangmat ging liggen. Alleen en in het donker, met een gillende stijve plank op mijn blote borst… Dan probeerde ik om, via meditatie, mijn oren af te sluiten van het gekrijs en zoveel mogelijk zelf te ontspannen. Soms duurde het wel een half uur vooraleer die stijve plank op mijn blote borst ook wat ontspande en nog nasnikkend en snuffelend op zoek ging naar de borst. Als die kleine pruts dan uiteindelijk een tepel te pakken had en vol overgave begon te drinken, was de ontlading bij mij vaak groot. Hoe meer melk mijn baby bij elke nieuwe slok binnenkreeg, hoe rijkelijker de opluchtende tranenvloed bij mij stroomde. 
 

Omgeving en support

Heb je een gezin in je naaste omgeving met een baby die veel huilt? Dan is het belangrijkste vooral om begrip te hebben voor de situatie. Ouders van een overmatig huilende baby hebben vaak geen behoefte aan ongevraagde tips of adviezen. Waarschijnlijk hebben ze al vanalles geprobeerd. En is er schijnbaar niets dat lijkt te werken…

Bied een luisterend oor aan, zonder te gaan oordelen. Heeft je vriendin of kennisje nood aan tips of adviezen, wacht dan tot ze daar zelf om vraagt.

Misschien heb je het gevoel dat jij echt dé gouden tip kent om hun situatie te verbeteren? Dat kan! Vertel dan één keertje wat je weet. En laat het verder los. Ouders kiezen zelf of ze met het aangebodene wat doen of niet. En anderen hebben niet noodzakelijk dezelfde opvoedingsvisie als jij…

Wat allicht meer dan welkom is, is wat praktische hulp. Dingen die wat rust brengen in de tent. Of werk uit handen nemen van de vermoeide ouders:

  • eens koken voor het gezin,
  • de oudere broertjes of zusjes mee nemen op een uitstapje,
  • even babysitten,
  • wat huishoudelijke klusjes klaren of
  • vragen met welke praktisch dingetjes je kan helpen.

Probeer de mama ook uit haar isolement te halen. Wat menselijk contact kan wonderen doen. Zoek bijvoorbeeld samen met haar een moedergroep in de buurt. Of nodig haar uit voor een wandeling of uitje. De buitenlucht kan goed doen. Zowel voor de baby als voor de mama. En gesprekken komen sneller los tijdens een ontspannen uitstapje. Bovendien slapen babytjes makkelijker in de buitenlucht. En als de kleine uk geen zin heeft in slapen, dan kan jij hem misschien even kort overnemen van de mama.


Het enige dat écht geholpen heeft, is de buurvrouw die onbevooroordeeld vaststelde: “Ze huilt veel, hè?” En me aansprak: “Meisje, als het niet meer gaat, weet dat je haar altijd mag brengen, op elk moment van de dag of de nacht.” Weten dat er een back-up voorhanden is, moest het nodig zijn, zonder oordeel, tips of adviezen… Die geruststelling heeft ons er doorheen gesleept en ons de kracht gegeven om door te gaan.  
 

Inspiratie en bronnenmateriaal

Inspiratiebronnen

  • De moeder-en-kind-koppels waar ik dagelijks mee in contact kom
  • Nils Bergman
  • Sheila Kitzinger

Met dank aan Marianne Vanderveen-Kolkena (IBCLC) en Gonneke Van Veldhuizen-Staas voor het nalezen van dit artikel!

Gebruikte bronnen

St James-Roberts, I. et al 2006 “Infant crying and sleeping in London, Copenhagen and when parents adopt a ‘proximal’ form of care” in Pediatrics 117 (6) pp. 1146-1155

Zeifman D.M. 2001 “An ethological analysis of human infant crying: answering Tinbergen’s four questions” in Dev Psychobiol 39 pp. 265-285

http://borstvoeding.aardig.be/bronvermelding/handboeken/
http://borstvoeding.aardig.be/bronvermelding/websites/

Post scriptum
Omwille van privacy-redenen staan er geen namen bij de getuigenissen. De identiteit van de schrijfsters is echter wel bekend bij de redactie.

© 2013

Kort ziekenhuisverblijf en anesthesieadviezen bij het borstgevoede kind

dinsdag, april 3rd, 2012

Ik krijg af en toe de vraag hoe het nu eigenlijk zit met anesthesie en vastenperiode bij een baby of peuter die borstvoeding krijgt. Hieronder een overzicht van de algemene richtlijnen indien een kindje borstvoeding krijgt en kortstondig opgenomen wordt op de pediatrie-afdeling van een ziekenhuis.

Verblijf in het ziekenhuis
BabyFriendly Hospital Initiative
Handvest van de rechten van de gehospitaliseerde kinderen
Preoperatieve vastenperiode
Borstvoeding na de operatie
Melkproductie van de moeder
Bronnenmateriaal


Verblijf in het ziekenhuis

In het ziekenhuis dient men een omgeving te creëren die zoveel mogelijk aansluit op de huiselijke situatie. Je kindje wordt als een normaal kind behandeld en jullie als ouders mogen, indien medisch verantwoord, de gewone comfortzorg van thuis verder zetten. Dit zorgt ervoor dat jij en je kindje beter op elkaar reageren en minder angstig zijn. (Melnyk et al 2004)

Voor je kindje zouden tijdens de ziekenhuisopname de voedingen en het voedingspatroon zoveel mogelijk moeten aansluiten bij het patroon van de normale thuissituatie. (Riordan & Wambach 2010/4)

Als je kindje opgenomen wordt in een babyvriendelijke pediatrie-eenheid van het ziekenhuis, zal men normaalgezien met bovenstaande rekening houden. Het Babyfriendly Hospital Initiative van de World Health Organisation en Unicef is een kwaliteitslabel dat toegekend wordt aan ziekenhuizen die inspanningen leveren om de afdeling baby- en borstvoedingsvriendelijk te maken. Karakteristieken van een babyvriendelijke kinderafdeling zijn: (Riordan & Wambach 2010/4)

  1. Het ziekenhuis heeft een borstvoedingsbeleid op papier staan.
  2. Het ziekenhuis traint zijn personeel op borstvoedingsbegeleiding en – interventie. Alle medewerkers dienen hiervoor scholingen te volgen.
  3. Het ziekenhuis verschaft ouders geschreven en mondelinge informatie over de goede eigenschappen van borstvoeding.
  4. Het ziekenhuis geeft de mogelijkheid op ongelimiteerd voeden en stimuleert dus voeden op verzoek.
  5. Het ziekenhuis zorgt voor voorzieningen zodat een moeder kan kolven als de baby niet rechtstreeks aan de borst drinkt: borstkolf, kolfruimte, opslagplaats voor melk, lactatiekundige begeleiding indien gewenst.
  6. Het ziekenhuis geeft borstgevoede kinderen enkel leeftijdsgerelateerde of medisch noodzakelijke bijvoeding.
  7. Het ziekenhuis past alternatieve voedingsmethodes toe die het borstvoedingsbeleid niet in de weg staan, dus geen speentjes of flesjes.
  8. Het ziekenhuis geeft de mogelijkheid op 24u/24u rooming in voor moeder en kind. Moeder en kind worden niet gescheiden, ook niet voor onderzoeken of verpleegkundige of medische handelingen.
  9. Het ziekenhuis zorgt voor maaltijden en tussendoortjes voor de borstvoedende moeder.
  10. Het ziekenhuis zorgt voor een medicatie- en behandelingsschema dat de borstvoeding zo weinig mogelijk in de weg staat.
  11. Het ziekenhuis verschaft informatie over de mogelijkheden van borstvoedingsondersteuning en –begeleiding binnen en buiten het ziekenhuis, zowel tijdens de opname als na ontslag.
  12. Het ziekenhuis controleert dat het geschreven borstvoedingsbeleid effectief en efficiënt in de praktijk uitgevoerd wordt door alle ziekenhuismedewerkers en op alle afdelingen.

Ook het Handvest van de rechten van de gehospitaliseerde kinderen van de European Association for Children in Hospital en Unicef is zo’n kwaliteitslabel. Dit legt echter andere accenten in vergelijking met het Babyfriendly Hospital Initiative:

  1. Kinderen worden niet in een ziekenhuis opgenomen als de zorg die zij nodig hebben thuis, in dagbehandeling of poliklinisch kan worden verleend.
  2. Kinderen hebben het recht hun ouders of verzorgers altijd bij zich te hebben. Ook tijdens onderzoeken, bij verpleegkundige en medische handelingen, bij de voorbereiding en installatie in de operatiekamer en bij het ontwaken uit de verdoving.
  3. Ouders wordt accommodatie en de mogelijkheid tot overnachting naast het kind aangeboden.
  4. Kinderen en ouders hebben recht op informatie. De informatie wordt aangepast aan de leeftijd en het bevattingsvermogen van het kind.
  5. Kinderen en ouders hebben recht op alle informatie die noodzakelijk is voor het geven van toestemming voor onderzoeken, ingrepen en behandelingen.
  6. Kinderen worden in het ziekenhuis gehuisvest en verzorgd samen met kinderen in dezelfde leeftijd- en/of ontwikkelingsfase.
  7. Kinderen hebben recht op mogelijkheden om te spelen, zich te vermaken en onderwijs te genieten al naargelang hun leeftijd en lichamelijke conditie. Kinderen hebben recht op een verblijf in een stimulerende veilige omgeving waar voldoende toezicht is en die berekend is op kinderen van alle leeftijdscategorieën.
  8. Kinderen worden behandeld en verzorgd door medisch, verpleegkundig en ander personeel dat speciaal is opgeleid voor de zorg voor kinderen. Het beschikt over de kennis en de ervaring die nodig zijn om ook aan de emotionele eisen van het kind en het gezin tegemoet te komen.
  9. Kinderen hebben recht op verzorging en behandeling door zoveel mogelijk dezelfde personen, die onderling optimaal samenwerken.
  10. Kinderen hebben het recht met tact en begrip te worden benaderd en behandeld. Hun privacy wordt te allen tijde gerespecteerd.

Vraag dus bij een geplande opname van je kindje of het betreffende ziekenhuis één of beide labels behaald heeft. Op die manier verzeker je je kindje van de meest optimale begeleiding en verzorging.

Preoperatieve vastenperiode

Vooraleer je kindje onder narcose gaat, zal het een tijdje geen voeding mogen krijgen. Dit is om ademhalingsrisico’s ten gevolge van de anesthesie te  vermijden. Deze preoperatieve vastenperiode moet echter zo kort mogelijk gehouden worden.

Voor het bepalen van de duur van de vastenperiode dient men enerzijds rekening te houden met het reduceren van ademhalingsrisico’s ten gevolge van de anesthesie,  maar tegelijkertijd moet men ook het risico op uitdroging en hypoglycemie ten gevolge van het onthouden van voeding vermijden. (Riordan & Wambach 2010/4)

Voor zuigelingen heeft de American Society of Anesthesiologists daarom volgende richtlijnen opgesteld:

  • Heldere vloeistoffen tot 2 uur voor de narcose.
  • Moedermelk tot 4 uur voor de narcose. (Lawrence 2005, Cook-Sather & Litman 2006, Riordan & Wambach 2010/4)
  • Kunstvoeding en lichte maaltijd tot 6 uur voor de narcose.
  • Zware maaltijd tot 8 uur voor de narcose.

Sommige onderzoekers verkorten de preoperatieve borstvoedingsperiode zelfs nog meer en poneren dat  moedermelk tot 3 uur voor narcose de kindvriendelijkste handelswijze is. (Litman et al 1994, Schreiner 1994)

Scheiding van ouders en kindje dient altijd zo kort mogelijk gehouden worden, om stress bij beide te beperken. Je kan je borstgevoede babytje tijdens de preoperatieve vastenperiode troosten met een fopspeentje.  Je kan ook overwegen om je kindje te laten troosten door een andere vertrouwenspersoon van de familie, als je kindje jou te veel associeert met borstvoeding en je kindje niet meer bij je mag drinken. (Riordan & Wambach 2010/4)

Borstvoeding na de operatie

Postoperatief moet de borstvoeding zo snel mogelijk weer opgestart worden, van zodra de arts aangeeft dat orale voeding weer toegelaten is.  Er is geen enkele reden om moedermelk te gaan vervangen door glucosewater of om als eerste voeding glucosewater te geven. (Riordan & Wambach 2010/4) Dat betekent dat zuigelingen vaak al op de uitslaapkamer borstvoeding kunnen genieten. Met kunstvoeding en vaste voeding zal men echter langer moeten wachten.

Borstvoeding dient ook overwogen te worden als pijnreducerend middel na operaties. (Riordan & Wambach 2010/4) Het geven van borstvoeding kan troostend werken voor zowel je kindje als voor jou. Het geruststellende zuigen aan de borst kan de werking van pijnstillende medicatie ondersteunen. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat borstvoeding tijdens en na een pijnervaring zorgt voor een verlaging van de hartslag, voor een kortere periode van huilen en voor lagere pijnscores in vergelijking met kinderen die geen borstvoeding kregen onder dezelfde omstandigheden. (Shah et al 2006)

Melkproductie van de moeder

Indien je kindje tijdelijk niet bij jou aan de borst kan drinken, zal je je melk dienen af te kolven. Idealiter minstens even vaak als dat je kindje bij jou zou drinken. Die afgekolfde melk kan aan het kindje gegeven worden wanneer de arts daar de toestemming voor geeft, maar kan ook bewaard worden voor later.


Bronnenmateriaal

Cook-Sather, S.D. and R.S. Litman (2006) “Modern fasting guidelines in children” in Best Prac Res Clin Anaesthesiol 20/3:471-481

Lawrence, R. (2005) “Lactation support when the infant will require general anesthesia: assisting the breastfeeding dyad in remaining content through the preoperative fasting period” in J Hum Lact 21/3:355-357

Litman, R. et al. (1994) “Gastric volume and pH in infants fed clear liquids and breast milk prior to surgery” in Anesth Analg 79:482-485

Melnyk, B. et al. (2004) “Creating opportunities for parent empowerment: program effects on the mental health and coping outcomes of critically ill young children and their mothers” in Pediatrics 113/6:597-607

Riordan, J. and K. Wambach (2010/4) “Breastfeeding and human lactation

Schreiner, M. (1994) “Preoperative and postoperative fasting in children” in Ped Clinics N Amer 4/1:111-120

Shah, P.S. et al. (2006) “Breastfeeding or breast milk for procedural pain in neonatesCochrane Database Syst Rev 3:CD004950

Richtlijnen van de American Society of Anesthesiologists (1999) inzake preoperatief vasten bij zuigelingen

http://www.uzleuven.be/sites/default/files/kindergeneeskunde/kindvriendelijk_ziekenhuis_brochure.pdf (geraadpleegd op 3 april 2012)

© 2012

Mind your language!

zaterdag, februari 25th, 2012

Je geeft borstvoeding

Een moeder geeft borstvoeding. Gewoon, zonder nog. Want als je “nog” borstvoeding geeft, dan impliceert dat dat je normaalgezien al lang gestopt moest zijn. Een moeder geeft borstvoeding zolang zijzelf en haar kind(eren) zich daar goed bij voelen. Dat kan enkele maanden zijn, of enkele jaren. Zonder nog.

Borstvoeding

Borstvoeding is gewoon

Zelfde redenering: langer borstvoeding geven dan de algemene tendens is niet knap, dat is gewoon. “Knap dat je borstvoeding geeft!” is dus iets wat ik zelden zeg. Een enkele keer eens tegen een moeder die al heel wat obstakels overwonnen heeft tot nu toe. Want niet elke borstvoedingservaring loopt als vanzelf natuurlijk. Maar normaalgezien gebruik ik geen woorden als knap of bewonderenswaardig. Borstvoeding is immers de norm, de normale gang van zaken. Gewoon. Of zou dat toch moeten zijn.

Kunstvoeding is geen flesvoeding

Nog eentje: kunstvoeding is geen flesvoeding. Stop je het eerste in een fles, dan zit er kunstmatige zuigelingenvoeding of kortweg kunstvoeding in. Bij flesvoeding kan het kunstvoeding zijn, maar ook afgekolfde moedermelk. Kinderen gevoed met kunstvoeding drinken dus kunstmatige zuigelingenvoeding. Kinderen gevoed met flesvoeding krijgen kolfmelk, donormelk of kunstvoeding. Kunstvoeding en flesvoeding zijn dus geen synoniemen.

Elke mama die melk produceert is een borstmama

Een kindje dat moedermelk drinkt, rechtstreeks uit de borst of via een tussenweg,  is een borstekindje. Want de voeding komt geheel of gedeeltelijk uit een moederborst. Zijn of haar mama is dus een borstmama. Ook als die mama een deel van de melkvoedingen aanvult met donormelk of kunstvoeding. Het is dus niet omdat er (al dan niet tijdelijk) aangevuld moet worden met een niet moedereigen alternatief dat een mama niet meer tot “de club” zou behoren. Er zijn tientallen redenen te bedenken waarom een kindje niet exclusief gevoed kan worden met mama’s melk alleen. Elke moeder die melk produceert is dus een borstmama!

Borstvoeding

Pro borstvoeding is niet hetzelfde als tegen kunstvoeding

Enkele dagen geleden kwam ik volgende slogan tegen op een babyslabbetje: “Fuck de flessenmelk, geef mij maar lekkere tieten!” Grappig? De tweede zin wel, de eerste niet, vind ik. Je mag, terecht, trots zijn als je kind moedermelk krijgt. Zet die boodschap gerust op een slab of shirtje. Een mens is immers gemaakt om menseigen melk te geven en te krijgen. Maar het feit dat een moeder melk produceert, maakt haar niet beter dan een ander die dat niet doet. En bovendien, vroeg of laat ben je misschien blij dat er ook nog zoiets als “flessenmelk” bestaat…

Dus… mind your language!

© 2012

Moedermelkdonatie

maandag, september 12th, 2011

Vraagmoeder
Medicatie
Borstoperatie
Te weinig klierweefsel
Niet live drinken
Adoptie
Zwangerschap
Ziekte
Donormoeder
Zuigelingenvoeding
Adviezen
Nadelen van kunstvoeding
Formal en informal milksharing
Nederlandse Moedermelkbank
Moedermelk Netwerk
Informal milksharing
Vergoeding
Afkolven, bewaren en opwarmen van moedermelk
Afkolven
Bewaren
Transport
Pasteurisatie
Opwarmen
Counceling
Conclusie

——————————————————-

© 2011

Moeders die de baby van een ander voeden, door hem live aan te leggen of door afgekolfde melk te doneren, het is iets van alle tijden en culturen.[1] Het is dan ook jammer dat informele moedermelkdonatie, sinds het ontstaan van kunstmatige zuigelingenvoeding eind 19de eeuw, langzaamaan in de taboesfeer is geraakt en de officiële Belgische en Nederlandse melkbanken in de loop van de vorige eeuw één voor één de deuren sloten. Moedermelk is en blijft immers de normale zuigelingenvoeding. Zijn er omstandigheden waarin een baby niet live kan drinken bij zijn moeder, dan zou kolfmelk van de eigen of een andere moeder als eerste alternatief naar voren geschoven moeten worden.

Dit artikel draagt bij aan het bespreekbaar maken van moedermelkdonatie voor zuigelingen. Waarom is live borstvoeding geven soms niet mogelijk of niet wenselijk? Wie kan donor worden? Waarom is donormelk te verkiezen boven kunstvoeding? Welke vormen van moedermelkdonatie bestaan er? Wat zijn de beste gebruiksomstandigheden van afgekolfde melk? Enzovoort.

Vraagmoeder


Er zijn verschillende omstandigheden te noemen waarbij het niet mogelijk of niet wenselijk is dat een moeder haar kindje (volledig) zelf voedt. Als afgekolfde melk van de eigen moeder geen uitkomst biedt of niet voldoende blijkt, dan kan donormelk een oplossing zijn. Enkele voorbeeldsituaties:

Medicatie

Neemt de moeder medicatie, dan gaat deze vaak in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Dat hoeft niet schadelijk te zijn voor de baby. De soort medicatie, de leeftijd en het gewicht van de zuigeling, de hoeveelheid medicinale stof in de moedermelk, het aantal voedingen, het zijn allemaal factoren waarmee rekening dient gehouden te worden. Beslist een arts dat medicatie noodzakelijk is, dan moet er in de eerste plaats gezocht worden naar een geneesmiddel dat samengaat met borstvoeding. Is dat niet voorhanden en is de moeder bijgevolg (tijdelijk) verplicht te stoppen met het geven van live borstvoeding, dan kan donormelk overwogen worden. Is het medicatiegebruik slechts tijdelijk dan kan de moeder haar melkproductie in stand houden door te kolven en haar verontreinigde kolfmelk weg te gooien gedurende de periode dat ze medicatie gebruikt.

Borstoperatie

Soms heeft de moeder een borstoperatie of -amputatie ondergaan in het verleden die de borstvoeding bemoeilijkt of belemmert. De soort operatie en de impact ervan op het borstweefsel bepaalt voor een groot stuk of borstvoeding geven nog mogelijk is en of de melkproductie nog volledig op gang kan getrokken worden. Donormelk als aanvulling of alternatieve voeding kan dan een oplossing bieden.

Te weinig klierweefsel

Het komt maar heel zelden voor, maar soms heeft een vrouw eenvoudigweg te weinig klierweefsel om haar melkproductie volledig op gang te trekken. Als lactatiekundige begeleiding geen voldoende opbrengstvergroting teweeg brengt, dan kan een aanvulling met donormelk overwogen worden.

Niet live drinken

In bepaalde omstandigheden, zoals bij een vroeggeboorte, is het kindje soms (nog) niet in staat om aan de borst te drinken. De moeder kan haar melk dan afkolven. Is haar melkproductie niet voldoende, dan kan deze tijdelijk aangevuld worden met donormelk.

Ook als een (oudere) zuigeling op de intensive care terechtkomt is live voeden niet altijd mogelijk en dient soms tijdelijk overgeschakeld te worden op kolfmelk.

Bij bepaalde handicaps waarbij het kindje problemen ondervindt met de spierspanning (hypertonie, hypotonie) of bij een ernstige gelaatsafwijking zoals een dubbelzijdige schisis kan live voeden erg moeilijk verlopen. Lactatiekundige begeleiding is in dergelijke gevallen een must. Lukt het live voeden niet, ondanks de deskundige begeleiding, dan kan afgekolfde melk van de eigen moeder als voedingsoptie voorgesteld worden, eventueel aangevuld met donormelk als de moeder niet voldoende voeding bij elkaar gekolfd krijgt.

Adoptie

Een kind dat geadopteerd wordt en nog op zuigelingenleeftijd is, kan in de meeste gevallen niet of nauwelijks moedermelk ontvangen van zijn adoptiemoeder. Als (geïnduceerde) relactatie niet lukt of geen optie is, dan is donormelk een gezondere melkkeuze dan kunstvoeding.

Zwangerschap

Als een moeder opnieuw zwanger wordt tijdens de lactatieperiode, dan bestaat de kans dat ze in de loop van de zwangerschap een melkterugloop ervaart. Het is erg moeilijk om in dergelijke omstandigheden de melkproductie weer op te krikken, omdat de zwangerschaphormonen dit tegenwerken. Als het gezoogde kind jonger is dan een jaar en/of nog niet veel bijvoeding krijgt, kan een tijdelijke aanvulling met donormelk een oplossing zijn tot aan de bevalling. Na de bevalling zal het principe van vraag en aanbod ervoor zorgen dat de moeder voldoende melk aanmaakt voor beide kinderen en is aanvulling met donormelk niet meer nodig.

Ziekte

Bij bepaalde ziektes wordt het geven van borstvoeding afgeraden omdat er besmettingsgevaar dreigt via de moedermelk. Voor een moeder die bijvoorbeeld besmet is met HIV is borstvoeding geven in westerse landen geen optie.[2]

Ook als een moeder kampt met een overmatig alcohol- of druggebruik wordt het zelf voeden van de baby afgeraden. Donormelk kan dan overwogen worden, naast andere vormen van (gezins)begeleiding.

Een lijst met overige voorbeeldsituaties is te vinden in Tully & Jones 2010.471-473 of op

http://www.moedermelknetwerk.nl/index_bestanden/vragen.html

Donormoeder


Een moeder die zich vrijwillig opgeeft om andermans kind live te voeden of extra melk af te kolven, moet in goede algemene gezondheid verkeren en bereid zijn een medische test te ondergaan als de vraagmoeder, het moedermelknetwerk of de melkbank daar om vraagt. De donormoeder gebruikt geen medicatie op permanente basis, geen recreatieve drugs en rookt niet. Haar alcoholgebruik is laag en ook het drinken van cafeïnerijke dranken blijft beperkt. Als de donormoeder plots ziek wordt en/of medicatie moet gebruiken, kan zij tijdelijk geen melk doneren.

Het kind dat de donormoeder zelf voedt is jonger dan één jaar oud of heeft ongeveer dezelfde leeftijd als dat van de vraagmoeder, alhoewel bij een groter leeftijdsverschil donormelk in de meeste gevallen nog steeds te verkiezen is boven kunstvoeding.

Uiteraard moet de donormoeder ook in de omstandigheden verkeren om een bijkomend kind (gedeeltelijk) zelf te voeden of extra melk af te kolven. Het is niet de bedoeling dat haar fysieke, emotionele of familiale situatie ernstige gevolgen ondervindt van de melkdonatie.

Zuigelingenvoeding

Adviezen

De WereldGezondheidsOrganisatie stelt dat wereldwijd alle betrokken partijen zoveel mogelijk inspanningen zouden moeten doen om kinderen toegang te geven tot moedermelk. Zij raden moeders aan om hun babytje zes maanden exclusief borstvoeding te geven en daarna de borstvoeding te continueren, in combinatie met vaste voeding,  totdat het kindje minstens twee jaar oud is. Moeder en kind moeten de kans krijgen om door te gaan met borstvoeding zolang zij zich daar beide goed bij voelen. De natuurlijke speenleeftijd van een mensenkind ligt immers ergens tussen de twee en de zeven jaar oud, met een wereldwijd gemiddelde van iets meer dan vier jaar oud.

Ook de American Academy of Pediatrics raadt aan om babytjes zes maanden exclusief borstvoeding te geven en daarna moedermelk te combineren met vaste voeding tot minstens de eerste verjaardag. De AAP stelt expliciet dat er geen maximumleeftijd voor borstvoeding is en dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs bestaat voor mogelijke nadelige gevolgen op psychologisch of ontwikkelingsvlak als een kind van drie jaar of ouder nog borstvoeding krijgt.

Zowel de WereldGezondheidsOrganisatie als de American Academy of Pediatrics raden moeders aan om hun zuigeling zoveel mogelijk live borstvoeding te geven. Is live voeden niet mogelijk, dan is kolfmelk van de eigen moeder de tweede optie. Als derde mogelijkheid wordt donormelk van een andere moeder genoemd en pas als allerlaatste optie kan kunstvoeding overwogen worden.

Nadelen van kunstvoeding

Geen borstvoeding geven houdt zowel voor de baby als voor de moeder gezondheidsrisico’s in.
Bovendien is kunstvoeding, in vergelijking met borstvoeding, een stuk belastender voor maatschappij en milieu. Als een zuigeling niet in de mogelijkheid is om live aan de borst te drinken, dan is kolfmelk van de eigen of een andere moeder dan ook in bijna alle gevallen te verkiezen boven kunstvoeding.

Enkele belangrijke nadelen van kunstvoeding voor de gezonde voldragen baby op een rijtje[3]:

Kunstvoeding is minder rijk van samenstelling in vergelijking met moedermelk. Kunstvoedingsfabrikanten voegen aan hun product wel bepaalde stoffen, zoals vitamines en mineralen, toe die ook in moedermelk voorkomen en waarvan bewezen is dat ze de gezondheid van de zuigeling ten goede komen. Die toegevoegde stoffen zijn echter van kunstmatige oorsprong en worden door het babylijfje minder goed opgenomen dan hun natuurlijke tegenhanger uit moedermelk. Bij de bereiding van kunstvoeding kan de hoeveelheid ervan ook verminderen. Daardoor hebben baby’s die kunstvoeding krijgen meer kans op bloedarmoede en ijzertekorten.

Om dergelijke tekorten op te vangen gaat de fabrikant dan weer te veel vitamines en mineralen toevoegen aan zijn product, wat de verwerking onnodig zwaar maakt voor baby’s organen. Omdat de meeste mineralen ook nog eens uit zouten bestaan kan die toevoegingsoverschot ervoor zorgen dat kunstgevoede baby’s een grotere behoefte hebben aan vocht en dus ook een grotere kans op uitdroging bij ziekte.

Moedermelk heeft al die samenstellingsmoeilijkheden niet en is veel evenwichtiger van samenstelling in vergelijking met kunstvoeding. Alle voedingsstoffen in moedermelk worden optimaal opgenomen, zodat een te veel niet nodig is, wat een stuk minder belastend is voor baby’s organen.

Moedermelk bevat levende antistoffen tegen allerlei ziektekiemen, zowel van virale als van bacteriële oorsprong, en bevat stoffen die de natuurlijke afweer van het kind helpen opbouwen. Kunstvoeding bevat deze stoffen niet. Een baby die tijdens zijn eerste levensjaar kunstvoeding krijgt, is dan ook slechter beschermd tegen diverse ziektes zoals luchtweginfecties, spijsverteringsziektes, urineweginfecties, hersenvliesontsteking, enzovoort.

Daarnaast versterken de beschermingsbestanddelen van moedermelk vaak elkaars werking en helpen ze het effect van vaccinaties verbeteren. Dat versterkingseffect heb je bij kunstvoeding niet. Baby’s die kunstvoeding krijgen, zijn dan ook gemiddeld meer en ernstiger ziek dan borstgevoede kinderen. Ze worden vaker opgenomen in het ziekenhuis en verblijven daar ook langer.

Zelfs op latere leeftijd heeft een kunstgevoede baby meer kans op gezondheidsproblemen. Bijvoorbeeld een grotere kans op het ontwikkelen van allerhande allergieën, reuma, diabetes, multiple sclerose, obesitas, hart- en vaatziektes, enzovoort. Krijgt een borstgevoede baby toch last van bijvoorbeeld allergieën, dan zijn de klachten vaak minder ernstig dan wanneer hij met kunstvoeding zou gevoed zijn.

Formal en informal milksharing

Nederlandse Moedermelkbank

Zowel de WereldGezondheidsOrganisatie als de American Academy of Pediatrics stelt dat alle zuigelingen, maar in het bijzonder te vroeg geborenen recht hebben op het krijgen van moedermelk. Kunstvoeding heeft, zeker voor deze allerzwaksten, immers specifieke nadelen: een grotere kans op het ontstaan van necrotiserende enterocolitis, een slechtere longrijping, een lagere ijzeropname, een ongunstige beïnvloeding van de botdichtheid en een gebrek aan levende stoffen, zoals afweercellen. Daarnaast blijven de algemene nadelen van kunstvoeding uiteraard ook gelden voor te vroeg geborenen.

Moeders van te vroeg geborenen worden dan ook sterk aangemoedigd om borstvoeding te geven of af te kolven als live voeden (nog) niet lukt. Niet al deze moeders zijn echter in staat om vanaf het begin voldoende melk te produceren voor hun kindje. Anderen willen wel borstvoeding geven, maar zien zich door omstandigheden zoals ziekte of medicatiegebruik (tijdelijk) genoodzaakt om hun kindje te voeden met kunstvoeding. In beide gevallen zou donormelk een oplossing kunnen zijn.

Vanuit die gedachte is men een aantal jaar geleden dan ook gestart met de oprichting van een moedermelkbank in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. De organisatie van de Nederlandse Moedermelkbank werd eind 2010 overgenomen door het Vrij Universitair Medisch Centrum (VUmc) Amsterdam. Sinds mei 2011 is men aan het VUmc gestart met het screenen van donormoeders en verzamelt een koeriersdienst ook effectief donormelk in bij gescreende donormoeders in de regio Rotterdam-Amsterdam. Donormoeders buiten deze regio worden verwacht hun melk zelf naar het medisch centrum te brengen.

De moedermelk die gedoneerd wordt aan de Nederlandse Moedermelkbank wordt voorlopig enkel in het kader van wetenschappelijk onderzoek gebruikt, waarbij men de effecten van donormelk gaat vergelijken met deze van kunstvoeding. De melk wordt aangeboden aan de zuigelingen die meedoen aan het onderzoek en die opgenomen werden op de deelnemende Intensive Care Neonatologie-afdelingen, verspreid over heel Nederland. Als het onderzoek uitwijst dat donormelk te verkiezen is boven kunstvoeding, dan is het de bedoeling dat op termijn de opgeslagen melk beschikbaar zal zijn voor alle Nederlandse pasgeborenen die geen melk van hun  eigen moeder kunnen ontvangen; waarbij dan prioriteit zal gegeven worden aan prematuur geboren en erg zieke babytjes.

Moedermelkdonatie via een melkbank is een vorm van formal milksharing, waarbij strenge controles van kracht zijn. Donormoeders doorlopen een hele procedure (aanmelding via mail, telefonisch intakegesprek, live keuringsgesprek, bloedafname, instructiefilms bekijken en naslagwerk lezen) vooraleer ze hun melk effectief kunnen schenken aan de melkbank. Zowel de donormoeders als de melk die ze doneren worden grondig medisch onderzocht op mogelijke virussen en bacteriën om overdracht van ziektes uit te sluiten. Een donormoeder ondergaat elke drie maanden opnieuw een bloedcontrole en haar melk wordt zelfs bij elke donatie opnieuw getest.

Een moeder die haar melk wil doneren aan de Nederlandse Moedermelkbank moet helemaal gezond zijn, mag geen medicatie nemen en ook absoluut geen recreatieve drugs gebruiken of gebruikt hebben. Haar alcohol-, cafeïne-, kruidenpreparaten- en vitaminepreparaten-verbruik moet laag tot zeer laag zijn, ze mag geen vermageringsdieet volgen en tijdens haar hobby of werk niet in aanraking komen met gevaarlijke stoffen. Melk in melkbanken wordt immers vaak gepoold, waardoor de voeding voor één zuigeling kan bestaan uit melk van verschillende donoren. Om te vermijden dat zo’n voeding een cocktail wordt van verschillende kleine hoeveelheden van allerhande medicijnen en gifstoffen moet donormelk dus zo zuiver mogelijk gehouden worden.

De Nederlandse Moedermelkbank legt geen minimum- of maximumhoeveelheden op voor donatie. Donormelk moet wel direct na het afkolven ingevroren worden en de donormoeder dient wekelijks de temperatuur van haar diepvries te controleren. Binnen de vier weken na het afkolven wordt de melk bij het VUmc verwacht.

Als een moeder haar melk doneert aan de Nederlandse Moedermelkbank, dan wordt deze steeds gepasteuriseerd. Door de verhitting tijdens het pasteurisatieproces gaat een deel van de goede eigenschappen van rauwe moedermelk verloren, maar zelfs dan blijft donormelk een prima zuigelingenvoeding met een sterke voedingswaarde en afweercapaciteit, die niet te vinden is in kunstvoeding.

Moedermelk Netwerk

Het Moedermelk Netwerk verzamelt geen donormelk, maar is een databank waarin Nederlandse en Vlaamse donor- en vraagmoeders aan elkaar gelinkt worden op regionaal vlak.

Een melkvraag aan het Moedermelk Netwerk moet steeds vergezeld worden van een attest van iemand uit de gezondheidssector, zoals een arts, een lactatiekundige of een vroedvrouw/verloskundige. En de donormoeder moet akkoord gaan met een bloedonderzoek om na te kijken of ze gezond en vrij van ziektekiemen is en een uitgebreide anamnese over haar leefwijze en voedingsgewoontes ondergaan. Als bloedonderzoek (hepatitis B en C, HIV 1 en 2, CMV, syfilis en transaminase screening)  en anamnese gunstig uitvallen wordt er in haar omgeving een moeder gezocht die vragende partij is voor donormelk. De vraagmoeder zorgt dan voor de bewaarmaterialen en regelt het transport van de moedermelk. Het Moedermelk Netwerk bezorgt beide partijen een geschreven protocol over hoe de donormelk moet behandeld worden en biedt, indien gewenst, gratis lactatiekundig advies aan voor zowel donor- als vraagmoeder.

Moedermelkdonatie via het Moedermelk Netwerk is een vorm van semi-formal milksharing. Het netwerk eist een bloedtest en anamnese van de donormoeder en stelt minimumeisen voor de hoeveelheid melk die er gedoneerd wordt: bij eenmalige donatie minstens 13 liter en bij langdurige donatie minstens 200ml per dag. Maar het opstellen van verdere afspraken of bijkomende voorwaarden laat het netwerk over aan vraag- en donormoeder. Het Moedermelk Netwerk voorziet wel een aantal sterk aanbevolen richtlijnen met betrekking tot het kolven, de bewaring en het vervoer van de moedermelk.

De donormelk wordt dus niet aan het netwerk zelf geschonken, maar rechtstreeks aan de vraagmoeder. Dat maakt dat de melk niet bacterieel getest wordt, zoals bij melkbanken wel gebeurt.

Heb je een voorraadje melk in je diepvries steken of kamp je met een overproductie waar je geen weg mee weet, dan kan je er dus voor kiezen om die melk aan het Moedermelk Netwerk te schenken. Uit veiligheids- en hygiëneoverwegingen wordt vraagmoeders wel aangeraden om oude melk  steeds te pasteuriseren.

Informal milksharing

Men kan op verschillende manieren aan informeel melkdelen doen. De eenvoudigste manier is wanneer iemand het kindje van een kennis of familielid eenmalig of gedurende een langere periode voedt of kolfmelk afstaat. Via internet bestaan er ook heuse virtuele gemeenschappen waar men melk kan aanbieden of vragen, bijvoorbeeld initiatieven als Human Milk for Human Babies (HM4HB) of Eats on Feats. Via Facebook kan je op zoek gaan naar een lokaal initiatief en daar je melkvraag of –aanbod posten. Voor België zijn dat http://www.facebook.com/Hm4HbBelgium en http://www.facebook.com/EatsonFeetsNederland. Heb je een match gevonden met iemand, dan maak je via privéberichtjes verdere afspraken, bijvoorbeeld over hoe de donormelk bij de vraagmoeder zal terechtkomen. Op de concrete uitwisseling, die op vrijwillige basis gebeurt, is geen externe controle, maar een handeltje drijven in moedermelk via deze internetgemeenschappen wordt niet gewaardeerd. Goede tips voor de communicatie en onderhandeling tussen donor- en vraagmoeder vind je bij MilkShare van Kelley Faulkner:

http://milkshare.birthingforlife.com/donationetiquette en http://milkshare.birthingforlife.com/donorscreening.

Bij informal milksharing worden van bovenaf geen protocols opgelegd inzake hygiënische behandeling van de melk en controle op mogelijke ziektekiemen, zoals HIV 1 en 2, hepatitis B en C, syfilis, HTLV en CMV , of andere giftige stoffen zoals medicatie of drugs. Informeel melkdelen gebeurt dan ook op basis van vertrouwen. Ben je donormoeder dan beslis je zelf of je ingaat op de vraag en de voorwaarden van een vraagmoeder en hoeveel melk je aanbiedt. Ben je vraagmoeder dan stel je je eigen voorwaarden op en beslis je zelf of je de gedoneerde melk pasteuriseert of niet.

Alhoewel ze erg klein zijn, zijn aan informal milksharing dus enkele mogelijke risico’s verbonden, wat dan ook de reden is voor sommige organisaties, zoals de American Academy of Pediatrics, om deze vorm van moedermelkdonatie af te raden. Met pasteurisatie in de vorm van flash-heating kan men echter de gezondheidsrisico’s, zoals een mogelijke overdracht van ziektekiemen, voor de zuigeling sterk verkleinen. Ook na pasteurisatie bevat moedermelk nog voldoende voedingswaarde en afweercapaciteit om te verkiezen boven kunstvoeding. De WereldGezondheidsOrganisatie moedigt moedermelkdonatie dan ook aan, ook als deze via informele weg gebeurt.  De kans op een kleine verontreiniging met medicatie, alcohol, nicotine, etcetera, van informeel uitgewisselde donormelk is nog steeds vele malen kleiner dan de kans op de mogelijke gezondheidsrisico’s die kunstvoeding met zich meebrengt.

Vergoeding

Moedermelkdonoren worden normaalgezien niet betaald. Bij melk waarvoor geld betaald wordt, bestaat immers de kans dat ermee geknoeid is of dat de donormoeder niet helemaal eerlijk is over haar gezondheidstoestand of leefwijze. Het gratis verstrekken van donormelk  geeft met andere woorden een bijkomende garantie op melk die vrij is van ziektekiemen en gifstoffen. Het is dus niet de bedoeling dat vrouwen een handeltje gaan opzetten met hun melk. Moedermelkdonatie moet een vorm van liefdadigheid blijven en niet uit zijn op winstbejag.

Onkosten die de donormoeder maakt, worden echter wel vergoed. De Nederlandse Moedermelkbank van het VUmc betaalt de noodzakelijke medische controles, stelt afkolfapparatuur, opvangmateriaal, flesjes en etiketten gratis ter beschikking van de donormoeders en haalt de donormelk via een koeriersdienst op of betaalt de reiskosten van de donormoeder terug. Ook het Moedermelk Netwerk zorgt voor een terugbetaalsysteem van de medische controles, de flesjes en de reiskosten als de donormoeder haar melk zelf brengt naar de vraagmoeder. Bij informele melkdonatie bepalen donormoeder en vraagmoeder in onderling overleg hoe en in welke mate de onkosten vergoed zullen worden.

Afkolven, bewaren en opwarmen van moedermelk


Om de voedingswaarde en de afweercapaciteit van moedermelk zoveel mogelijk te behouden, moet het afkolven, bewaren en opwarmen ervan in zo gunstig mogelijke omstandigheden gebeuren.

Afkolven

Afkolven moet in de eerste plaats hygiënisch gebeuren. De donormoeder wast zich dagelijks, waarbij ze haar borsten afspoelt met water. Vooraleer ze gaat kolven, maakt ze haar polsen, handen en vingernagels grondig schoon met water en zeep. Afdrogen gebeurt met een schone handdoek of met papieren wegwerpmateriaal.

Ook de onderdelen van het kolfapparaat die in contact komen met de melk, evenals de luchtslangen bij sommige kolfapparaten, worden voor elk gebruik schoongemaakt in een heet sopje, afgespoeld onder heet stromend water en één maal daags uitgekookt, gesteriliseerd of afgewassen in de vaatwasser op minstens 65°C. Alle onderdelen worden na het afwassen of uitkoken/steriliseren gedroogd aan de lucht en niet afgedroogd met een handdoek.

Het eerste straaltje melk wordt met de hand gekolfd en weggegooid. Daarna kolft men verder met de hand of met een kolfapparaat. Tips om het kolven te vergemakkelijken vindt men op http://borstvoeding.aardig.be/borstvoedingstips/kolven/.

Bewaren

Moedermelk bewaart men het best in een afsluitbare plastieken of glazen container, die goed schoon is en bij voorkeur gesteriliseerd of uitgekookt.  Men gebruikt geen poly-ethyleen (PET)-plastic als container en plastieken bewaarcontainers zijn best bisfenol A (BPA)-vrij. De melkcontainer mag niet helemaal gevuld worden, er moet twee tot drie centimeter plaats gelaten worden tot de rand. Portioneer de melk met 50-120ml per container.

Hoe langer men moedermelk bewaart, hoe meer kans men heeft dat de voedingswaarde en de afweercapaciteit gedeeltelijk verloren gaan. Hou de bewaartijd dus zo kort mogelijk. Voor eigen gebruik is verse of gekoelde melk te prefereren boven ingevroren melk. Verse melk kan minstens vier uur veilig bewaard blijven op kamertemperatuur (19-26°C) en zo’n 72u lang in de koelkast (< 4°C).[4] Gepasteuriseerde melk moet onmiddellijk ingevroren worden. Doet men dat niet, dan bewaart men ze in de koelkast en biedt ze binnen de 24u aan de zuigeling aan. Na pasteuriseren zijn de meeste anti-infectueuze eigenschappen van moedermelk immers vernietigd en treedt er snel bacterievorming op bij bewaring in de koelkast, vandaar dat men gepasteuriseerde melk zo snel mogelijk aan de zuigeling moet aanbieden of onmiddellijk dient in te vriezen.

Ga je je melk doneren, dan geniet ingevroren melk de voorkeur. Invriezen dient binnen de 24u na het afkolven te gebeuren, op voorwaarde dat de melk onmiddellijk na het afkolven in de koelkast geplaatst werd. Bewaren van moedermelk in de diepvriezer kan veilig tot drie maanden lang op -18°C tot -20°C. Ingevroren melk die in de koelkast geplaatst werd, kan maximaal 24u bewaard worden. Na volledige ontdooiing moet de melk zo snel mogelijk aan het kindje aangeboden worden.

Melk die binnen een tijdsbestek van 24u afgekolfd werd en onmiddellijk in de koelkast geplaatst werd, mag samen gegoten worden in één container. Voor de bewaringstermijnen mag men enkel rekening houden met het tijdstip van de eerste afgekolfde melkportie.

Verse moedermelk mag bij een ingevroren portie gevoegd worden op voorwaarde dat de laatst afgekolfde melk minstens een uur lang in de koelkast geplaatst werd en kleiner in hoeveelheid is dan de reeds ingevroren portie.

Transport

Gaat men melk transporteren, dan mag de koelketting niet doorbroken worden. Dat betekent dat afgekolfde melk in een koelbox dient vervoerd te worden, met koelelementen tussen de containers. Ingevroren melk mag tijdens het vervoer niet ontdooien, ook niet gedeeltelijk.

Pasteurisatie

Om mogelijke virussen, bacteriën en schimmels in moedermelk te desactiveren en tegelijkertijd de voedingswaarde en afweercapaciteit van moedermelk relatief goed te behouden, kan men melk gaan pasteuriseren. Er bestaan verschillende pasteurisatiemethodes, twee eenvoudige voorbeelden:

Flash-heating
Een methode die men makkelijk thuis kan uitvoeren en waarbij relatief weinig goede eigenschappen van moedermelk vernietigd worden, heet flash-heating of high-temperature short-time pasteurization. Hierbij gaat men de melk gedurende 5-15 seconden op een temperatuur van ongeveer 72°C houden. In een huis-tuin-en-keuken-setting bekomt men dit door containers met 50-150ml moedermelk au bain marie in een pan met koud water te plaatsen, waarbij het water net iets hoger staat dan de melk. Breng nu het water aan de kook op een hoog vuur. Van zodra het water in de pan kookt, haalt men de pan van het vuur en laat men het water afkoelen, met de melkcontainers er nog in. Eens op kamertemperatuur is de moedermelk klaar voor gebruik of invriezing.

Pretoria pasteurisatie
Ook de pretoria pasteurisatie van moedermelk is een eenvoudige methode die thuis gemakkelijk toegepast kan worden. De melk wordt gedurende minstens 10 minuten op een gemiddelde temperatuur van 56-62°C gehouden. In de praktijk betekent dit dat men een hoeveelheid water aan de kook brengt en de pan dan van het vuur haalt. Onmiddellijk na het koken plaatst men de afgesloten containers met verse of ontdooide moedermelk 15 minuten lang au bain marie in het gekookte water. Het water komt daarbij op hetzelfde niveau als de melk in de container. Na het pasteuriseren wordt de melk snel afgekoeld onder koud stromend water of in de diepvriezer, waarna het gereed is voor gebruik of verdere invriezing.

Opwarmen

Vooraleer men afgekolfde melk gaat behandelen, dient men eerst de polsen, handen en vingernagels grondig schoon te maken met water en zeep. Afdrogen gebeurt met een schone handdoek of met papieren wegwerpmateriaal.

Ingevroren moedermelk wordt bij voorkeur langzaam ontdooid, achteraan in de koelkast. Bij het opwarmen voor de voeding dienen hotspots in de melk vermeden te worden. Zowel au bain marie als met een flessenwarmer dient de opwarming dus geleidelijk en gelijkmatig te gebeuren, op een lage opwarmstand. Moedermelk mag nooit rechtstreeks in een pan op het vuur opgewarmd worden en ook het gebruik van een magnetron wordt afgeraden, omdat de kans op hotspots en verlies van voedingsstoffen daarbij te groot is. Na volledige ontdooiing moet de melk zo snel mogelijk aan de zuigeling aangeboden worden (ten laatste binnen de 9 uur na ontdooiing). Werd de kolfmelk uit de diepvries gehaald en ter ontdooiing in de koelkast geplaatst, dan dient deze binnen de 24u aan de zuigeling aangeboden te worden.

Afgekolfde melk kan na verloop van tijd zepig gaan ruiken, dat heeft echter geen invloed op de kwaliteit van de moedermelk. Ook de opsplitsing in een witromige bovenlaag en een waterigere onderlaag is normaal. Zwenk de melk even na het opwarmen, zodat beide lagen zich weer mengen met elkaar.[5]

Niet opgedronken, maar reeds opgewarmde melk mag niet meer opnieuw opgewarmd worden en dient binnen het uur opgedronken te worden, anders is ze niet meer geschikt voor consumptie en moet helaas weggegooid worden of verwerkt als badmelk of flensjes voor oudere broers of zusjes.

Counceling


Als een moeder aangeeft dat ze onvoldoende melk aanmaakt voor haar kindje(s) is het in de eerste plaats aangewezen om haar uitleg te geven over het principe van vraag en aanbod en tips te verschaffen hoe ze de melkproductie kan verhogen.

In het geval dat bijvoeding noodzakelijk is, moet een consulente het Nederlandse Moedermelk Netwerk, dat ook in Vlaanderen actief is, kenbaar maken als mogelijkheid, zodat de vraagmoeder goed geïnformeerd een keuze kan maken tussen donormelk of kunstvoeding.

Informal milksharing actief gaan promoten is wellicht geen aanrader, maar het moet ook niet in alle gevallen verzwegen worden. Vraagt een moeder ernaar, dan kan haar de wegen getoond worden naar acties als Human Milk for Human Babies en Eats on Feets, waarbij haar uiteraard gewezen wordt op mogelijke afspraken en veiligheidsmaatregelen die de gezondheidsrisico’s voor de zuigeling tot een minimum beperken.

Conclusie


Moedermelkdonatie is vandaag de dag vrijwel onbekend bij hulpverleners en ouders van jonge kinderen. Het is echter een prima manier om kinderen de goede eigenschappen van moedermelk mee te geven als de eigen moeder (tijdelijk) niet in staat is om borstvoeding te geven of haar melk af te kolven. Moedermelkdonatie is in bijna alle gevallen te verkiezen boven kunstvoeding. Bij melkdonatie die op een verantwoorde manier gebeurt blijven de gezondheidsrisico’s heel beperkt. Gonneke Van Veldhuijzen-Staas, één van Nederlands bekendste lactatiekundigen en oprichtster van Eurolac Lactatiekunde, verwoordt het zo:

“De risico’s van het delen van moedermelk kunnen vrijwel volledig worden ingedamd door veilig te werken bij het verzamelen, bewaren en geven van de melk. Een groot deel van de gevaren van kunstvoeding zijn inherent aan de kunstvoeding zelf en kunnen door zorgvuldig handelen niet worden beperkt. Overheden en (borstvoeding-) organisaties die zich sterk keren tegen informele vormen van het delen van moedermelk, zouden zich beter kunnen richten op het promoten van veilige manieren om dit te doen en het voorlichten over de reële en niet te vermijden gevaren van kunstvoeding.” (http://eurolac.blogspot.com/2011/05/angst-is-een-slechte-raadgever.html)

Onderzoek naar omgaan met afgekolfde melk op Vlaamse materniteiten

Bronnenmateriaal

Bishop N.J. e. a. “Early diet of preterm infants and bone mineralization at age five years” in Acta Paediatrica 1996 (85), blz. 230-236
Corpeleijn, W.E. en J.B. Van Goudoever “Donormelkbanken” in Anten-Kools, E.J. e.a. (eds.) Een professionele kijk op borstvoeding, 2011, blz. 226-230
De Kok, S. “Moedermelkdonatie” in Borstvoeding Vandaag 2011 (3), blz. 4-5
Dettwyler, K. en P. Stuart-Macadam (eds.) “Breastfeeding. Biocultural perspectives” 1995
Faquharson J. e. a. “Infant cerebral cortex phospholipid fatty-acid composition and diet” in The Lancet 1992 (340), blz. 810-813
Henderson, G. e.a. “Enteral feeding regimens and necrotising enterocolitis in preterm infants. Multicentre case-control study”, in Archives of Disease in Childhood 2009 (94), blz. 120-123
Lawrence M.G. e.a. “Breastfeeding and the Use of Human Milk” in Pediatrics 2005 (115:2), blz. 496-506
Lemons P. e.a. “Breastfeeding the premature infant” in Clinics in Perinatology 1986 (13), blz. 111–122
Lucas A. e. a. “Breastmilk and neonatal necrotizing enterocolitis” in The Lancet 1990 (336), blz. 1519-1521
Mohrbacher, N. en J. Stock “Handboek lactatiebegeleiding” 2005
Schanler R.J. en N.M. Hurst “Human milk for the hospitalized preterm infant” in Seminars in Perinatology 1994 (18), blz. 476–484
Tully, M.R. en F. Jones “Donor milk banking” in Riordan, J. en K. Wambach (eds.) Breastfeeding and human lactation 2010 (4), blz. 471-494
Vandenplas, Y. en Delanghe, K. “De wondere wereld van zuigelingenvoeding” in Nutrinews 1999 (10), blz. 1-12
Van Zoeren-Grobben, D. “Afkolven, bewaren en opwarmen moedermelk” in Anten-Kools, E.J. e.a. (eds.) Een professionele kijk op borstvoeding, 2011, blz. 220-226
Vereniging Borstvoeding Natuurlijk “Informatieblad voor zorgverleners 3. Borstvoeding en vroeggeborenen” 2007
Weijers-Teerling, M. “Borstvoeding. Handleiding voor de zorgverlener” 2008 (4)
World Health Organization “Global strategy for infant and young child feeding” 2003

http://eurolac.blogspot.com/search/label/donormelk (geraadpleegd op 08/09/2011)
http://medischcontact.artsennet.nl/Tijdschriftartikel/94864/Onderzoek-naar-donormelk.htm (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://milkshare.birthingforlife.com/ (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://www.aafp.org/online/en/home/policy/policies/b/breastfeedingpositionpaper.html (geraadpleegd op 08/09/2011)
http://www.hciproject.org/sites/default/files/How%20you%20can%20safely%20heat%20treat%20breast%20milk_English_0.pdf (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://www.hm4hb.net/ (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://www.moedermelknetwerk.nl/ (geraadpleegd op 10/09/2011)
http://www.phdinparenting.com/2010/11/28/risks-of-informal…-breastmilk-sharing-versus-formula-feeding/ (geraadpleegd op 08/09/2011)
http://www.vumc.nl/afdelingen/Neonatologie/Moedermelkbank/ (geraadpleegd op 10/09/2011)
http://www.who.int/nutrition/topics/global_strategy/en/index.html (geraadpleegd op 08/09/2011)

Persoonlijke correspondentie met Chella Verhoeven (IBCLC), oprichtster van het Moedermelk Netwerk

Met dank aan Gonneke van Veldhuizen-Staas (IBCLC) voor het nalezen van dit artikel!

© 2011


[1] Voor een kort historisch overzicht van moedermelkdonatie in Nederland zie het Moedermelk Netwerk: http://www.moedermelknetwerk.nl/index_bestanden/historie.html.

[2] In ontwikkelingslanden geeft men soms een ander advies, omdat het verhoogde infectiegevaar en overige gezondheidsrisico’s bij kunstvoeding, naast de kans op besmette kunstvoeding door de slechte waterkwaliteit of door onhygiënische bereidingsomstandigheden soms groter is dan op een besmetting met HIV via de moedermelk. In westerse landen is een HIV-besmetting van de moeder echter altijd een contra-indicatie voor het geven van borstvoeding.

[3] Deze lijst is niet exhaustief. Voor een uitgebreidere opsomming zie bijvoorbeeld Weijers-Teerling 2008(4).17-29 of http://www.borstvoeding.com/voorjebegint/motivatie/101-redenen-om-borstvoeding-te-geven.html.

[4] Hier worden de veiligste marges genoemd waarbinnen vrijwel geen bacterievoming zal optreden tijdens de bewaring. De meeste bronnen geven echter veel ruimere bewaringsmarges aan, maar uit veiligheidsoverwegingen heb ik me aan de minimumnormen gehouden.

[5] Wil je aan lacto-engineering doen, om de zuigeling calorierijkere melk te bezorgen, dan kan je de vette bovenlaag eraf scheppen met een goed schoon gemaakte lepel en apart opwarmen of kan je met een steriele spuit de waterigere onderlaag opzuigen en verwijderen voor het opwarmen.

Anti candida dieet

dinsdag, juni 14th, 2011

Meer uitleg over candida en spruw bij borstvoeding

Werking

Een succesvol anti candida dieet werkt op twee verschillende manieren:

  1. Bestrijdt en onderdrukt de candida-infectie rechtstreeks, bijvoorbeeld met voedingsmiddelen als olijfolie, knoflook, spruitjes, sinaasappel, pompelmoes en bosbessen.
  2. Versterkt de natuurlijk afweer van het lichaam, zodat de candida albicansschimmel geen kans meer krijgt om te gaan woekeren. Hierbij worden schimmelproducten, gist, en geraffineerde koolhydraten (suikers, witmeel) zo veel mogelijk vermeden of tot een minimum beperkt.

De bedoeling van dit dieet is om ons lichaam te reinigen, zodat het weer optimaal functioneert. En van binnenuit schimmels als candida albicans onder controle kan houden, zodat we er geen last (meer) van ondervinden. Een reinigingsproces dat enkele weken of maanden kan duren. Geef je lichaam dus even wat tijd om te wennen aan je nieuwe eetwijze. Een anti candida dieet is geen instant oplossing tegen onze klachten, wel een blijvende en lange termijn gezondheidskuur!

Gezonde voeding

De benaming dieet is misleidend. Het gaat eigenlijk om een gezondere manier van eten. Veelvuldig bewerkte voedingswaren zoals conserven en kant en klare maaltijden, junkfood, frisdrank, suikerrijke koeken en andere ongezonde tussendoortjes worden vervangen door onbewerkte, verse en bij voorkeur biologisch geteelde (seizoens)producten.

Het principe van een anti candida dieet is dat onbewerkte voeding, die rechtstreeks in de natuur te vinden is, gezonder is dan voedingsmiddelen die allerlei bewerkingen ondergaan hebben om bijvoorbeeld de houdbaarheid te verlengen.

Producten uit de biologische landbouw zijn te prefereren op hun broeders en zusters uit de traditionele agro-industrie. Biologisch geteelde seizoensgroentes en –fruit bevatten meer vitamines en mineralen en geen schadelijke bestrijdingsmiddelen zoals pesticiden. Biologisch geteelde dieren zijn niet preventief verontreinigd met antibiotica, bevatten geen toegevoegde hormonen en worden op een diervriendelijkere manier gekweekt en behandeld.

Bewuster proeven en genieten

Het fijne aan een anti candida dieet is dat men na verloop van tijd dat wat men eet meer gaat waarderen! Door sausjes en crèmes weg te laten en groentes en fruit rauw te eten, te wokken, te stomen of lichtjes te stoven komt de authentieke groentes- en fruitsmaak meer tot zijn recht. Door minder suiker te eten worden onze smaakpapillen meer geactiveerd. Waardoor men de lekkere eigenschappen en de natuurlijk zoete toets van sommige voedingswaren sterker proeft. Door granen, zaden, noten en peulvruchten onbewerkt te eten krijgen ze een vollere smaak.

Lijst van voedingsmiddelen

NIET ALTERNATIEF
Wit brood, stokbrood, beschuit, crackers Volkorenbrood, zuurdesembrood, volkoren granen zoals tarwe, havermout, gierst, gerst, rogge, boekweit, emmer, eenkoorn, spelt
Witte rijst Zilvervliesrijst, volkoren tarwekorrels
Witte deegwaren Volkorendeegwaren
Traditionele aardappels Zoete aardappels (bataat), volkorenproducten
Saus, crème Roerbakken of wokken in plantaardige olie (olijfolie!), stomen of stoven, zelfgemaakte mayonaise of zelf gemaakte knoflooksaus
Tomatensaus, ketchup Verse tomaten
Vlees van de traditionele agro-industrie (varkens-, runder- en kalfsvlees) Vlees van de biologische landbouw, gevogelte, mager vlees, peulvruchten
Gerookte vis of vlees Verse (zee)vis of vlees
Bereide vleeswaren en worst Verse vleeswaren
Schimmelkaas, smeerkaas, brie, camembert Harde jonge kaas, cottage cheese, geitenkaas
Paddestoelen zoals champignons, oesterzwam, e.d. Alle andere verse groentes (spruitjes!), groene bladgroentes
Groentes en fruit uit blik of glas Verse groentes en fruit, rauwkost
Banaan, druiven Alle andere vers fruit (liefst op de nuchtere maag en niet in combinatie met andere voedingswaren) (sinaasappel, pompelmoes, bosbessen!)
Gedroogde of geconfijte vruchten zoals rozijnen, vijgen, dadels, abrikozen, pruimen of cranberries Vers fruit (liefst op de nuchtere maag en niet in combinatie met andere voedingswaren)
Suikerrijke koeken en cake Rijstwafels, tarwewafels, volkorengraankoeken
Chocolade, chocomelkpoeder Pure cacao
Pudding, suikerrijke desserts Ongezoete witte yoghurt, platte kaas (ongezoete kwark), karnemelk
Ijsroom Zelf gemaakte vruchtenijsjes van vers geperst of geprakt fruit
Gebakken en/of gezouten noten Verse noten en zaden zoals amandelen, hazelnoten, walnoten, sesamzaden, zonnebloempitten, pompoenzaden en onbewerkte peulvruchten zoals erwten, linzen, pinda’s en cashewnoten
Koffie en zwarte thee Granenkoffie en kruidenthee
Koemelk Sojamelk, geitenmelk, rijstmelk, havermelk, karnemelk
Vruchtensap uit bric of glas Vers geperst vruchten- of groentensap
Frisdrank Plat water
Alcohol Plat water

SMAKELIJK! :-)

© 2011

Zelf een draagdoek maken

vrijdag, december 31st, 2010

Een draagdoek zelf maken is de goedkoopste manier van dragen. Dus als je wat creatief aangelegd bent en handig met de naaimachine dan zou ik voor self-made gaan. Leuker, persoonlijker én goedkoper dan een draagdoek uit de (web)winkel.

Het fijne aan zelf maken, is dat het helemaal niet moeilijk is! Je hoeft geen naaiwonder te zijn en zelfs geen naailessen gevolgd te hebben om leuke, persoonlijke doeken te maken. Kijk maar naar de foto’s. Je ziet duidelijk dat ik absoluut geen professionele naaister ben. En toch is het eindresultaat telkens leuk. En vindt dreumes het aangenaam vertoeven in mama’s doeken :-)

Knoopdoek

Ringsling

Mei tai

Draaginstructies en handleidingen

———————————————————————————————-

Knoopdoek


Afmetingen

Een geweven draagdoek oftewel een lange knoopdoek is niets meer dan een lap stof van 5m lang en 70cm breed. Pas als je kledingmaat 46 of meer hebt, neem je beter 5,5m stof. Ben je erg klein van stuk, met kledingmaat 36 of minder, dan kom je met 4,5m stof toe.

Soort doek

Een stof die niet rekt in de lengte. Rekken in de breedte mag, maar is niet noodzakelijk. Een diagonaal rekbare geweven doek is een pluspunt, maar geen must. Diagonaal rekbare stoffen hebben het voordeel dat ze niet snijden op de drukpunten. Niet rekbare stoffen doen dat soms wel.

100% katoen, jacquardstof of dunne jeansstof zijn prima stoffen om mee te werken en fijn voor de zomermaanden. Fleecestof (met de minste rek) is eerder een winteralternatief, want heel warm als draagdoekstof. Fleece is relatief dik en knoopt ook moeilijker.

Voor diagonaal geweven stoffen struin ik in de zomer festivalmarktjes af. Andere leuke stofjes vind ik in “voddenwinkeltjes” die restjes van naai-ateliers opkopen en aan spotprijzen doorverkopen aan de doe-het-zelfster.

Patroon

Neem een lap stof van 4,5m – 5,5m lang en 75cm breed. Zoom alle kanten om. En klaar!

Ringsling


Afmetingen

Een ringsling is 70cm – 90cm breed. Ik vind een brede ringsling vooral handig voor het dragen van oudere kinderen. Door de breedte kan je hun hele rug ondersteunen, daar waar dat met 70cm-slings moeilijker is. De lengte van een ringsling bedraagt 2,20m voor een small-model. Medium komt op 2,40m, large op 2,60m en extralarge op 2,80m lengte.

Soort doek

Een stof die niet rekt in de lengte. Rekken in de breedte mag, maar is niet noodzakelijk. Een diagonaal rekbare geweven doek is een pluspunt, maar geen must. Diagonaal rekbare stoffen hebben het voordeel dat ze niet snijden op de drukpunten. Niet rekbare stoffen doen dat soms wel.

100% katoen, jacquardstof of dunne jeansstof zijn prima stoffen om mee te werken en fijn voor de zomermaanden. Fleecestof (met de minste rek) is eerder een winteralternatief, want heel warm als draagdoekstof. Fleece is relatief dik en knoopt ook moeilijker.

Voor diagonaal geweven stoffen struin ik in de zomer festivalmarktjes af. Andere leuke stofjes vind ik in “voddenwinkeltjes” die restjes van naai-ateliers opkopen en aan spotprijzen doorverkopen aan de doe-het-zelfster.

Soort ringen

Als ringen neem je best slingringen. Die zijn speciaal gemaakt en getest op het dragen van kinderen. Hele grote houten gordijnringen van minimum 8cm doorsnede gaan ook. Maar deze zijn eigenlijk niet bedoeld om te gebruiken in een kinderdraagsysteem, niet wasbaar en doorgaans heel duur… Goedkopere slingringen koop ik bij http://www.ringslingshop.nl/index.php.

Patroon

Foto 1

Foto 1

Zoom drie kanten van de hele lap stof om. De korte (niet afgeboorde) kant haal je door beide ringen. En plooit hem dubbel, terug op de doek. Daarna vouw je de zoom van die korte kant 1,5cm naar binnen. En naait hem vast aan de rest van de doek op ongeveer 20-25cm van de ringen. [foto 1] Stevig vastnaaien, liefst minstens twee keer met verschillende steken over de ganse breedte. Als je goed kan naaien, dan kan je die ringkant ook laten fronsen. Maar dat hoeft niet. Gewoon goed vastspelden op korte afstanden van elkaar. En opletten tijdens het naaien dat de stof niet gaat overlappen en op het einde mooi uitkomt.

Foto 2

Foto 2

Je kan aan de niet ringkant ook zakken naaien. [foto 2] Dan neem je 25cm extra stof (dus bovenop die 2,20m S – 2,80m XL) en plooit dat stuk dubbel. Vastmaken aan de zijkanten en nog drie of vier keer met de lengte van de stof mee naaien. Zo heb je zakken voor een speeltje, een spuugdoekje, mutsje, etc.

Mei tai


Soort doek

Een stof die niet rekt in de lengte. Rekken in de breedte mag, maar is niet noodzakelijk. Katoen, jacquardstof of dunne jeansstof zijn prima stoffen om mee te werken en fijn voor de zomermaanden. Fleecestof (met de minste rek) is eerder een winteralternatief, want heel warm als draagdoekstof. Fleece is relatief dik en knoopt ook moeilijker.

Afmetingen en patroon

Totale hoogte van het ruggedeelte bedraagt 59cm: 45cm voor het recht deel en 2x7cm voor het halvemaanvormig gedeelte. Voor de breedte kijk je best even op de patroontekening.

De schouderbanden zijn elk 2m lang en 15cm breed. Dat maakt dat je bij je patroon twee maal een lap stof nodig hebt van respectievelijk 2,2m op 32cm.

De schouderbanden hebben elk nog een versteviging van 1,5m op 10cm. Voor de versteviging gebruik ik fleecestof. Die is lekker zacht en rafelt niet uit bij het uitknippen en opnaaien.

De beide taillebanden zijn 10cm breed. En 1,5m lang. Dat maakt dat je bij je patroon twee maal een lap stof nodig hebt van 22cm op 1,7m .

Werkwijze

1. We starten met de taille- en de schouderbanden

Plooi de tailleband dubbel, zodat de buitenkant (“de goede kant”) naar binnen geplooid zit. [foto 3]

Foto 3

Foto 3

Naai nu de lange en één korte kant van de hele lap stof dicht. Keer de stof buitenstebinnen en strijk hem mooi plat. Doe hetzelfde met de andere tailleband. De onafgewerkte korte kant [foto 4] wordt straks nog in het ruggedeelte genaaid en mag dus onafgewerkt blijven.

Foto 4

Foto 4

Plooi de schouderband dubbel, zodat de buitenkant (“de goede kant”) naar binnen geplooid zit. Naai nu de lange en één korte kant van de hele lap stof dicht. Keer de stof buitenstebinnen en strijk hem mooi plat. De onafgewerkte korte kant wordt straks nog in het ruggedeelte genaaid en mag dus onafgewerkt blijven.

2. Nu naaien we de schouderbanden vast aan het ruggedeelte

Neem van het ruggedeelte die lap stof die straks aan de binnenkant van je doek zal zitten, dus tegen de rug van je kindje aan. Leg deze lap stof voor je op tafel, met de buitenkant (“de goede kant”) naar beneden. Speld de twee onafgewerkte korte kanten van de schouderbanden vast aan deze lap stof. [foto 5]

Foto 5

Foto 5

De overgang van het halvemaanvormige gedeelte naar het rechte deel komt net in het midden van de schouderbanden te liggen. [zie patroontekening] Vooraleer deze twee onafgewerkte korte kanten vast te naaien aan het ruggedeelte, draai je de hele lap stof, met de erop vast gespelde schouderbanden, om, met “de foute kant” naar beneden. Vouw nu het ruggedeelte waar je schouderbanden onder liggen naar binnen met een zoom van 1cm. En naai deze zoom aan beide schouderbanden eerst even vast. [foto 6]

Foto 6

Foto 6

De rand waar geen schouderbanden onder liggen blijft onafgewerkt!

Nu draai je de hele lap stof, met de erop vast gespelde schouderbanden, weer om, met “de goede kant” naar beneden. En naai je de twee vast gespelde onafgewerkte korte kanten vast aan het ruggedeelte.

Draai de lap stof waar je de schouderbanden aan vast genaaid hebt, weer om, zodat de buitenkant (“de goede kant”) naar boven ligt. Leg beide schouderbanden bovenop je lap stof [foto 7] en daarbovenop de tweede lap stof van het ruggedeelte, met de buitenkant (“de goede kant”) naar beneden.

Foto 7

Foto 7

Zo zitten beide schouderbanden tussen de twee lappen stof. [foto 8]

Foto 8

Foto 8

Maak het je gemakkelijk en speld die twee schouderbanden even vast ergens in het midden van het ruggedeelte. Zodat ze niet in de weg komen te liggen als je zo meteen beide lappen van het ruggedeelte aan elkaar gaat naaien.

Speld beide lappen van het ruggedeelte nu aan elkaar vast. En naai met 1,5cm zoom de twee lappen aan elkaar, met de schouderbanden er tussenin. Laat onderaan het rechte deel van de rugpanden zo’n 15cm open. Daar moet je straks de tailleband nog tussen naaien.

3. Nu naaien we de taillebanden vast aan het ruggedeelte

Keer de stof van het ruggedeelte nu buitenstebinnen en strijk hem mooi plat. Leg nu beide taillebanden aan de onderkant tussen de twee rugpanden. De onafgewerkte eindjes raken elkaar. [foto 9]

Foto 9

Foto 9

Vouw de onderkanten van de rugpanden met een zoom van 1,5cm naar binnen en strijk het even aan. Op die manier blijft de zoom mooi liggen en kan je hem makkelijker vast spelden.

Speld nu de taillebanden aan het ruggedeelte vast. De tailleband loopt dus tussen de twee lappen van het ruggedeelte door van de ene kant naar de andere kant. [foto 10]

Foto 10

Foto 10

Naai nu het laatste deel van het rugpand vast. Naai niet alleen de onderkant van de tailleband vast, maar zet ook een extra steek aan de bovenkant van de tailleband, in de breedte van het ruggedeelte. Zodat deze stevig vast zit.

4. En tot slot de verstevigingen

Speld de versteviging van de schouderband vast op de buitenkant (aan de schouderbinnenzijde) van de schouderband, te beginnen vanaf de aanhechting aan het ruggedeelte. [foto 11]

Foto 11

Foto 11

Naai de versteviging vast met een mooie zigzagsteek. Doe hetzelfde met de andere schouderband en bijpassende versteviging.

Nog een versteviging: daar waar de schouder- en taillebanden het rugpand verlaten, naai je eerst een vierkant en vervolgens een diagonaal kruis (van hoek tot hoek van je vierkant) op dezelfde plek, op het ruggedeelte. Zo voorkom je dat de panden los zouden scheuren tijdens het dragen.

Maak je een mei tai voor de winter, dan kan je op de buitenkant (aan de rugbinnenzijde) van het ruggedeelte ook een zachte en heerlijk warme fleeceversteviging naaien met een mooie zigzagsteek. [foto 12]

Foto 12

Foto 12

Maar doe dit zeker niet met een mei tai die je in de zomer of in het tussenseizoen wil gebruiken. Want fleecestof is al snel veel te warm voor je kindje!

Nog een laatste keer een afwerkingssteekje op zo’n 1,5cm van de rand van het gehele rugdeel. En je mei tai is klaar!

Draaginstructies en handleidingen

http://www.dragen-en-voeden.nl/forum/viewtopic.php?f=27&t=1111

http://www.withatouchofrose.nl/producten/handleiding/gebruiksaanwijzing%20draagdoek.pdf

© 2010-2011