Archive for the ‘kraamweek’ Category

Geloven

donderdag, augustus 22nd, 2013

Half zes ’s avonds. Ik fiets het perron op. “Goeienavond.” zeg ik zachtjes tegen een brede rug, terwijl ik op mijn rem ga staan. De rug bestudeert de treinuren op het gele aankondigingsbord. Als hij zich langzaam omdraait kijk ik in een bekend gezicht. Lichtbruin haar tot op schouderhoogte, een beetje vettig en in de war, bolle wangen, heldere onderzoekende ogen.

“Hallo!” zegt hij met een lichte slis in zijn stem. Vertrouwde klank. En hij kijkt toe terwijl ik van mijn plooifiets stap: “Hoe gaat het ondertussen met jou? En met de geschiedenispassie?”

Sommige mensen vergeet ik nooit. Bijzonder knap zijn of heel intelligent, dat helpt. Maar de mensen die mij écht bij blijven, doen dat om wat ze zeggen, om wie ze zijn. En om wat ze teweegbrengen bij anderen.

Deze man is zo iemand. Zo’n vijftien jaar geleden was hij mijn godsdienst- en filosofieleraar op de hogeschool. Een buitenbeentje, plaatste overal een vraagteken achter. Niet alle studenten hadden hem graag. Hij kon als geen ander de vinger op je zwakke plek leggen. “Blijven nadenken, blijven lezen, blijven kennis vergaren.” zei hij dan. I loved it!
Met zijn filosofische vragen slaagde hij erin om mijn puberaal ronddwalende en zoekende geest weer richting te geven. Ik herontdekte de mensen om me heen. Ging met een andere blik naar het leven kijken. Kreeg weer vat op die drang naar maatschappelijke rechtvaardigheid die door mijn aderen stroomde. En stapte vol overtuiging het godsdienstonderwijs in. Een deeltijdse baan die ik combineerde met een universitaire studie Kunstgeschiedenis en Archeologie.

“Hoe gaat het met de geschiedenispassie?” vraagt ie nogmaals, geïnteresseerd. “Goed!” antwoord ik, “Die is er nog steeds!” Hij wijst met zijn kin in de richting waaruit ik gefietst kwam: “Geef je nog altijd les?” Ik bevestig: “Ja, geschiedenis… Er is alleen een tweede passie bij gekomen: lactatiekunde. Mijn passies zijn dus verruimd.” En ik wacht zijn reactie af. Die komt er niet, is ie te intelligent voor. Dus ik vervolg: “Begeleiding van moeder- en kindkoppels.” Hij denkt na… “Lacta, dat is iets met melk.” Inderdaad.

Hij vraagt hoe ik daar toe gekomen ben. Ik begin te vertellen over de voorbije wendingen in mijn leven. Over keuzes die ik maakte waardoor sommige deuren dicht gingen en andere weer open. Dat ik mijn godsdienstjob opgegeven heb bijvoorbeeld, omdat ik het gevoel had dat de meeste leerlingen het zaadje dat ik probeerde te zaaien amper de kans gaven om te ontkiemen. Dat er van thuis uit ook vaak niet voldoende voeding kwam. Dus dat dat kwetsbare kiempje van geloof bij veel leerlingen alweer verschrompeld was nog voordat ze de retorica bereikt hadden. Hij reageert verbaasd en begrijpend tegelijkertijd.

Ik leg uit dat het stichten van een gezin en het nemen van loopbaanonderbreking een enorme verfrissing en herbronning voor me geweest zijn. Dat ik vanuit die cocon van geborgenheid weer terug met open blik naar het leven kon kijken. Dichter bij de natuur kwam ook, bij de essentie van het leven: “Weet u nog dat u mij tegengekomen bent op de trein, meer dan tien jaar geleden ondertussen, toen ik nog geen kinderen had en studeerde op de universiteit?” vraag ik, “Bij het afscheid nemen waren uw laatste woorden: ‘Blijven nadenken, Katrien.’ U had gelijk. Ik heb daar in de loop der jaren nog twee dingen aan toegevoegd… Een mens moet eigenlijk maar drie dingen in het leven: blijven ademen, blijven voelen en blijven nadenken. Dat is de essentie. Al het andere vloeit daaruit voort. Op die manier doe ik ook aan lactatiekundige begeleiding: back to the basics, back to nature!”

Hij glimlacht en vertelt over zijn gezinnetje, met een pasgeboren baby. Ik zie de liefdevolle schittering in zijn ogen als hij omschrijft hoe zijn vrouw en hij uitkeken naar de komst van de baby. Dat ze daar samen mooi naar toe geleefd hadden. Het verhaal kentert als hij de borstvoeding omschrijft die niet liep zoals verwacht: “Er zijn heel veel mensen geweest die tips gaven en informatie, maar er is eigenlijk nooit iemand geweest die echt tijd voor ons heeft gemaakt.” Er klinkt verdriet door in zijn stem. Zijn vrouw heeft het er moeilijk mee gehad. En hij ook, voel ik: “Ik wou dat we iemand zoals jou gekend hadden zoveel maanden geleden, dat ik wist dat je met lactatiekunde bezig was.”

Zorgverlening, zorg verlenen vraagt tijd. Om tijd te maken voor de gezinnen die ik begeleid, boet ik aan loon in. Daar waar een zelfstandige vroedvrouw zes of meer huisbezoeken op een dag doet, plan ik er maximum twee. “Ik word rijk van mijn job als lactatiekundige.” verkondig ik, “Heel rijk!! Alleen niet in geld uitgedrukt… Had ik mijn job als leerkracht niet gehad dan zou ik financieel niet rondkomen…” En hij vraagt naar ons businessplan, waar ik volop mee bezig ben op dit moment. Er is nog werk aan.

Waar we wonen, wil hij ook weten. In de zuiderkempen, buiten het dorp. En of we een tuin hebben. Tuurlijk hebben we een tuin! “Met…?” vraagt hij. “Een uitgebreide kruidentuin, een moestuin en verschillende fruitbomen en -struiken. We proberen om zo veel mogelijk zelfvoorzienend te leven wat groentes en fruit betreft.” leg ik uit, “Met de hulp van een vrijgevige boer even verderop lukt dat aardig tijdens de zomermaanden en een deel van de winter.” Hij knikt goedkeurend.

Tijdens ons gesprek over moestuin en zelfvoorzienend leven rijden we de donkere tunnel van Antwerpen Centraal binnen. Ik raap mijn spullen bij elkaar. Als ik met mijn plooifiets en zware schoudertas bijna aan de treindeuren sta om uit te stappen, roept hij me nog na:

“Katrien, erin blijven geloven, hè!”

© 2013

Hangborsten

maandag, augustus 12th, 2013

Affiche borstvoeding

Campagne-affiche “Van borstvoeding krijg je géén hangborsten!”

Bijzondere dank aan de enthousiaste powerladies die meewerkten aan dit project!

© 2013

Proficiat!

zondag, april 21st, 2013

“Proficiat, mama, je hebt een zoontje gekregen. Hoe ga je hem noemen?” klinkt ergens vaag een opgewekte mannenstem…

Ik lig op een bed. En hoor in de verte wieltjes piepen. Wandlichten flitsen in traag, maar gelijkmatig tempo aan mijn ogen voorbij. Wazig, veraf… En alles wat ik hoor, klinkt dof. Alsof mijn zintuigen in een grote bol watten steken. Watten die alle klanken dempen, vooraleer mijn oor te bereiken. Het bed waarop ik lig, rijdt. Door een halfduistere gang. Merk ik vaag op.
Vooral één gevoel is heel duidelijk. Overheerst alle andere… PIJN!!!!! Pijn, pijn, pijn… Ik doe mijn mond open om “Arend-Jan” te zeggen, maar krijg maar één zinnetje over mijn lippen: “A… A… Auw… Ik heb pijn…” En zink weer weg in een heerlijk gevoelloos zwart gat…

Recovery
De volgende keer dat ik bij bewustzijn ben, lig ik nog steeds in dat bed. Het staat stil deze keer. Ik lig in een grote, hel verlichte zaal. Alleen. Alle andere bedden zijn leeg. Naast me klinken twee gelijkmatige piepjes. Cijfertjes en grafiekjes op een beeldscherm. Er steken infuzen in mijn arm. En twee verschillende vloeistoffen druppelen traag mijn aders in. “Dit moet de recovery zijn,” schiet door mijn hoofd. “Waar zijn de anderen? Niemand geopereerd vandaag? … Tiens… Oh ja, ’t is weekend. En waarschijnlijk al laat. Ik ben de enige vandaag…”

Ik lig te rillen van de kou. Kan er niet mee ophouden. En die pijn… “Wat is dat toch met mij? Is dat bevallen?… En waar is de verpleging??? … Oh, daar…” Enkele verpleegkundigen, of dokters, whatever, staan over een computerscherm gebogen. Ze kijken niet op of om. Het scherm vangt hun hele aandacht.
Even kijkt er eentje in mijn richting. Shit,… te laat… Hij is alweer geconcentreerd op dat schermpje. Ik wil een deken, heb het ijskoud. En pijnstilling… Geef me alstublieft wat pijnstilling, please…!

“Hé!? Halloooo?!” Ze horen me niet. Er zit een glazen wand tussen de plaats waar ik lig en hun computerlokaaltje. Ik probeer me op te richten. AAAAAAAAUUUUWWWW… Onmogelijk… Arm zwaaien? Hmmm, pijnlijk, maar het lukt.

Ben je wakker?
Na wat een eeuwigheid lijkt, komt er eindelijk iemand naar me toe gelopen. “Zo, ben je wakker?” vraagt diezelfde vriendelijke stem van daarstraks. “Hoe voel je je?”
Wat een vraag… “Niet goed. Ik heb zo’n pijn!!!” Er wordt een derde infuus aangesloten. Nog maar wat extra vloeistof door mijn aderen. En één van de andere twee infuuszakjes is aan vervanging toe.
“Wat is dat allemaal?” vraag ik bibberend. “Deze is vocht, aangesterkt met mineralen enzo. Da’s jouw eten voor de komende uren. Want je zal nog even moeten vasten. De kans op braken is nu nog te groot. En risicovol, met die buikwonde. En in deze hier zit antibiotica. Om te voorkomen dat je een ontsteking krijgt. Je hebt een keizersnede gehad, weet je dat?” Ik antwoord: “Jaja, dat weet ik nog. Mijn zoontje heet Arend-Jan trouwens.”

Er verschijnt een glimlach op smans gezicht: “Zo, die vraag herinner je je dus ook nog. Mooi zo! Je ziet er al een stuk helderder uit dan enkele uren geleden.”
Enkele úren geleden? Huh??? “Euh, hoe laat is het dan nu misschien?” “Het is al na middernacht. Je bent bijna… zes uur geleden mama geworden! Proficiat, hè! Je zoontje is kerngezond. Hij ligt op de couveuze-afdeling. Er wordt daar heel goed voor hem gezorgd. Maak je maar geen zorgen. Heb je ’t koud? Wacht even…” Hij loopt naar een kast en haalt er een grijs deken uit.

Mmmmmmm, lekker, zeg… Een behaaglijke warmte maakt zich langzaam meester van mijn lijf. Het is een verwarmd deken! En heerlijk zacht…
“Hè!?! Niet wegdoezelen! Nu moet je wakker blijven, hoor. Anders moet ik je hier nog veel langer houden. En dat wil je niet, neem ik aan, hè?!?”
Nee, nee, oké, ik doe mijn best. Wakker blijven dus. “Ik ga zo de materniteit bellen. Je lijkt me wel in orde nu. Je kan naar je kamer.”

Naar de kamer
Een half uurtje later verschijnen mijn partner en een vroedvrouw aan mijn voeteneinde. De infusen blijven zitten. De blaassonde ook. Maar al de rest van de controlezooi wordt afgekoppeld. En ik mag naar de kamer.

Tijdens het rijden verergert de pijn weer. “We komen zo voorbij de couveuze-afdeling. Wil je je zoontje even zien?” vraagt de vroedvrouw. “Nee, nee… Ik heb pijn… En ik wil slápen… Hij is daar goed. Laat hem daar maar…” En zwakjes, maar beslist, voeg ik eraan toe: “En ik geef géén borstvoeding!!!” Ik ben bekaf… En om mijn woorden kracht bij te zetten, sluit ik mijn ogen. En doe ze niet meer open. Ik ben het beu. Wil met rust gelaten worden. En slapen… Slapen, slapen, slapen… Want daar heb ik de voorbije drie dagen (of zijn het er ondertussen al vier?) geen kans toe gehad. Met al die weeën, die bekkenmanipulatie, een niet indalend kind en de slechts op een slakkengang vorderende ontsluiting… Pfffff, is dit bevallen??? Dit doe ik écht nooít meer, hoor!!!!

Couveuze
Op de kamer krijg ik nog een shot pijnstilling. En langzaamaan gaat het weer beter. De vroedvrouw verdwijnt al snel. Mijn partner neemt een stoel en gaat naast mijn bed zitten: “Ik heb hem al gezien. Mocht hem even vasthouden. Meneertje weende moord en brand. Niemand kreeg hem stil. Maar toen hij mijn stem hoorde, zweeg ie direct! Hij keek me met grote ogen aan. Alsof hij me herkende…” Hij glimlacht dromerig. En vervolgt: “Hij moet 24u ter observatie in de couveuze blijven. Ze hebben hem suikerwater gegeven.”

Als mijn partner me aankijkt, vang ik iets op wat het midden houdt tussen verdriet en medelijden. Ook hij is doodop: “Ga maar slapen. Ik ga ook naar huis nu. Ik beloof je dat ik hier morgenochtend zo snel mogelijk weer sta!” Ik krijg een kus en sluit mijn ogen. Nog voordat hij de kamer verlaten heeft, ben ik al in een diepe slaap verzonken…

Helder
Ik schrik wakker… “Hé, ik ben helder!” schiet er door mijn hoofd. “Geen watten meer in mijn kop. Wat een opluchting…” Mijn infuzen zijn bijna leeg. Dus ik druk op de rode bel. Bijna onmiddellijk staat er een nachtverpleegkundige voor mijn neus: “Zo, wakker! En? Hoe voel je je nu?” Ze verwisselt vakkundig mijn baxters. “Beter dan daarstraks. Ik kan weer helder denken. Maar ik heb wel keelpijn… Eigenlijk doet alles pijn, van mijn keel tot onder mijn middel. Is dit nu bevallen? En mijn zoontje…” Krop in mijn keel: “Ik wilde hem niet eens zien daarstraks… Ik was moe. Wilde alleen maar slapen. Heb gezegd dat ik geen borstvoeding wilde geven. Maar hij moet binnen het uur drinken! Ik weet waar ik op moet letten. Heb het opgeschreven. Het briefje steekt in mijn tas. Daar, in het voorste vakje… Hoe laat is het nu? Hij zit al keilang zonder eten!”

Ik breek… Tranen met tuiten…

“Rustig, rustig…” De semafoon van de verpleegster biept onophoudelijk. Maar ze zet hem af. Schuift een stoel bij en zet zich naast me: “Meisje toch… Je bent hier gisterenochtend binnengekomen. Met gebroken vliezen en veel bloedverlies. Met vijf mama’s waren jullie om te bevallen die dag… Ze hebben je allemaal ingehaald. Uiteindelijk bleef jij als enige over. Het schoot niet op, hè? Wat ze ook probeerden, je zoontje wilde niet indalen. Je hebt een spoedkeizersnede gehad. Onder narcose. En een hele zware bevalling achter de rug. Logisch dat je alleen maar wilde slapen… Als je wil, loop ik straks even langs de couveuze-afdeling voor je. Dan maak ik een foto van je zoontje. Wil je dat?” Ik knik bevestigend.
“En maak je nu maar geen zorgen over zijn voeding. Je hebt aangegeven dat je niet wilde borstvoeden. Dus hij heeft vast al zijn eerste flesje binnen. Als je wil, kan je starten met kolven…” zegt ze voorzichtig.

Kolven, dat is… Daar heb ik foto’s van gezien. Ik zucht. “Nee…” zeg ik stilletjes. De verpleegster legt een hand op mijn schouder en kijkt me bemoedigend aan: “Die borstvoeding komt morgen of overmorgen ook wel op gang! Probeer nu maar wat te rusten. Je hoeft je echt niet schuldig te voelen! Jullie hebben allebei een nare ervaring achter de rug. En je zoontje heeft nu meer aan een moeder die ook aan zichzelf denkt en probeert om er zo snel mogelijk weer bovenop te komen, dan aan een moeder die zichzelf wegcijfert. En binnen enkele dagen uitgeput op instorten staat. Jij gaat nu weer slapen. Ik zorg voor een polaroidfotootje. En binnen enkele uren, als de nachtploeg wisselt met de ochtendshift, komt je zoontje naar de kamer. En dan kan je rustig beslissen of je hem borstvoeding wil gaan geven of niet.” Ze vertrekt.

Is dat hem?
Een kwartiertje later staat die nachtengel weer naast me. Met twee polaroidfotootjes in de hand: “Twee voor de prijs van één.” lacht ze, “Hij bewoog net eventjes toen ik een foto wilde maken. De tweede is wel gelukt. Hier!” En terwijl ik naar de fotootjes kijk, vervolgt ze enthousiast: “Mooi manneke is het, zeg! Heel schattig! Hij heeft al twee flesjes op. Wil je toch niet…?” Ik zwijg en sluit mijn ogen. “Hij ligt ondertussen in een verwarmd bedje en niet meer in de couveuze. Straks brengen ze hem naar je toe. Gaat het een beetje met je?” Ik knik. Ze sluipt stilletjes de kamer uit.

Die fotootjes… Is dat hem? Komt dát babytje uit mijn buik? Heb ik dit kindje negen maanden bij mij gehad? Gevoeld. Is dit dat… De tranen komen weer op. Is dit moederschap??? … Oh my God…

Doorzichtig bakje
Enkele uren later rolt een vroedvrouw een doorzichtig bakje binnen. Daarin een babytje, ingeduffeld in witte lakens die afsteken tegen zijn donkere haartjes. Mijn zoontje. Neem ik aan. “Hallo! Gefeliciteerd, mama! Hier is hij, Arend-Jan. Jouw zoontje… Hij heeft nog niet gegeten.” zegt ze vriendelijk, “Zullen we…? Borstvoeding?“

Ik zucht. “Nee, geef hem maar een flesje…” Ik heb hoge koorts en voel me veel te zwak om te voeden. Ook zijn ochtendverzorging laat ik aan anderen over. De verpleging verdwijnt weer. Het babybedje zetten ze net buiten mijn armbereik. Zucht…

Ik probeer de knopjes aan de zijkant van mijn bed. Omhoog, omlaag. Dat is het niet. Hmmm, deze? Het voeteneinde gaat omhoog. Zucht… Ik voel me niet goed. Moe. Pijn… Laatste poging. Het hoofdeinde van mijn bed beweegt. Eindelijk. Oef. Met het topje van mijn wijsvinger kan ik net zijn bedrand raken. Ik trek dat doorzichtige bakje naar me toe. Fijn, het kan over mijn grote bed geschoven worden. Makkelijk.

Ik streel voorzichtig dat babywangetje en zeg: “Piep. Dag jongen.” Hij opent zijn oogjes. Wagenwijd. En draait zijn hoofdje naar me toe. Vervolgens begint hij aan mijn vinger te snuffelen. Ik glimlach.
“Oké, Katrien. Dit is jouw zoon! Dit was jóuw keuze! Je hebt hem negen maanden in je buik gedragen. En nu is hij er! En je gaat voor hem zorgen ook! Niet lullen. Geen zelfmedelijden. Doen! Zorgen! Liefhebben! Vanaf nu!” Ik geef mezelf een flinke schop onder mijn kont. Figuurlijk dan toch.

Keuze maken
Tegen de middag geef ik zelf een flesje. Met wat hulp van een vroedvrouw. De ochtend daarop komt er een kordate dame de kamer binnen: “Oké, even duidelijk wezen. Ga je borstvoeding geven? Ja?! Dan beginnen we daar nú aan! Anders geef ik je vandaag een pilletje om de melkproductie te stoppen… Wel? Wat wordt het?” Oei… Euhm… Tja… Borstvoeding dan maar?

“Oké. Mooi!” En haar toon wordt zachter. Ze helpt me met aanleggen. “Hé, wat gek?!” roep ik verwonderd. De kordate dame kijkt bezorgd: “Doet het pijn?” Ik kijk haar aan en zeg: “Nee, pijn doet het niet. Het is gewoon gek. Wat een gek gevoel, dat zuigen…”
“Maar het doet geen pijn, hè?” vraagt ze nog eens. “Nee.” bevestig ik. “Goed! Als er wat is, dan bel je, hè!” En weg is ze…

Mijn zoontje slaapt tijdens de kraamweek ’s nachts niet bij me. Ik ben nog steeds doodop… “Laat hem maar op de couveuzeafdeling slapen. Dan kan ie daar een flesje krijgen. En heb ik rust.”

De derde dag mag ik voor het eerst mijn bed uit… Om enkele uren later in de armen van mijn partner in te storten. Letterlijk. Totaal verzwakt…

Naar huis
Een week later mag ik naar huis. Mijn zoontje zit net 24u zonder kunstvoeding. En heeft urenlang gehuild. Alleen aan de borst is hij stil. Ik vraag mij af hoe ik dat ga doen… Kan amper vijf passen zetten zonder duizelig te worden. “Tja, die borstvoeding. Dat moet nog op gang komen, hè…” was de lakonieke commentaar van de verpleging.

Bij thuiskomst is daar de kraamzorg… Chris heet ze. Ze installeert me in de zetel. Legt mijn zoontje bij me. En samen met mijn man zorgt ze voor alles. Het enige wat ik moet doen, mág doen van hen… is zetelhangen en voeden.

Drie jaar later dronk onze oudste zijn laatste druppel moedermelk… Hij deelde mijn melk toen al een tijdje met twee zusjes. En is gestopt op eigen initiatief.

© 2013, verhaal uit 2007

Dagelijkse Borst!

zaterdag, april 13th, 2013

Een tijdje geleden deed ik via facebook en twitter een oproep: “Omschrijf in drie woorden wat borstvoeding voor jou betekent?”

86 moeders gaven hun antwoord door, zonder te weten wat ik met deze antwoorden zou gaan doen. Dit was hun top 5:

  • 40% Liefde
  • 27% Natuurlijk
  • 23% Binding, Band, Verbondenheid
  • 18% Uniek
  • 15% Voeding

Aangevuld tot minstens 10% lezen we ook nog: Geborgenheid, Intens, Gemakkelijk, Genieten, Puur, Rust en Samen.

Dagelijkse borst!
Bovenstaande antwoorden heb ik eind februari 2013 gebruikt tijdens de voorstelling van de promotiefilm “Dagelijkse Borst!” op het jaarlijks symposium van Borstvoeding vzw te Sint-Niklaas.

 

Borstvoeding is voor veel moeders immers een onderdeel van hun dagelijks leven. Het is een keuze die ze maken, voor korte of voor langere tijd.

Inhoud en thema’s
De film is geen expliciet educatieve borstvoedingsfilm. Er komen geen hulpverleners aan het woord en in beeld, maar de gezinnen zelf! De film is namelijk gemaakt op basis van foto’s en verhalen die we kregen van ouders, aangevuld met cartoons, interviews en filmfragmenten.

Terugkerende thema’s zijn:

  • geboorte-ervaringen,
  • betrokkenheid van de partner,
  • relatie tussen moeder en kind,
  • fier zijn op de eigen prestatie,
  • voeden in het openbaar,
  • weer gaan werken,
  • langer voeden.

Woordarm en beeldrijk
Alle beelden in de film zijn ‘borstvoedingscorrect’. Er was namelijk voldoende materiaal om bij de selectie te letten op dingen zoals aanleghouding en drinktechniek. Want ook dat is educatie… Niet door expliciet te zeggen: “Het moet zo!”, maar gewoon door te tonen hoe het moet.

Wij leven immers in een beeldcultuur… Jonge mensen zijn makkelijker te ‘pakken’ met beelden dan met taal. Vandaar de bewuste keuze voor een woordarme en beeldrijke film!

Resultaat
Onze bedoeling was om mensen te raken. En van daaruit te hopen dat de boodschap zou blijven hangen: borstvoeding is normaal en de meest logische keuze voor je kindje.

Het uiteindelijke resultaat werd een compilatie van uitspraken, foto’s, filmfragmenten, cartoons en interviews. Van en door moeders! Een film waarin geen enkel taboe uit de weg wordt gegaan, maar waarin we er wel in slagen om borstvoeding voor te stellen als gewoon, normaal en… dagelijkse borst!

© 2013

Vroedvrouw

vrijdag, februari 22nd, 2013

“Mammaah, waar gaan we ei’lijk naartoe?” hoor ik mijn peuterdochtertje vragen in het fietsstoeltje voor me.
“We gaan naar een vroedvrouw” antwoord ik. “Dat is een mevrouw die met mama’s en kleine babytjes werkt.”

Ze draait zich half naar me om en kijkt me bedenkelijk aan. “Wat gaan we daar dan doen? … Jij werkt ook met babytjes…”

Juist, het verschil tussen een lactatiekundige en een vroedvrouw…
“We gaan een pakje brengen, met kaartjes. Die mevrouw heeft daar naar gevraagd.” leg ik uit terwijl ik haar straat in fiets: “Ik werk met mama’s en kleine kindjes die mamamelk krijgen. Met babytjes, en peutertjes… of kleuters. En die mevrouw, die werkt met mama’s die een babytje in de buik hebben. Of mama’s die een babytje hebben dat pas geboren is.”

“Krijgen die babytjes mamamelk?” vraagt ze nieuwsgierig.
“Nee, niet allemaal. De meeste wel. Die mevrouw werkt ook met mama’s waarvan het kindje geen mamamelk krijgt.”
“Alle kindjes krijgen mamamelk!!” roept ze verontwaardigd.
Ik zwijg.

“Mammaah… Als ik later een mama ben en een baby in de buik heb…”
Ik bedenk dat de stem die ik enkele dagen geleden aan de telefoon hoorde, nog erg jong klonk. Een snelle berekening zegt me dat mijn dorpsgenote nog wel aan de slag zal zijn als zelfstandige vroedvrouw tegen dat mijn peuterdochtertje volwassen is. Dus ik vul aan: “Dan kan het zijn dat die mevrouw voor jou komt zorgen.”

“En… als die baby dan uit de buik is…”
“Dan ga jij een prachtige borstvoedingsmama worden!” denk ik bij mezelf.
“Dan geef ik die mama tinkeh!” zegt ze overtuigd. “Totdat mijn baby een peuter is!”
Ik glimlach… Had geen ander antwoord verwacht.

“Maar… als ik dan geen…” Ze maakt haar zin niet af. Twee bezorgde donkere oogjes kijken schuin naar me op. Borstvoeding is belangrijk voor haar… “Dan zal die mevrouw je wel helpen.” sus ik “Of ik.”

“Oké… En dan mag die baby, die peuter, bij mij slapen… In mijn bed! … En in de draagdoek!”

© 2013

Kort ziekenhuisverblijf en anesthesieadviezen bij het borstgevoede kind

dinsdag, april 3rd, 2012

Ik krijg af en toe de vraag hoe het nu eigenlijk zit met anesthesie en vastenperiode bij een baby of peuter die borstvoeding krijgt. Hieronder een overzicht van de algemene richtlijnen indien een kindje borstvoeding krijgt en kortstondig opgenomen wordt op de pediatrie-afdeling van een ziekenhuis.

Verblijf in het ziekenhuis
BabyFriendly Hospital Initiative
Handvest van de rechten van de gehospitaliseerde kinderen
Preoperatieve vastenperiode
Borstvoeding na de operatie
Melkproductie van de moeder
Bronnenmateriaal


Verblijf in het ziekenhuis

In het ziekenhuis dient men een omgeving te creëren die zoveel mogelijk aansluit op de huiselijke situatie. Je kindje wordt als een normaal kind behandeld en jullie als ouders mogen, indien medisch verantwoord, de gewone comfortzorg van thuis verder zetten. Dit zorgt ervoor dat jij en je kindje beter op elkaar reageren en minder angstig zijn. (Melnyk et al 2004)

Voor je kindje zouden tijdens de ziekenhuisopname de voedingen en het voedingspatroon zoveel mogelijk moeten aansluiten bij het patroon van de normale thuissituatie. (Riordan & Wambach 2010/4)

Als je kindje opgenomen wordt in een babyvriendelijke pediatrie-eenheid van het ziekenhuis, zal men normaalgezien met bovenstaande rekening houden. Het Babyfriendly Hospital Initiative van de World Health Organisation en Unicef is een kwaliteitslabel dat toegekend wordt aan ziekenhuizen die inspanningen leveren om de afdeling baby- en borstvoedingsvriendelijk te maken. Karakteristieken van een babyvriendelijke kinderafdeling zijn: (Riordan & Wambach 2010/4)

  1. Het ziekenhuis heeft een borstvoedingsbeleid op papier staan.
  2. Het ziekenhuis traint zijn personeel op borstvoedingsbegeleiding en – interventie. Alle medewerkers dienen hiervoor scholingen te volgen.
  3. Het ziekenhuis verschaft ouders geschreven en mondelinge informatie over de goede eigenschappen van borstvoeding.
  4. Het ziekenhuis geeft de mogelijkheid op ongelimiteerd voeden en stimuleert dus voeden op verzoek.
  5. Het ziekenhuis zorgt voor voorzieningen zodat een moeder kan kolven als de baby niet rechtstreeks aan de borst drinkt: borstkolf, kolfruimte, opslagplaats voor melk, lactatiekundige begeleiding indien gewenst.
  6. Het ziekenhuis geeft borstgevoede kinderen enkel leeftijdsgerelateerde of medisch noodzakelijke bijvoeding.
  7. Het ziekenhuis past alternatieve voedingsmethodes toe die het borstvoedingsbeleid niet in de weg staan, dus geen speentjes of flesjes.
  8. Het ziekenhuis geeft de mogelijkheid op 24u/24u rooming in voor moeder en kind. Moeder en kind worden niet gescheiden, ook niet voor onderzoeken of verpleegkundige of medische handelingen.
  9. Het ziekenhuis zorgt voor maaltijden en tussendoortjes voor de borstvoedende moeder.
  10. Het ziekenhuis zorgt voor een medicatie- en behandelingsschema dat de borstvoeding zo weinig mogelijk in de weg staat.
  11. Het ziekenhuis verschaft informatie over de mogelijkheden van borstvoedingsondersteuning en –begeleiding binnen en buiten het ziekenhuis, zowel tijdens de opname als na ontslag.
  12. Het ziekenhuis controleert dat het geschreven borstvoedingsbeleid effectief en efficiënt in de praktijk uitgevoerd wordt door alle ziekenhuismedewerkers en op alle afdelingen.

Ook het Handvest van de rechten van de gehospitaliseerde kinderen van de European Association for Children in Hospital en Unicef is zo’n kwaliteitslabel. Dit legt echter andere accenten in vergelijking met het Babyfriendly Hospital Initiative:

  1. Kinderen worden niet in een ziekenhuis opgenomen als de zorg die zij nodig hebben thuis, in dagbehandeling of poliklinisch kan worden verleend.
  2. Kinderen hebben het recht hun ouders of verzorgers altijd bij zich te hebben. Ook tijdens onderzoeken, bij verpleegkundige en medische handelingen, bij de voorbereiding en installatie in de operatiekamer en bij het ontwaken uit de verdoving.
  3. Ouders wordt accommodatie en de mogelijkheid tot overnachting naast het kind aangeboden.
  4. Kinderen en ouders hebben recht op informatie. De informatie wordt aangepast aan de leeftijd en het bevattingsvermogen van het kind.
  5. Kinderen en ouders hebben recht op alle informatie die noodzakelijk is voor het geven van toestemming voor onderzoeken, ingrepen en behandelingen.
  6. Kinderen worden in het ziekenhuis gehuisvest en verzorgd samen met kinderen in dezelfde leeftijd- en/of ontwikkelingsfase.
  7. Kinderen hebben recht op mogelijkheden om te spelen, zich te vermaken en onderwijs te genieten al naargelang hun leeftijd en lichamelijke conditie. Kinderen hebben recht op een verblijf in een stimulerende veilige omgeving waar voldoende toezicht is en die berekend is op kinderen van alle leeftijdscategorieën.
  8. Kinderen worden behandeld en verzorgd door medisch, verpleegkundig en ander personeel dat speciaal is opgeleid voor de zorg voor kinderen. Het beschikt over de kennis en de ervaring die nodig zijn om ook aan de emotionele eisen van het kind en het gezin tegemoet te komen.
  9. Kinderen hebben recht op verzorging en behandeling door zoveel mogelijk dezelfde personen, die onderling optimaal samenwerken.
  10. Kinderen hebben het recht met tact en begrip te worden benaderd en behandeld. Hun privacy wordt te allen tijde gerespecteerd.

Vraag dus bij een geplande opname van je kindje of het betreffende ziekenhuis één of beide labels behaald heeft. Op die manier verzeker je je kindje van de meest optimale begeleiding en verzorging.

Preoperatieve vastenperiode

Vooraleer je kindje onder narcose gaat, zal het een tijdje geen voeding mogen krijgen. Dit is om ademhalingsrisico’s ten gevolge van de anesthesie te  vermijden. Deze preoperatieve vastenperiode moet echter zo kort mogelijk gehouden worden.

Voor het bepalen van de duur van de vastenperiode dient men enerzijds rekening te houden met het reduceren van ademhalingsrisico’s ten gevolge van de anesthesie,  maar tegelijkertijd moet men ook het risico op uitdroging en hypoglycemie ten gevolge van het onthouden van voeding vermijden. (Riordan & Wambach 2010/4)

Voor zuigelingen heeft de American Society of Anesthesiologists daarom volgende richtlijnen opgesteld:

  • Heldere vloeistoffen tot 2 uur voor de narcose.
  • Moedermelk tot 4 uur voor de narcose. (Lawrence 2005, Cook-Sather & Litman 2006, Riordan & Wambach 2010/4)
  • Kunstvoeding en lichte maaltijd tot 6 uur voor de narcose.
  • Zware maaltijd tot 8 uur voor de narcose.

Sommige onderzoekers verkorten de preoperatieve borstvoedingsperiode zelfs nog meer en poneren dat  moedermelk tot 3 uur voor narcose de kindvriendelijkste handelswijze is. (Litman et al 1994, Schreiner 1994)

Scheiding van ouders en kindje dient altijd zo kort mogelijk gehouden worden, om stress bij beide te beperken. Je kan je borstgevoede babytje tijdens de preoperatieve vastenperiode troosten met een fopspeentje.  Je kan ook overwegen om je kindje te laten troosten door een andere vertrouwenspersoon van de familie, als je kindje jou te veel associeert met borstvoeding en je kindje niet meer bij je mag drinken. (Riordan & Wambach 2010/4)

Borstvoeding na de operatie

Postoperatief moet de borstvoeding zo snel mogelijk weer opgestart worden, van zodra de arts aangeeft dat orale voeding weer toegelaten is.  Er is geen enkele reden om moedermelk te gaan vervangen door glucosewater of om als eerste voeding glucosewater te geven. (Riordan & Wambach 2010/4) Dat betekent dat zuigelingen vaak al op de uitslaapkamer borstvoeding kunnen genieten. Met kunstvoeding en vaste voeding zal men echter langer moeten wachten.

Borstvoeding dient ook overwogen te worden als pijnreducerend middel na operaties. (Riordan & Wambach 2010/4) Het geven van borstvoeding kan troostend werken voor zowel je kindje als voor jou. Het geruststellende zuigen aan de borst kan de werking van pijnstillende medicatie ondersteunen. Onderzoek heeft immers uitgewezen dat borstvoeding tijdens en na een pijnervaring zorgt voor een verlaging van de hartslag, voor een kortere periode van huilen en voor lagere pijnscores in vergelijking met kinderen die geen borstvoeding kregen onder dezelfde omstandigheden. (Shah et al 2006)

Melkproductie van de moeder

Indien je kindje tijdelijk niet bij jou aan de borst kan drinken, zal je je melk dienen af te kolven. Idealiter minstens even vaak als dat je kindje bij jou zou drinken. Die afgekolfde melk kan aan het kindje gegeven worden wanneer de arts daar de toestemming voor geeft, maar kan ook bewaard worden voor later.


Bronnenmateriaal

Cook-Sather, S.D. and R.S. Litman (2006) “Modern fasting guidelines in children” in Best Prac Res Clin Anaesthesiol 20/3:471-481

Lawrence, R. (2005) “Lactation support when the infant will require general anesthesia: assisting the breastfeeding dyad in remaining content through the preoperative fasting period” in J Hum Lact 21/3:355-357

Litman, R. et al. (1994) “Gastric volume and pH in infants fed clear liquids and breast milk prior to surgery” in Anesth Analg 79:482-485

Melnyk, B. et al. (2004) “Creating opportunities for parent empowerment: program effects on the mental health and coping outcomes of critically ill young children and their mothers” in Pediatrics 113/6:597-607

Riordan, J. and K. Wambach (2010/4) “Breastfeeding and human lactation

Schreiner, M. (1994) “Preoperative and postoperative fasting in children” in Ped Clinics N Amer 4/1:111-120

Shah, P.S. et al. (2006) “Breastfeeding or breast milk for procedural pain in neonatesCochrane Database Syst Rev 3:CD004950

Richtlijnen van de American Society of Anesthesiologists (1999) inzake preoperatief vasten bij zuigelingen

http://www.uzleuven.be/sites/default/files/kindergeneeskunde/kindvriendelijk_ziekenhuis_brochure.pdf (geraadpleegd op 3 april 2012)

© 2012

Borstvoedingsbegeleiding van tienermoeders

zaterdag, maart 17th, 2012

Gegevensverzameling
Profiel van de tienermoeder
Leeftijd
Socio-economische achtergrond
Prematuriteit en dismaturiteit
Borstvoeding
Anatomie en fysiologie van de tienerborst
Borstklierweefsel
Samenstelling moedermelk
Melkvolume
Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden
Borstvoeding
Kunstvoeding
Prenatale begeleiding
Duur van de lactatieperiode
Postnatale borstvoedingsbegeleiding
Begeleiding op maat van de tienermoeder
Praktische en concrete voorlichting
Peer counseling
Terugkeer naar school begeleiden
Houding van de hulpverlener
Specifieke voordelen van borstvoeding bij tienermoeders
Conclusie
Bijlage: Gegevensverzameling


Onderzoek toont aan dat tienermoeders minder vaak borstvoeding geven in vergelijking met oudere mama’s. Hoe komt het dat jonge mama’s soms kiezen voor kunstvoeding? Welke factoren spelen een rol om al tijdens de zwangerschap te kiezen voor kunstvoeding of vrij snel na de bevalling borstvoeding op te geven? Kunnen we dit tij doen keren? Hoe pakken we dat concreet aan?

Gegevensverzameling

De meeste studies over borstvoeding bij tienermoeders zijn gebeurd in de Verenigde Staten. In de door mij gebruikte Amerikaanse onderzoeken bestaat de meerderheid van de onderzoeksgroep uit blanke moeders. Daar waar dat niet het geval is, vermeld ik dat in mijn artikel.
Naast Amerikaanse gegevens heb ik ook Braziliaanse, Canadese, Nederlandse en Vlaamse onderzoeksresultaten verwerkt.

Alle onderzoeken betreffen tienermoeders, met name moeders van 18 jaar of jonger. En in zo goed als alle gevallen gaat het om primiparae.

Meer details over de gebruikte onderzoeken vind je in de bijlage: Gegevensverzameling.

 Profiel van de tienermoeder

Leeftijd

De meerderheid van de Vlaamse tienermeisjes die zwanger worden is achttien jaar of ouder. In 2005 was slechts 32% geen achttien (Andries 2008), in 2010 was dat nog maar 24,4% (Krijtenburg-Kolman 2012). De overgrote meerderheid van de zwangerschappen is ongepland, maar daarom niet noodzakelijk ongewenst. Hoe ouder de zwangere, hoe vaker ze kiest voor het voldragen van de zwangerschap. Zo kiest de meerderheid van de 18- en 19-jarigen ervoor om de zwangerschap uit te dragen. (Andries 2008)

In Nederland werden 2636 onder de 20 jaar in 2009 moeder, wat iets meer dan vijf geboorten per duizend tienermeisjes betreft. (Infoportaal tienermoeders 2012) In Vlaanderen kregen 1365 meisjes onder de 20 jaar hun eerste kindje in 2006 (Vlaams Parlement 2008) en in 2010 waren dat er 1228 (Kind en Gezin 2011). Dat maakt bijna vier op duizend tienermoeders in Vlaanderen. (Vlaams Parlement 2008) Vlaanderen en Nederland scoren hiermee laag op wereldschaal.

Socio-economische achtergrond

Doorgaans gaat het in Vlaanderen om meisjes uit het beroepsonderwijs en zijn de meesten alleenstaand. (Vlaams Parlement 2008) Nederland kent een vergelijkbare situatie. Daar heeft 13% van de vroegtijdige schoolverlaters tussen 15 en 22 jaar één of meerdere kinderen, terwijl dat in die totale leeftijdgroep slechts 6% is. (Infoportaal tienermoeders 2012) Tienermoeders zijn vaker alleenstaand in vergelijking met oudere moeders. (Constance 1998, Krijtenburg-Kolman 2012) Ze belanden vaker in de armoede en worden over het algemeen dan ook tot de lagere socio-economische klasse gerekend. Eén studie, een Canadese, maakt een overzicht van de belangrijkste bron van inkomsten voor deze jonge moeders. Daaruit blijkt dat 56% onder hen een overheidsuitkering ontvangt, 39% onderhouden wordt door een ouder of voogd en slechts 5% in haar eigen inkomsten voorziet door een baan buitenshuis. (Keizer 1995) De leefomstandigheden en het opleidingsniveau maken ook dat gebrek aan zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld regelmatig voorkomt in deze groep moeders. (Constance 1998, Infoportaal tienermoeders 2012)

Prematuriteit en dismaturiteit

Door hun nog deels onvolgroeide lichaam en doorgaans ongezondere levenswijze (onevenwichtige voeding, roken, alcoholgebruik) en lager opleidingsniveau hebben tienermoeders een verhoogde kans op prematuriteit en dismaturiteit bij hun kindje. (Brown 2004, Infoportaal tienermoeders 2012) Een gegeven waar al tijdens de zwangerschap rekening mee dient gehouden te worden en waaraan de begeleiding aangepast zou moeten worden. (Krijtenburg-Kolman 2012) Mogelijk beïnvloedt dit ook de borstvoedingscijfers. Bij een kindje dat te vroeg geboren is of een te laag geboortegewicht heeft heb je immers een verhoogde kans op borstvoedingsmoeilijkheden.

Borstvoeding

Als we globaal kijken, dan start slechts 43% van de pasbevallen vrouwen jonger dan 20 jaar met borstvoeding. Ter vergelijking: In de leeftijdscategorie van 20 tot en met 29 jaar is dat 65% en bij moeders ouder dan 30 jaar zelfs 75%. (Grassley and Sauls 2012)

Kind en Gezin geeft aan dat 49% van de tienermoeders (tot 20 jaar) op dag 6 na de geboorte borstvoeding geeft. Voor vrouwen tussen de 20 en de 25 jaar is dat 57,3% en in de leeftijdscategorie boven de 25 jaar is dat 64,4%. (Kind en Gezin 2011)

Anatomie en fysiologie van de tienerborst

Borstklierweefsel

Een tienermoeder is normaalgezien perfect in staat om borstvoeding te geven. Borstklierweefsel is immers zo’n twaalf tot achttien maanden na het doorbreken van de eerste menstruatie in staat tot de aanmaak van voldoende moedermelk. (Mohrbacher and Stock 2005)

 Samenstelling moedermelk

Verschillende studies geven aan dat de samenstelling van rijpe moedermelk van tienermoeders weinig verschilt van de melk van oudere moeders. (Motil et al 1997) Toch zijn er enkele kleinere verschillen merkbaar:

  • Gemiddeld vindt men hogere natriumconcentraties in de moedermelk van tienermoeders tijdens de eerste weken postpartum. Dit heeft verder geen gevolgen voor de neonaat. (Motil et al 1997)
  • Een Braziliaanse studie geeft een gemiddeld hogere totale eiwitconcentratie in rijpe moedermelk van jonge moeders in vergelijking met de melk van oudere moeders. Mogelijk een compensatiemechanisme om de calorische waarde van de melk te handhaven, zo stellen de onderzoekers. (Brasil et al 1991) Tienermoeders geven immers gemiddeld minder voedingen per etmaal dan oudere moeders. (Motil et al 1997)
  • Verschillende studies tonen ook aan dat het voedingspatroon van tieners verschilt van dat van volwassenen (Mohrbacher and Stock 2005, Flavia et al 2008): meer inname van verzadigde vetten en minder inname van poly-onverzadigde vetten. Vooral vette vis is ondervertegenwoordigd in het tienerdieet. Het gehalte aan essentiële vetzuren (omega 3 en omega 6) in het bloed van tienermoeders is daardoor gemiddeld lager in vergelijking met dat van oudere moeders. Voldoende essentiële vetzuren zijn bij zwangerschap en lactatie echter nodig voor een optimale neurologische, visuele en vasculaire ontwikkeling van de baby. Daarnaast is een tienerlichaam nog in groei en ontwikkeling en vraagt ook daarom extra voedingsstoffen en komt het voor dat deze jonge moeders soms liever niet te veel willen aankomen in gewicht en hun figuur behouden, waardoor er bij tienermoeders een vergrote kans is op tekorten aan essentiële voedingsstoffen tijdens zwangerschap en lactatie. Toch verschilt de samenstelling van rijpe moedermelk van een tienermoeder niet als dusdanig van de melk van een oudere moeder. De natuur zorgt er namelijk voor dat de groeiende foetus en de aanmaak van moedermelk voorrang krijgen op de moederlijke behoeftes, waardoor bij een onevenwichtige of onvoldoende voedingsinname vooral de moeder nadelen zal ondervinden. (Flavia et al 2008) Extra voedingsinformatie en/of –begeleiding kan dus nodig zijn (Wambach and Cole 2000), zelfs al vanaf het moment dat bekend is dat de jonge moeder zwanger is, niet voor de baby an sich maar voor de gezondheid van de tienermoeder zelf!

 Melkvolume

Het totale volume van moedermelk van tienermoeders verschilt weinig van het melkvolume van oudere moeders. (Riordan and Wambach 2010) Een vaak voorkomende lagere melkproductie bij tienermoeders kan voornamelijk verklaard worden door de doorgaans vroegere introductie van kunstvoeding en het feit dat tienermoeders vaker de neiging hebben om minder voedingen per etmaal te geven (Mohrbacher and Stock 2005), waardoor de melkproductie achteruit loopt. Mogelijk spelen bij deze lagere melkvolumes toch ook biologische factoren een rol. Welke dat zijn moet nog verder onderzocht worden. (Motil et al 1997)

 Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden

Borstvoeding

Tienermoeders zijn meer geneigd te starten met borstvoeding als… (Brown 2004)

  • Ze iemand anders in hun omgeving, zoals een familielid of vriendin, borstvoeding hebben zien geven.
  • Ze zelf borstvoeding hebben gekregen.
  • Ze over voldoende kennis over borstvoeding beschikken.

De eigen moeder van de tienermoeder heeft uiteindelijk de grootste invloed op de keuze voor borst- of kunstvoeding. (Brown 2004)
Deze onderzoeksresultaten suggereren dat tienermoeders zich sterk laten leiden door hun omgeving bij de voedingskeuze en dat het verstrekken van informatie belangrijk is om moeders een gefundeerde keuze te laten maken. De toekomstige oma zou hierbij betrokken moeten worden.

Tienermoeders die bewust kiezen voor borstvoeding geven daarvoor volgende redenen op:

  • Gezondheidseffecten voor het kindje (Wambach and Cohen 2009)
  • Kindje dicht bij zich kunnen houden, nabijheid en het niet moeten “afgeven” aan een oppas (Wambach and Cohen 2009)
  • Betere hechting met het kindje (Wambach and Cohen 2009)

Uit onderzoek blijkt inderdaad dat een veilige hechting de kans op gedragsproblemen op schoolgaande leeftijd aanzienlijk verkleint. Aangezien kinderen van tienermoeders en van moeders uit de lagere sociaal-economische klasse meer kans hebben op een onveilige hechting, is het geven van borstvoeding bij deze groep extra belangrijk. (Brown 2004)

Een studie onder Afro-Amerikaanse tienermoeders geeft aan dat jonge moeders echter vaak ambivalent en onzeker staan tegenover de keuze tussen borst- of kunstvoeding. Borstvoeding wordt gezien als de beste keuze omwille van de gezondheidsvoordelen, maar tegelijkertijd ook als complex en moeilijk vol te houden. Terwijl men naar kunstvoeding kijkt als de vanzelfsprekende en meest eenvoudige keuze, waarbij de moeder meer vrijheid heeft. Velen wensen dan ook borst- en kunstvoeding te gaan combineren. (Wambach and Koehn 2004)

 Kunstvoeding

Tienermoeders die kozen voor kunstvoeding geven daarvoor volgende redenen op:

  • Schaamte en angst voor de pijn bij borstvoeding (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Ongerustheid over hoe borstvoeding te combineren met de thuissituatie, met school of met de werksituatie (Constance 1998, Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Anderen kunnen ook een flesje geven en de moeder heeft daardoor meer vrijheid (Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Kunstvoeding is gemakkelijker dan borstvoeding (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Zich zorgen maken dat borstvoeding te veel invloed zal hebben op de vorm en de grootte van de borsten (Mohrbacher and Stock 2005)
  • Angst om belachelijk gemaakt te worden bij het voeden in het openbaar (Constance 1998, Brown 2004)
  • Schaamte om te voeden in het bijzijn van anderen (Constance 1998, Wambach and Koehn 2004, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Ongerustheid dat borstvoeding de relatie met anderen, voornamelijk de vrienden, zal beïnvloeden (Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005)
  • Denken dat borstvoeding niet samengaat met de levensstijl (roken, alcohol, anticonceptie, uitgaan) (Constance 1998, Brown 2004, Mohrbacher and Stock 2005)
  • Gevoelens  van de partner tegenover borstvoeding (Mohrbacher and Stock 2005)
  • Negatieve ervaringen van familie en/of vrienden met borstvoeding (Constance 1998, Brown 2004)

Hulpverleners geven volgende redenen aan waarom tienermoeders niet starten met borstvoeding:

  • Laag zelfbeeld, onzekerheid (Constance 1998, Brown 2004, Riordan and Wambach 2010)
  • Kennistekort of misvattingen over borstvoeding (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2012)
  • Nog onvolgroeide cognitief-emotionele ontwikkeling, waardoor egocentrische redenen aangehaald worden zoals te tijdrovend, te moeilijk of je krijgt er lelijke borsten van (Brown 2004)
  • Denken dat het waarschijnlijkheidsprincipe (bijvoorbeeld dat hun kindje meer kans maakt op ziekte bij kunstvoeding) niet op hen van toepassing zal zijn; een denkpatroon dat typisch is voor tieners en waardoor ze de gezondheidsnadelen van kunstvoeding gaan negeren of ontkennen (Brown 2004)

Bovenstaande gegevens wijzen in de richting van onzekerheid en omgevingsdruk, naast een kennistekort bij zwangere tieners, waardoor ze om de verkeerde redenen voor kunstvoeding kiezen. Informatieverstrekking en aangepaste begeleiding vroeg in de zwangerschap of zelfs al voordat er van zwangerschap sprake is, kan een oplossing zijn. Aangezien de meeste tieners nog volop in ontwikkeling zijn wat het cognitief-emotionele betreft, zal die informatieverstrekking aan hun leef- en denkwereld moeten aangepast worden. (Riordan and Wambach 2010) Het is ook nodig om infomomenten open te stellen voor de ondersteunende naaste omgeving van de tienermoeder: (schoon)moeder, partner, goede vriendin. (Constance 1998) Meer informatie hieronder in de hoofdstukken:
–          Prenatale begeleiding
–          Postnatale borstvoedingsbegeleiding

 Prenatale begeleiding

Vele moeders nemen de beslissing tot het geven van borstvoeding al voor de zwangerschap of in het eerste trimester van de zwangerschap (Wambach and Cole 2000), maar niet al deze moeders starten uiteindelijk ook met borstvoeding na de bevalling. (Riordan and Wambach 2010) Een probleem hierbij kan zijn dat de meeste jonge moeders ongepland zwanger worden. (Infoportaal tienermoeders 2012, Krijtenburg-Kolman 2012) Mogelijk is er dus aanvankelijk een ontkenning of afwijzing van de zwangerschap, waardoor begeleiding tijdens de eerste zwangerschapsmaanden niet of ontoereikend is. (Mohrbacher and Stock 2005)

Prenatale voorlichting over borstvoeding doet 65,1% van de tienermoeders effectief starten met borstvoeding, terwijl dat bij tienermoeders die geen prenatale voorlichting kregen slechts 14,6% is. (Brown 2004) Het heeft echter geen zin om alle zwangere tieners te gaan verplichten prenatale klassen te volgen. De vrijblijvendheid van deelname aan informatiebijeenkomsten is een belangrijke factor voor tienermoeders. Zij willen serieus genomen worden en zelf kunnen beslissen of ze deelnemen aan een begeleidings- en informatieproject of niet. Professionele begeleiding bij het ouderschap zou eigenlijk ook los moeten staan van de uiteindelijke voedingskeuze. Op die manier krijg je tienermoeders het best bereikt. (Brown 2004)

Tienermoeders vragen een andere begeleidingsaanpak dan wat er in het reguliere hulpverlenersaanbod voorhanden is. Met een betuttelende of belerende houding bereik je niet het gewenste resultaat. (Mohrbacher and Stock 2005) Jonge moeders hebben nood aan ondersteuning, maar willen vooral ook serieus genomen worden. (Hertfelt Wahn et al 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Doorgaans hebben ze minder zelfvertrouwen in het eigen moederlijke kunnen in vergelijking met oudere moeders. (Constance 1998, Mohrbacher and Stock 2005) Daarom moeten ze gezien worden als experts van hun eigen situatie en geaccepteerd worden als de persoon die ze zijn. Hierbij staat niet hun jonge leeftijd centraal, maar wel hun eigen persoonlijkheid en talenten. (Hertfelt Wahn et al 2005) Tegelijkertijd dient men rekening te houden met het feit dat jonge moeders vaak snel geïntimideerd zijn door hulpverleners en mensen uit hun naaste omgeving. (Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Ze hebben meer moeite om voor zichzelf op te komen, om hun wensen kenbaar te maken en vinden het soms moeilijk om informatie of hulp te vragen omtrent zwangerschap, bevalling en borstvoeding. (Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Het is belangrijk dat deze kwetsbare groep moeders bereikt wordt, maar vooral ook dat de begeleiding die ze krijgen aangepast is aan hun specifieke socio-economische en cognitief-emotionele situatie. Deze meisjes moeten de kans krijgen om uit te groeien tot krachtige jonge vrouwen! Iets wat je niet bereikt met een belerende of overdreven sturende houding, maar wel met een respectvolle en individueel aangepaste begeleiding.

Jonge moeders zitten bijvoorbeeld nog volop in het proces tot volwassen worden, met voor velen onder hen de daarbij horende puberale egocentriciteit. Tegelijkertijd worden zij verplicht om zich te richten op hun groeiende babytje en het uitbouwen van een primaire gehechtheidsrelatie. Tienermoeders kunnen op die manier een conflictsituatie ervaren tussen de ontwikkelingsnoden van hun kindje en hun eigen ontwikkelingsnoden als tiener. Het voldoen aan beide, soms tegengestelde, noden kan een hele opgave zijn voor de tienermoeder. (Brown 2004, Infoportaal tienermoeders 2012, Krijtenburg-Kolman 2012) Bij de prenatale voorlichting kan men rekening houden met deze egocentrische denkwijze door vooral de voordelen van borstvoeding voor de moeder te benadrukken: de gezondheidseffecten, het sneller op het oude gewicht zitten, beter slapen, langer uitblijven van de menstruatie en een betere binding met de baby. (Brown 2004)
Daarnaast leven tieners meer van dag tot dag en gaat het maken van toekomstplannen soms moeilijk (Mohrbacher and Stock 2005), omdat ze zich moeten aanpassen aan een situatie die ze niet verwacht hadden. Als ze toekomstplannen maken, koesteren ze daarbij vaak onrealistische toekomstverwachtingen. (Infoportaal tienermoeders 2012)

Prenatale begeleiding en voorlichting door een getrainde peer counselor in de vorm van een getrainde contactmoeder en/of lactatiekundige doet meer zwangere tieners beslissen tot het geven van borstvoeding en zorgt er ook voor dat tienermoeders borstvoeding langer volhouden. (Constance 1998, Wambach sd) Vooral prenataal contact met tienermoeders die succesvol borstvoeding geven of hebben gegeven maakt dat tieners makkelijker leren hoe ze zelf succesvol borstvoeding kunnen geven. (Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2012) Het tonen van een borstvoedingsvideo kan vooroordelen over borstvoeding uit de weg ruimen en tieners aanzetten om positiever te denken over borstvoeding, zowel bij niet-zwangeren als bij zwangeren. (Wiemann 1998, Constance 1998) Dat kan voordelen hebben voor de moeder zelf, maar ook voor haar klasgenoten. Voorlichting van de klasgroep, bijvoorbeeld door borstvoeding een onderdeel te maken van de gezondheidseducatie of door middel van klasgesprekken of een presentatie voor de klas door de tienermoeder zelf kan helpen om de vooroordelen uit de weg te ruimen en meer begrip te creëren. Tieners zijn immers erg gevoelig voor het oordeel van leeftijdsgenoten en moeders geven aan dat de mening van hun vrienden en klasgenoten belangrijk is in hun keuze voor borst- of kunstvoeding.

Om dezelfde reden is het belangrijk om infomomenten voor zwangere tienermoeders ook open te stellen voor de mensen die deze jonge vrouwen bij hun eerste stapjes in het moederschap zullen ondersteunen: de partner, de (schoon)moeder, een vriendin,… Als de omgeving meer kennis heeft over borstvoeding, heeft de borstvoeding immers meer kans op slagen! (Constance 1998)

Hebben deze moeders een keuze voor borstvoeding gemaakt, dan kan die keuze kenbaar gemaakt worden voor alle betrokken hulpverleners door het opstellen van een geboorteplan, een document waarin de wensen en verwachtingen voor de bevalling en vlak erna genoteerd staan. Ook een wiegenkaartje kan helpen om de keuze voor borstvoeding te ondersteunen. (Krijtenburg-Kolman 2012) Een borstvoedingsvriendelijk voorbeeld van een wiegenkaartje vind je bij Kiind.nl.

Een positieve borstvoedingservaring vergroot de kans dat de latere kinderen van een tienermoeder ook borstvoeding zullen krijgen. (Riordan and Wambach 2010) Het is dus uiterst belangrijk dat zorgverleners nadenken over de manier waarop men moeders gaat begeleiden in hun voedingskeuze en hoe men die keuze ook optimaal kan blijven ondersteunen na de bevalling. Bijvoorbeeld door middel van degelijke informatie en advies, praktische hulp, mogelijkheden om de school af te maken (verlofregelingen, aangepaste schooltrajecten, financiële ondersteuning), uitkeringen, re-integratietrajecten met betrekking tot school en werk, flexibele kinderopvang en opvoedingsondersteuning. (Infoportaal tienermoeders 2012)

Duur van de lactatieperiode

Voor de Verenigde Staten zijn de borstvoedingscijfers in het algemeen bij tienermoeders lager dan bij oudere moeders. (Scanlon et al 2007) Jonge moeders starten ook minder vaak met borstvoeding. (Constance 1998, Wambach and Cole 2000) Minder dan 1/3 van de Amerikaanse jongeren start effectief met het geven van de borst. (Brown 2004)

Als we op wereldschaal kijken, dan start 43% van de pasbevallen vrouwen jonger dan 20 jaar met borstvoeding. In de leeftijdscategorie van 20 tot en met 29 jaar is dat 65% en bij moeders ouder dan 30 jaar 75%. (Grassley and Sauls 2012)

Voor Vlaanderen geven de algemene cijfers 71% starters in 2007 aan. In Nederland is dat 81% in 2007 en 75% in 2010. Van die 81% starters in Nederland ervaart dan 68% een succesvolle borstvoedingservaring één week postpartum. (van der Greft 2011, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Kind en Gezin geeft aan dat in Vlaanderen 49% van de tienermoeders op dag 6 na de geboorte borstvoeding geeft. Voor vrouwen tussen de 20 en de 25 jaar is dat 57,3% en in de leeftijdscategorie boven de 25 jaar is dat 64,4%. (Kind en Gezin 2011)

48% van de Nederlandse moeders geeft volledig borstvoeding één maand postpartum in 2007 (46% in 2010), terwijl de tienermoeders op 44,4% stranden. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Al de tienermoeders uit het onderzoek van Krijtenburg-Kolman (44,4%) houden de borstvoeding vervolgens wel vol totdat hun babytje drie maanden oud is, terwijl de algemene Nederlandse cijfers op 30% stranden voor 2007 en 29% voor 2010 en de Vlaamse cijfers uitkomen op 37% voor 2007. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

Zes maanden postpartum groeien beiden moedergroepen dan weer wat naar elkaar toe met 22,2% voor de tienermoeders en 20-25% (in 2005, 18% in 2010) voor de algemene Nederlandse borstvoedingscijfers. (van der Greft 2011, Lanting and van Wouwe 2011, Krijtenburg-Kolman 2009/2012, VLOV 2012, Stichting Zorg voor Borstvoeding 2012)

In vergelijking met oudere moeders geeft dubbel zoveel Amerikaanse tienermoeders die startten met borstvoeding al snel na het verlaten van het ziekenhuis de borstvoeding op. (Brown 2004) Ook bij ons kennen we een soortgelijke situatie. (Krijtenburg-Kolman 2009/2012) Redenen die tienermoeders aanhalen voor het stoppen met borstvoeding:

  • Aanlegproblemen (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Onvoldoende melkproductie (Constance 1998, Wambach and Cohen 2009, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Borstvoedingsonvriendelijke begeleiding tijdens de eerste dagen postpartum (Constance 1998)
  • Moeite hebben met borstvoeding in het openbaar (Constance 1998, Brown 2004)
  • Kolfproblemen (Wambach and Cohen 2009)
  • Terugkeer naar school of werk (Constance 1998, Wambach and Cohen 2009)
  • Tepel- of borstpijn (Constance 1998, Brown 2004, Krijtenburg-Kolman 2009)
  • Overweldigd zijn door de situatie (Brown 2004)
  • Frustratie (Brown 2004)

Een groot aantal moeders dat hun kindje vroeger speende dan gepland is niet op zoek gegaan naar beschikbare hulp en velen gaven aan achteraf spijt te hebben over de vroegtijdige overschakeling naar kunstvoeding. (Wambach and Cohen 2009, Krijtenburg-Kolman 2009) Individuele follow-up met extra huisbezoeken tijdens de eerste week na het ontslag uit de materniteit is nodig om de overgang naar de thuissituatie, mét continuering van borstvoeding, te ondersteunen. (Constance 1998)

Tieners zijn sneller beïnvloedbaar door de foute raadgevingen en commentaar van de omgeving, waardoor de borstvoeding meer kans heeft op mislukken. (Mohrbacher and Stock 2005) Een Amerikaanse studie onderzocht de statistische voorspelbaarheid op de slaagkans van borstvoeding (Grossman et al 1989) en kwam op volgende factoren uit die een succesvolle borstvoedingservaring zouden bevorderen:

  • De moeder heeft een middelbaar onderwijsdiploma.
  • De moeders is gehuwd.
  • De moeder heeft een blanke huidskleur.
  • Er is prenatale begeleiding opgestart in het eerste trimester van de zwangerschap.
  • De eigen moeder heeft borstvoeding gegeven aan haar dochter.
  • De partner steunt de borstvoedingskeuze.

Ook twee andere onderzoeken geven aan dat emotionele, informatieve en praktische steun van familie, vrienden en school de slaagkans van borstvoeding verhoogt. (Andries 2008, Wambach and Cohen 2009)

Postnatale borstvoedingsbegeleiding

Enkele concrete tips waarvan uit onderzoek is gebleken dat ze effectief zijn bij de borstvoedingsvoorlichting en –begeleiding van jonge moeders:

 Begeleiding op maat van de tienermoeder

Zie bovenstaande hoofdstukken:
–          Profiel van de tienermoeder
–          Factoren die de keuze voor borst- of kunstvoeding beïnvloeden
–          Prenatale begeleiding

 Praktische en concrete voorlichting

Om snel stoppen met borstvoeding te voorkomen start men best al tijdens de zwangerschap met borstvoedingsvoorlichting, bijvoorbeeld door aanleggen te oefenen met poppen, door het geven van kolfinformatie, tips over leuke borstvoedingskleding en tips over voeden in het openbaar. (Brown 2004) Om jonge moeders aan te spreken kan men erop letten dat prenten in boeken of brochures niet alleen oudere moeders, maar ook tienermeisjes tonen. (Mohrbacher and Stock 2005) Moeilijk taalgebruik is te vermijden in voorlichtingsmateriaal; met academische taal spreek je maar een klein segment van de moederpopulatie aan. (Mohrbacher and Stock 2005) Begeleiding en informatieverstrekking hoeft niet belerend en schools te zijn. (Mohrbacher and Stock 2005) Wat wel kan werken zijn rollenspelen, videomateriaal en spelletjes. (Brown 2004)

Meer informatie over begeleiding van tienermoeders tijdens de zwangerschap in een vorig hoofdstuk: Prenatale begeleiding.

 Peer counseling

Peer counseling in de vorm van getrainde contactmoeders, lokale moedergroepen en rolmodellen uit de naaste omgeving is belangrijk om tienermoeders aan te moedigen borstvoeding te starten en vol te houden. (Riordan and Wambach 2010)

Een mooi voorbeeld hiervan is de Amerikaanse Breastfeeding Educated and Supported Teen (BEST) Club in de New Future School. Tienermoeders die succesvol borstvoeding hebben gegeven informeren en ondersteunen daar andere tienermoeders, met stijgende borstvoedingscijfers tot gevolg. Zo startte 65,1% van de cursusdeelneemsters met borstvoeding, terwijl dat bij de controlegroep slechts 14,6% was. En 81,1% van de moeders in de BEST-club die startte met borstvoeding gaf op drie maanden postpartum nog (gedeeltelijk) borstvoeding, terwijl dat in de controlegroep slechts 66,9% was. Daarnaast heeft zo’n mentorsysteem tot gevolg dat tienermoeders zichzelf en hun borstvoedingservaring ook positiever gaan inschatten en tevredener zijn met hun voedingskeuze. Het project werkt zo goed omdat typische tienervragen en -twijfels aan bod kunnen komen, dingen waar het reguliere zorgverleningscircuit soms minder aandacht aan besteedt. Bovendien worden tienermoeders op deze manier uit hun isolement gehaald en hebben sociale contacten met andere moeders, wat hun welbevinden vergroot. (Brown 2004)

Vooral in de eerste zes weken postpartum zorgt extra ondersteuning ervoor om borstvoeding voor langere tijd vol te houden. (Mohrbacher and Stock 2005) Daarnaast kan het informeren van naaste familieleden en de partner ook nodig zijn om de slaagkansen te vergroten. (Riordan and Wambach 2010) Tienermoeders die hun partner, een vriendin of hun moeder meebrengen tijdens de borstvoedingsinfomomenten starten vaker met borstvoeding en geven gemiddeld ook langer borstvoeding, omdat ze meer steun uit de naaste omgeving krijgen. (Brown 2004) Bovendien wordt de morele steun dan aangevuld met praktische kennis, iets wat ook de slaagkans van borstvoeding doet stijgen. (Constance 1998)

 Terugkeer naar school begeleiden

De terugkeer naar school wordt door heel veel tienermoeders als reden aangehaald om te stoppen met borstvoeding. Daarom is het belangrijk dat leerkrachten ook wat borstvoedingsscholing krijgen of op zijn minst contact hebben met een peer-counselor die hun vragen kan beantwoorden. (Constance 1998) Soms denken leerkrachten bijvoorbeeld dat tienermoeders borstvoeding als excuus gebruiken om de lessen te missen. Een peer-counselor kan dergelijke vooroordelen weerleggen. (Brown 2004) Met de juiste ondersteuning vanuit het schoolteam zijn tieners ook beter en langer in staat om borstvoeding vol te houden. (Constance 1998)

Aangepaste uurroosters en kolf- of voedpauzes voor borstvoedende moeders bestaan wel in het arbeidscircuit, maar zijn in het onderwijs nog een grote onbekende. In die zin zijn de plannen van Vlaams onderwijsminister Smet om moederschapsverlof en thuisonderwijs te organiseren voor tienermoeders een goede zaak!

Veel jonge moeders gaan vrij snel na de bevalling weer naar school en ervaren het afmaken van hun schoolopleiding als een zware klus en moeilijk te combineren met borstvoeding. (Constance 1998) Speciale verlofregelingen, aangepaste schooltrajecten en re-integratietrajecten na de bevalling kunnen deze jonge meiden helpen om een diploma te halen. Daarnaast is er ook nood aan aangepaste kolfruimtes (Constance 1998), flexibele kinderopvang en opvoedingsondersteuning, (Infoportaal tienermoeders 2012) samen met informatie over kolven en waar kolfapparatuur te huren is. (Riordan and Wambach 2010) Instanties die kolven verhuren dienen  ook een degelijke uitleg te geven over hoe een kolf werkt. (Constance 1998)

 Houding van de hulpverlener

Een Zuidoost-Amerikaanse studie toont aan dat hulpverleners soms sceptisch staan tegenover de kans op een succesvolle borstvoedingservaring bij tienermoeders, omwille van vermeende onvolwassenheid en gebrek aan inzet. Hoe lager de scholingsgraad van de verpleegkundige of vroedvrouw, hoe sterker het geloof in vooroordelen over tienermoeders. Bijscholingen over de problematiek zijn dus nodig! (Spear 2004)

Een wanverhouding tussen de puberale onzekerheid van vele jonge moeders enerzijds en de vooroordelen bij vele hulpverleners anderzijds maakt dat tienermoeders zich snel geïntimideerd voelen door zorgverleners. Ze vinden het soms moeilijk om informatie of hulp te vragen omtrent zwangerschap, bevalling en borstvoeding. (Constance 1998, Mohrbacher and Stock 2005, Krijtenburg-Kolman 2012) Om borstvoeding te doen slagen is een vertrouwensband tussen moeder en hulpverlener dan ook erg belangrijk. (Mohrbacher and Stock 2005) Bovendien dienen hulpverleners meer te doen dan enkel moeders aan te moedigen om borstvoeding te geven. Ze zouden ook over de nodige kennis en vaardigheden moeten beschikken om tienermoeders te begeleiden en te ondersteunen met de juiste tips om de borstvoeding op het goede spoor te zetten of te houden. Aanmoedigen alleen is immers niet voldoende. (Constance 1998)

Specifieke voordelen van borstvoeding bij tienermoeders

Borstvoeding is iets wat de moeder alleen kan geven, waardoor ze haar kindje dicht bij zich kan houden en minder angst hoeft te hebben dat ze het uit handen zal moeten geven aan oma of aan een oppas. (Mohrbacher and Stock 2005) In die zin helpt borstvoeding ook om een band op te bouwen met het kindje, iets wat zeker belangrijk kan zijn bij een onverwachte of laat ontdekte zwangerschap.

Borstvoeding versterkt het zelfvertrouwen van een jonge moeder. Het kindje zien groeien en gedijen op de eigen melk en ervaren dat het kindje meestal snel getroost kan worden, kan het zelfbeeld van een aanvankelijk onzekere tienermoeder versterken. Dit heeft tevens een lange termijneffect, want deze jonge vrouwen vormen op die manier een positiever beeld van zichzelf, van volwassenheid en van het moederschap in het algemeen. (Riordan and Wambach 2010)

Tienermoeders belanden door het gebrek aan diploma en/of werk vaker in een socio-economisch lagere klasse. Het feit dat kunstvoeding veel duurder is dan borstvoeding kan dan belangrijk zijn, vooral als de moeder over geen of weinig inkomsten beschikt of niet financieel gesteund wordt door haar naaste omgeving. (Riordan and Wambach 2010)

Kinderen van tienermoeders hebben meer kans op gezondheidsproblemen, door de hogere frequentie van pre- en dismaturiteit en het vaker opgroeien in een minder gezonde omgeving in vergelijking met kinderen van oudere moeders. De immunologische kenmerken van borstvoeding kunnen voor een deel deze nadelen compenseren. (Brown 2004)

Conclusie

In Nederland krijgen elk jaar iets meer dan vijf op duizend babytjes een tienermama. In Vlaanderen gaat het om bijna vier op duizend geboortes. Door gebrek aan opleiding en beperkte inkomsten behoren deze moeders doorgaans tot de lagere socio-economische klasse. De leefomstandigheden en het opleidingsniveau maken dat gebrek aan zelfvertrouwen en een laag zelfbeeld regelmatig voorkomt in deze groep.

Ondanks het feit dat een tienermoeder fysiologisch gezien perfect in staat is om borstvoeding te geven, starten minder jonge moeders met borstvoeding in vergelijking met oudere moeders en ze schakelen ook vaker over op kunstvoeding tijdens de eerste maand postpartum.

Dat komt omdat jonge moeders zich vaak laten leiden door hun omgeving in hun keuze voor borst- of kunstvoeding. Fabels en vooroordelen over borstvoeding komen regelmatig voor. Daarnaast schaamte of angst voor het voeden in het bijzijn van anderen of in het openbaar en ongerustheid over hoe borstvoeding te combineren met school of werk. Tienermoeders krijgen soms ook te maken met aanleg- en kolfproblemen of pijn bij het voeden, factoren die de kans vergroten dat ze snel overschakelen op kunstvoeding. Degelijke voorlichting, bij voorkeur in de vorm van peer-counseling, is dan ook nodig om de borstvoedingscijfers bij jonge moeders te doen stijgen.

Praktische en concrete voorlichting van de tienermoeder zelf en aangepast aan de specifieke cognitief-emotionele ontwikkelingsfase waarin ze zich bevindt, maar ook voorlichting van haar omgeving die de tienermoeder zal bijstaan in de opvoeding van haar kindje(s): haar partner, (schoon)moeder, een goede vriendin. Bijscholing van de hulpverlening en het lerarenkorps waar de jonge moeder mee te maken krijgt kan ook nodig zijn om vooroordelen over tienerouderschap uit de weg te ruimen en ervoor te zorgen dat ze op een borstvoedingsvriendelijke manier begeleid wordt. Daarnaast kan ondersteuning bij de terugkeer naar school ervoor zorgen dat een tienermoeder haar opleiding kan afmaken en dus meer kansen krijgt op de arbeidsmarkt. Voorwaarde hierbij is wel dat de schoolinfrastructuur, de lessenroosters, het schooltraject, het lerarenkorps en de kinderopvang flexibel genoeg zijn zodat de jonge mama de borstvoeding kan continueren in een motiverende omgeving.

Begeleiding doorheen de zwangerschap en tijdens de eerste zes weken postpartum zijn cruciaal om borstvoeding meer kans op slagen te geven, maar idealiter gebeurt voorlichting zelfs al voordat een tiener zwanger is. Bijvoorbeeld als onderdeel van de gezondheidseducatie op school. Zo wordt borstvoeding gezien als een vanzelfsprekende keuze door alle partijen. Wat voordelen heeft voor de tienermoeder zelf, omdat ze zich meer gesteund weet in haar borstvoedingskeuze, maar ook voor de maatschappij in zijn geheel. Die heeft er immers alle baat bij dat alle moeders zo veel en zo lang mogelijk borstvoeding geven!

© 2012-2013


Bijlage: Gegevensverzameling

Algemeen

Andries, K. (2008) “Tiener en Moeder: Een bewuste keuze? Een belevingsonderzoek bij jonge meisjes in Vlaanderen naar de beweegredenen om moeder te worden”
Hertfelt Wahn, E. et al. (2005) “A description of Swedish midwives’ reflections on their experience of caring for teenage girls during pregnancy and childbirth” in Midwifery 23:269-278
Kind en Gezin (2011) “Het kind in Vlaanderen 2010”
Lanting, C.I. and J.P. van Wouwe (2011) “Borstvoeding in Nederland” in in Een professionele kijk op borstvoeding 7.4
Mohrbacher N. and J. Stock (2005) “Handboek Lactatiebegeleiding La Leche League”
Riordan J. and K. Wambach (2010/4) “Breastfeeding and Human Lactation”
Van der Greft, A.M. (2011) “Beleid van de overheid” in Een professionele kijk op borstvoeding 7.1
Vlaams Parlement – Vragen en Antwoorden – Nr.1 – Oktober 2008 –Profiel tienermoeder
http://www.borstvoeding.com/aanverwant/maatschappij/borstvoedingscijfers.html (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.infoportaaltienermoeders.nl/ (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.vlov.be/ (geraadpleegd op 14/03/2012)
http://www.zorgvoorborstvoeding.nl/achtergrondinformatie/borstvoedingscijfers (geraadpleegd op 16/03/2012)

 Brazilië – moeders ≤ 18 jaar

Brasil, A. et al. (1991) “Fat and protein composition of mature milk in adolescents” in Journal of Adolescent Health 12(5):365-371

Brazilië en Nederland– moeders ≤ 18 jaar

Flavia, M. et al. (2008) “Essential and long-chain polyunsaturated fatty acid status and fatty acid composition of breast milk of lactating adolescents” in British Journal of Nutrition 100:1029–1037

 Canada – moeders ≤ 18 jaar

Keizer, S.E. (1995) “Postpartum folic acid supplementation of adolescents: impact on maternal folate and zinc status and milk composition” in American Journal of Clinical Nutrition 62(2)377-384

 Nederland– moeders ≤ 25 jaar –> uitgefilterd tot ≤ 18 jaar

Krijtenburg-Kolman, S. (2009) “Onderzoek naar de keuze voor borst- of kunstvoeding bij jonge moeders”
Persoonlijke correspondentie met Sascha Krijtenburg-Kolman (februari-maart 2012)

 Verenigde Staten– moeders ≤ 18 jaar

Brown, A.L. (2004) “The effect of breastfeeding education on breastfeeding initiation rates among teenage mothers”
Constance, M. et al. (1998) “Strategies to promote breastfeeding among adolescent mothers” in Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine 152:862-869
Grassley, J.S. and D.J. Sauls (2012) “Evaluation of the Supportive Needs of Adolescents during Childbirth Intrapartum Nursing Intervention on Adolescents’ Childbirth Satisfaction and Breastfeeding Rates” in Journal of Obstetric, Gynecologic, and Neonatal Nursing 41:33-44
Grossman, L.K. et al. (1989) “Breastfeeding among low-income, high-risk women” inClinical Pediatrics 28:38-42
Motil, K.J. et al. (1997) “Lactational performance of adolescent mothers shows preliminary differences from that of adult women” in  Journal of Adolescent Health 20(6):442-449
Scanlon, K.S. et al. (2007) “Breastfeeding trends and updated national health objectives for exclusive breastfeeding – United States, Birth Years 2000-2004” in Morbidity and Mortality Weekly Report 56:760-763
Spear, H.J. (2004) “Nurses’ attitudes, knowledge, and beliefs related to the promotion of breastfeeding among women who bear children during adolescence” in Journal of Pediatric Nursing 19(3):176-183
Wambach K.A. (unpublished) “Promoting and supporting breastfeeding in adolescents”
Wambach, K.A. and C. Cole (2000) “Breastfeeding and adolescents” in Journal of Obstetric, Gynecologic and Neonatal Nursing 29:282-294
Wambach, K.A. and S.M. Cohen (2009) “Breastfeeding Experiences of Urban Adolescent Mothers” in Journal of Pediatric Nursing 24(4):244-254
Wambach, K.A. and M. Koehn (2004) “Experiences of infant-feeding decision-making among urban economically disadvantaged pregnant adolescents” in Journal of Advanced Nursing 2004 48(4):361-70
Wiemann, C. et al. (1998) “Strategies to promote breastfeeding among adolescent mothers” in Archives of Pediatrics and Adolescent Medicine 152:862-869

© 2012-2013

Onderzoek naar omgaan met afgekolfde melk op Vlaamse materniteiten

dinsdag, maart 6th, 2012

Aanleiding
Onderzoeksgroep
Onderzoeksvragen
Oorspronkelijke onderzoeksvragen
Latere uitbreiding van de onderzoeksvragen
Resultaten
Inleiding
Moedermelkdonatie
Afkolven met de hand
Sterilisatie en hergebruik
Bewaarplaats, -termijn en bewerking
Toediening van afgekolfde moedermelk
Voorlichting van ouders bij ontslag
Conclusie
Overzichtstabel onderzoeksvragen en resultaten


Aanleiding

Wetenschappelijk overzichtsartikel over moedermelkdonatie in Vlaanderen en Nederland: voornamelijk literatuurstudie

Onderzoeksgroep

Vlaanderen telt in totaal zestig materniteiten, die allen verbonden zijn aan een afdeling neonatologie. Alle zestig werden aangeschreven met de vraag of zij gebruikmaken van donormoedermelk. En of zij afgekolfde moedermelk pasteuriseren of niet.

Dertig materniteiten, de helft dus van het  aangeschreven aantal, stelden gegevens beschikbaar over hun borstvoedings- en afkolfbeleid. Dat deden ze via persoonlijke correspondentie, door middel van een brochure of via een internetpublicatie.

Onderzoeksvragen

Oorspronkelijke onderzoeksvragen

1 Gebruik van donormoedermelk als bijvoeding in Vlaamse materniteiten?

2 Pasteurisatie van moedermelk in Vlaamse materniteiten?

Latere uitbreiding van de onderzoeksvragen

1 Gebruik van donormoedermelk als bijvoeding in Vlaamse materniteiten?

2 Pasteurisatie van moedermelk in Vlaamse materniteiten?

3 Protocols rond afkolven, bewaren en behandelen van moedermelk in Vlaamse materniteiten?

4 Voorlichting van ouders na ontslag uit Vlaamse materniteiten?

Resultaten

Inleiding

Afkolven van moedermelk gebeurt in de meeste gevallen in functie van een opname van de baby op neonatologie, waarbij live borstvoeding niet altijd (volledig) mogelijk is. Afkolven gebeurt soms ook om de melkproductie in gang te zetten of in stand te houden als de baby daartoe live niet (volledig) in staat is. Er wordt getracht om de pasgeboren baby zo snel mogelijk (terug) live aan de borst te krijgen. In afwachting van volledige live borstvoeding wordt de moedermelk afgekolfd.

De oorspronkelijke onderzoeksvraag luidde:

Maakt men in Vlaamse materniteiten gebruik van moedermelkdonatie of gebeurt bijvoeding enkel met melk van de eigen moeder of met kunstvoeding (of een andere vorm van moedermelkvervanging)? En wordt afgekolfde moedermelk gepasteuriseerd of rauw aan de baby aangeboden?

Aangezien veel ziekenhuizen ruimere informatie verschaften over hun borstvoedings- en afkolfbeleid dan mijn oorspronkelijke twee vragen heb ik besloten om mijn onderzoeksvragen verder uit te breiden:

Welke protocols bestaan er in Vlaamse materniteiten rond afkolven, bewaren en behandelen van moedermelk? En welke informatie wordt er meegedeeld tijdens de voorlichting van ouders bij ontslag van de moeder uit de materniteit?

Ik heb echter niet alle materniteiten opnieuw aangeschreven met deze nieuwe reeks vragen. Vandaar dat de gebruikte gegevens voor sommige ziekenhuizen bij deze uitbreidingslijst onvolledig zijn. Dat neemt echter niet weg dat er wel een beeld te vormen is van de manier waarop men in de Vlaamse materniteiten en neonatologie-afdelingen omspringt met afgekolfde moedermelk.

Moedermelkdonatie

Geen enkel Vlaams ziekenhuis maakt gebruik van donormoedermelk als de pasgeborene om de één of andere reden bijgevoed moet worden. Bijvoeding gebeurt enkel met de afgekolfde melk van de eigen moeder of met alternatieven, zoals kunstvoeding. Momenteel loopt aan het Nederlandse Vrij Universitair Medisch Centrum (VUmc) Amsterdam een vergelijkend onderzoek tussen het gebruik van donormoedermelk en kunstvoeding als bijvoeding. Het is nog even afwachten op de resultaten van dit onderzoek vooraleer een conclusie hieromtrent te trekken. Mij lijkt het echter aannemelijk dat zal blijken dat moedermelkdonatie de voorkeur geniet op kunstvoeding wanneer er bijgevoed dient te worden.

Enkele Brusselse en Waalse ziekenhuizen maken wel gebruik van moedermelkdonatie. Meer daarover kan je lezen in een onderzoek dat recentelijk gebeurde aan de K.U.Leuven:

Cossey V., Johansson A.B., e.a. “Use of Human Milk in the Neonatal Intensive Care Unit: Practices in Belgium and Luxembourg” in Breastfeed Med 2012 Jan 27.

Afkolven met de hand

Voor zover bekend stellen alle materniteiten een elektrisch afkolfapparaat ter beschikking van moeders die hun melk om de één of andere reden dienen af te kolven. Slechts dertien op de twintig ziekenhuizen leren moeders ook met de hand afkolven tijdens de eerste 24u postpartum. Dat betreft dus 65%, een percentage dat in mijn ogen toch zou mogen stijgen tot 100%! Het lijkt mij trouwens ook nuttig dat alle borstvoedende moeders aangeleerd wordt hoe ze moeten afkolven met de hand, ook zij die volledig live borstvoeding geven. De techniek van het handmatig afkolven onder de knie hebben zorgt er immers voor dat men altijd en overal in staat is om melk af te kolven, zonder dat er een afkolfapparaat beschikbaar moet zijn. Afkolven met de hand is ook een manier om moeders vertrouwd te maken met hun moederlichaam en met hun borsten.

De eerste dagen postpartum produceert een moeder colostrum. Colostrum is slechts in kleine hoeveelheden beschikbaar. Als het kindje niet (volledig) live drinkt, dan kan het colostrum met de hand afgekolfd worden en opgevangen in een lepeltje, kopje of spuitje. Hierbij gaat minder voeding verloren dan bij het afkolven met een apparaat. Bij een afkolfapparaat blijven immers kostbare druppels aan het apparaat zelf, de leidingen of het opvangmateriaal kleven en komen dus niet bij de baby terecht. Bovendien werkt een volle lepel of (half)vol spuitje veel motiverender voor een moeder dan een minuscuul plasje melk in een grote afkolffles of -beker.

Sterilisatie en hergebruik

Slechts acht op de negentien ziekenhuizen laten de moeder (of diens partner) het afkolfmateriaal zelf steriliseren. Dat betekent dat in 58% van de gevallen moeders geen ervaring hebben met sterilisatie van hun afkolfapparaat bij ontslag uit de materniteit, omdat het personeel die handeling steeds voor zijn rekening heeft genomen. Men kan de bedenking maken dat het misschien nuttig kan zijn voor sommige moeders om de theoretische informatie die ze krijgen over schoonmaken en onderhouden van afkolfmateriaal ook daadwerkelijk minstens één maal in de praktijk te kunnen oefenen.

Anderzijds is het uit hygiënisch standpunt begrijpelijk dat men op bijvoorbeeld NICU-afdelingen één maal daags of zelfs bij elke kolfbeurt steriel wegwerpmateriaal ter beschikking stelt. Twee van de elf ziekenhuizen die dat doen bezorgen moeders voor elke kolfbeurt een nieuwe steriele afkolfset. Twee ziekenhuizen van de elf stellen twee steriele setjes per dag  beschikbaar. De overige zeven steriliseren het afkolfmateriaal één maal daags of overhandigen elke ochtend een nieuwe steriele wegwerpset.

Geen enkel ziekenhuis hergebruikt opvangbekertjes, –flesjes of spuitjes nadat de voeding aan het kindje aangeboden werd.

Bewaarplaats, -termijn en bewerking

Alle ziekenhuizen waarover gegevens beschikbaar zijn maken gebruik van een koelkast voor de bewaring van afgekolfde moedermelk. Eén ziekenhuis gaf aan dat afgekolfde melk rechtstreeks na afkolven ingevroren wordt als het om melk voor een NICU-patiëntje gaat. Dat komt omdat die melk aldaar eerst gepasteuriseerd wordt vooraleer aan het kindje aan te bieden.

Slechts één (5%) op de negentien ziekenhuizen beschikt niet over een diepvriezer om afgekolfde melk voor langere tijd te bewaren. Wat mij doet afvragen wat er dan met een eventuele kolfoverschot gebeurt?

Zestien (84%) van de negentien ziekenhuizen maakt gebruik van een melkkeuken, die enkel dient voor de bewaring en bereiding van melkvoeding, zowel kunstvoeding als moedermelk. Op drie (19%) van die zestien materniteiten met een melkkeuken mag de moeder, als ze dat wenst, ook gebruik maken van het koelkastje op haar eigen kamer voor de bewaring van haar afgekolfde melk.

In vier op de negentien ziekenhuizen is het toegelaten om kolfmelk van verschillende kolfsessies bij elkaar te gieten. Zij geven wel allen duidelijk aan dat de melk van beide kolfbeurten op dezelfde temperatuur moet zijn vooraleer samen te voegen. Vijftien (79%) op de negentien ziekenhuizen verbieden expliciet het samenvoegen van melk uit verschillende kolfmomenten.

Veertien (93%)  van de vijftien ziekenhuizen maken een onderscheid tussen a terme gezonde babytjes en babytjes die opgenomen werden op de neonatale eenheid, wat betreft behandeling van moedermelk, bewaarplaats en –termijn.

Twee op de dertig ziekenhuizen (6,6%) pasteuriseert de moedermelk vooraleer aan de baby te geven. Beide ziekenhuizen hebben een NICU-eenheid. Onderzoek over pasteurisatie van moedermelk loopt momenteel aan het Vrij Universitair Medisch Centrum (VUmc) Amsterdam (Nederland). Op conclusies daarover is het nog even wachten.

Voor wetenschappelijke conclusies over de gehanteerde afkolf- en bewaringsprotocols in de Vlaamse NICU-eenheden verwijs ik naar een onderzoek dat recentelijk gebeurde aan de K.U.Leuven:

Cossey V., Johansson A.B., e.a. “Use of Human Milk in the Neonatal Intensive Care Unit: Practices in Belgium and Luxembourg” in Breastfeed Med 2012 Jan 27.

Toediening van afgekolfde moedermelk

Indien de baby moedermelk via de orale weg toegediend krijgt, dan gebeurt dat in zeven (38,9%) op de achttien ziekenhuizen enkel door middel van een flesje met speentje, wat erg jammer is omdat deze methode zuigverwarring in de hand kan werken en de kansen op een geslaagde borstvoedingsperiode verkleint. De meerderheid van de ziekenhuizen (61,1%) probeert zuigverwarring gelukkig te voorkomen door het toedienen van moedermelk op een alternatieve manier, zoals met een cupje, spuitje of lepeltje. Pas na 24u postpartum of in één ziekenhuis zelfs pas na vijf dagen postpartum gaat men een flesje met speentje gebruiken voor het toedienen van afgekolfde moedermelk.

Voorlichting van ouders bij ontslag

In alle ziekenhuizen waarover gegevens beschikbaar zijn is een protocol beschikbaar omtrent afkolven en bewaren van moedermelk. Ouders krijgen bij ontslag ook voldoende informatie over huurmogelijkheden van kolfapparatuur en over afkolven, bewaren en behandeling van moedermelk, indien het babytje achterblijft op de neonatologie-eenheid. Alle pas bevallen moeders krijgen contactgegevens van professionele hulpverleners voor verdere borstvoedingsbegeleiding.

Informatie over borstvoedingsverenigingen en lokale moedergroepen ontbreekt echter in zes van de dertien gevallen. Dat betekent dat in 46,1% van de ziekenhuizen moeders enkel informatie krijgen over de professionele borstvoedingshulpverlening en er geen geschreven informatie verstrekt wordt over de drie Vlaamse borstvoedingsorganisaties: Borstvoeding vzw, La Leche League en Vereniging ter Bescherming en Bevordering van Borstvoeding. Dit is echt een gemiste kans!  Vooral omdat uit onderzoek gebleken is dat het net de vrijwillige borstvoedingsorganisaties zijn die het verschil maken inzake borstvoedingscijfers:

Chapman D.J.,  Morel K., Anderson A.K., Damio G. en R.  Pérez-Escamilla “Review: Breastfeeding Peer Counseling: From Efficacy Through Scale-Up” in Journal of Human Lactation vol. 26  nr. 3, 2010 (8), p. 314-326

Vrijwilligsters van een borstvoedingsorganisatie zijn vaak erg gemotiveerd om andere moeders te helpen. Bovendien hebben ze een degelijke opleiding genoten die hen in staat stelt om op een objectieve manier informatie te geven en samen met de moeder een praktijkgerichte oplossing op maat te zoeken voor borstvoedingsongemakken en -twijfels. Dankzij vrijwillige mother-to-mother-support geven moeders langer en langer exclusief borstvoeding, zo bleek uit boven vermeld onderzoek.

Begeleiding tijdens de eerste tijd  na de bevalling wordt doorgaans opgevuld door een kraamverzorgster, door huisbezoeken van de wijkverpleegkundige van Kind en Gezin of door een zelfstandig vroedvrouw, maar daarna moeten ouders het vaak alleen rooien. Als die leemte opgevuld zou kunnen worden door een lokale moedergroep of door een contactmoeder van een borstvoedingsorganisatie, dan voelen moeders zich veel meer gesteund in hun borstvoedingskeuze en overwinnen ze de kleine ongemakjes en twijfels veel makkelijker. Ook als hun kindje enkele maanden of enkele jaren oud is, hebben moeders nood aan een netwerk van gelijkgezinden. Zulk een netwerk kunnen ze uitbouwen via contacten met leden van een borstvoedingsorganisatie of via een lokale moedergroep. Elke materniteit zou dan ook hierover informatie moeten meegeven bij het ontslag!

Een ander pijnpunt is dat de verstrekte contactgegevens van de verschillende borstvoedingsorganisaties in minstens twee van de zeven instellingen verouderd zijn. Een mankement dat toch makkelijk voorkomen kan worden, lijkt mij…

Conclusie


Geen enkel Vlaams ziekenhuis maakt gebruik van donormoedermelk als de pasgeborene om de één of andere reden bijgevoed moet worden. Bijvoeding gebeurt enkel met de afgekolfde melk van de eigen moeder of met alternatieven, zoals kunstvoeding.

Alle materniteiten stellen een elektrisch afkolfapparaat ter beschikking van moeders die hun melk om de één of andere reden dienen af te kolven. 65% van de ziekenhuizen leert moeders ook afkolven met de hand in de eerste 24u postpartum. Een percentage dat in mijn ogen best mag stijgen tot 100%. Het lijkt mij nuttig dat alle borstvoedende moeders aangeleerd wordt hoe ze moeten afkolven met de hand, ook zij die volledig live borstvoeding geven.

Vrijwel alle ziekenhuizen hebben strenge protocols inzake afkolven, bewaren en behandelen van moedermelk, wat de hygiëne verhoogt en dus ook het infectiegevaar voor de baby verkleint.

De meerderheid van de ziekenhuizen probeert zuigverwarring te voorkomen door het toedienen van moedermelk op een alternatieve manier, zoals met een cupje, spuitje of lepeltje. 38,9% van de ziekenhuizen geeft de baby enkel door middel van een flesje met speentje moedermelk. Deze laatsten zouden er goed aan doen om ook minstens de eerste 24u postpartum over te schakelen op lepelvoeding, cup- of fingerfeeding.

Ouders krijgen bij ontslag voldoende informatie over huurmogelijkheden van kolfapparatuur en over afkolven, bewaren en behandeling van moedermelk, indien het babytje achterblijft op de neonatologie-eenheid. Alle pas bevallen moeders krijgen contactgegevens van professionele hulpverleners voor verdere borstvoedingsbegeleiding. Informatie over vrijwillige borstvoedingsverenigingen en lokale moedergroepen ontbreekt echter in zes van de dertien gevallen. Wat erg jammer is, omdat uit onderzoek gebleken is dat het net deze borstvoedingsorganisaties zijn die het verschil maken inzake landelijke borstvoedingscijfers!

Wetenschappelijk overzichtsartikel over moedermelkdonatie in Vlaanderen en Nederland

Overzichtstabel onderzoeksvragen en resultaten

30 materniteiten (van de in totaal 60 materniteiten in Vlaanderen: 50% respons)

Ja Nee Geen gegevens
Afgekolfde melk aan de eigen baby 30 0 0
Donatie van afgekolfde melk aan de baby van een andere moeder 0 30 0
Bijvoeding met moedermelk van een donormoeder 0 30 0
Bijvoeding met kunstvoeding indien melk van eigen moeder ontoereikend 30 0 0
Elektrische afkolfapparatuur beschikbaar(individueel of te delen met andere moeders)
28 0 2
Aanleren manueel afkolven (eerste 24u postpartum) 13 7 10
Dagelijkse sterilisatie van afkolf- en opvangmateriaal door het ziekenhuispersoneel of gebruik van nieuwe steriele wegwerp-afkolfset per 24u 11 8 11
Sterilisatie van afkolfmateriaal door de moeder of haar partner 8 11 11
Hergebruik van bewaarmateriaal 0 27 3
Kolfmelk van verschillende kolfsessies samen gieten 4 (enkel indien op dezelfde temperatuur) 15 11
Bewaarmogelijkheid van moedermelk in koelkast 27 (+1) 1 (rechtstreeks in diepvriezer voor N*) 2
Bewaarmogelijkheid van moedermelk in diepvriezer 18 1 11
Koelkast en diepvriezer enkel gebruikt voor moedermelkbewaring (melkkeuken) 16 3  (+3 koelkast op de kamer) 11
Voor bewaarplaats en -duur rekening gehouden met het
verschil tussen een a terme gezonde baby en een baby op de neonatale
eenheid (zieke of premature baby)
14 1 15
Protocols rond het afkolven van moedermelk 29 0 1
Protocols rond de bewaring van moedermelk 27 0 3
Pasteurisatie van afgekolfde moedermelk 2 28 0
Moedermelk toedienen via alternatieve methode zoals finger-, cup- of lepelvoeding om zuigverwarring te voorkomen (24u postpartum of langer) 11 7 12
Moedermelk toedienen door middel van fles met speentje (24u postpartum) 7 11 12
Verstrekken van informatie over afkolven, huurmogelijkheden en professionele borstvoedingsbegeleiding 26 0 4
Verstrekken van informatie over borstvoedingsorganisaties en moedergroepen 7 6 17
Contactgegevens van borstvoedingsorganisaties correct 2 2 3

 © 2012

Moedermelkdonatie

maandag, september 12th, 2011

Vraagmoeder
Medicatie
Borstoperatie
Te weinig klierweefsel
Niet live drinken
Adoptie
Zwangerschap
Ziekte
Donormoeder
Zuigelingenvoeding
Adviezen
Nadelen van kunstvoeding
Formal en informal milksharing
Nederlandse Moedermelkbank
Moedermelk Netwerk
Informal milksharing
Vergoeding
Afkolven, bewaren en opwarmen van moedermelk
Afkolven
Bewaren
Transport
Pasteurisatie
Opwarmen
Counceling
Conclusie

——————————————————-

© 2011

Moeders die de baby van een ander voeden, door hem live aan te leggen of door afgekolfde melk te doneren, het is iets van alle tijden en culturen.[1] Het is dan ook jammer dat informele moedermelkdonatie, sinds het ontstaan van kunstmatige zuigelingenvoeding eind 19de eeuw, langzaamaan in de taboesfeer is geraakt en de officiële Belgische en Nederlandse melkbanken in de loop van de vorige eeuw één voor één de deuren sloten. Moedermelk is en blijft immers de normale zuigelingenvoeding. Zijn er omstandigheden waarin een baby niet live kan drinken bij zijn moeder, dan zou kolfmelk van de eigen of een andere moeder als eerste alternatief naar voren geschoven moeten worden.

Dit artikel draagt bij aan het bespreekbaar maken van moedermelkdonatie voor zuigelingen. Waarom is live borstvoeding geven soms niet mogelijk of niet wenselijk? Wie kan donor worden? Waarom is donormelk te verkiezen boven kunstvoeding? Welke vormen van moedermelkdonatie bestaan er? Wat zijn de beste gebruiksomstandigheden van afgekolfde melk? Enzovoort.

Vraagmoeder


Er zijn verschillende omstandigheden te noemen waarbij het niet mogelijk of niet wenselijk is dat een moeder haar kindje (volledig) zelf voedt. Als afgekolfde melk van de eigen moeder geen uitkomst biedt of niet voldoende blijkt, dan kan donormelk een oplossing zijn. Enkele voorbeeldsituaties:

Medicatie

Neemt de moeder medicatie, dan gaat deze vaak in kleine hoeveelheden over in de moedermelk. Dat hoeft niet schadelijk te zijn voor de baby. De soort medicatie, de leeftijd en het gewicht van de zuigeling, de hoeveelheid medicinale stof in de moedermelk, het aantal voedingen, het zijn allemaal factoren waarmee rekening dient gehouden te worden. Beslist een arts dat medicatie noodzakelijk is, dan moet er in de eerste plaats gezocht worden naar een geneesmiddel dat samengaat met borstvoeding. Is dat niet voorhanden en is de moeder bijgevolg (tijdelijk) verplicht te stoppen met het geven van live borstvoeding, dan kan donormelk overwogen worden. Is het medicatiegebruik slechts tijdelijk dan kan de moeder haar melkproductie in stand houden door te kolven en haar verontreinigde kolfmelk weg te gooien gedurende de periode dat ze medicatie gebruikt.

Borstoperatie

Soms heeft de moeder een borstoperatie of -amputatie ondergaan in het verleden die de borstvoeding bemoeilijkt of belemmert. De soort operatie en de impact ervan op het borstweefsel bepaalt voor een groot stuk of borstvoeding geven nog mogelijk is en of de melkproductie nog volledig op gang kan getrokken worden. Donormelk als aanvulling of alternatieve voeding kan dan een oplossing bieden.

Te weinig klierweefsel

Het komt maar heel zelden voor, maar soms heeft een vrouw eenvoudigweg te weinig klierweefsel om haar melkproductie volledig op gang te trekken. Als lactatiekundige begeleiding geen voldoende opbrengstvergroting teweeg brengt, dan kan een aanvulling met donormelk overwogen worden.

Niet live drinken

In bepaalde omstandigheden, zoals bij een vroeggeboorte, is het kindje soms (nog) niet in staat om aan de borst te drinken. De moeder kan haar melk dan afkolven. Is haar melkproductie niet voldoende, dan kan deze tijdelijk aangevuld worden met donormelk.

Ook als een (oudere) zuigeling op de intensive care terechtkomt is live voeden niet altijd mogelijk en dient soms tijdelijk overgeschakeld te worden op kolfmelk.

Bij bepaalde handicaps waarbij het kindje problemen ondervindt met de spierspanning (hypertonie, hypotonie) of bij een ernstige gelaatsafwijking zoals een dubbelzijdige schisis kan live voeden erg moeilijk verlopen. Lactatiekundige begeleiding is in dergelijke gevallen een must. Lukt het live voeden niet, ondanks de deskundige begeleiding, dan kan afgekolfde melk van de eigen moeder als voedingsoptie voorgesteld worden, eventueel aangevuld met donormelk als de moeder niet voldoende voeding bij elkaar gekolfd krijgt.

Adoptie

Een kind dat geadopteerd wordt en nog op zuigelingenleeftijd is, kan in de meeste gevallen niet of nauwelijks moedermelk ontvangen van zijn adoptiemoeder. Als (geïnduceerde) relactatie niet lukt of geen optie is, dan is donormelk een gezondere melkkeuze dan kunstvoeding.

Zwangerschap

Als een moeder opnieuw zwanger wordt tijdens de lactatieperiode, dan bestaat de kans dat ze in de loop van de zwangerschap een melkterugloop ervaart. Het is erg moeilijk om in dergelijke omstandigheden de melkproductie weer op te krikken, omdat de zwangerschaphormonen dit tegenwerken. Als het gezoogde kind jonger is dan een jaar en/of nog niet veel bijvoeding krijgt, kan een tijdelijke aanvulling met donormelk een oplossing zijn tot aan de bevalling. Na de bevalling zal het principe van vraag en aanbod ervoor zorgen dat de moeder voldoende melk aanmaakt voor beide kinderen en is aanvulling met donormelk niet meer nodig.

Ziekte

Bij bepaalde ziektes wordt het geven van borstvoeding afgeraden omdat er besmettingsgevaar dreigt via de moedermelk. Voor een moeder die bijvoorbeeld besmet is met HIV is borstvoeding geven in westerse landen geen optie.[2]

Ook als een moeder kampt met een overmatig alcohol- of druggebruik wordt het zelf voeden van de baby afgeraden. Donormelk kan dan overwogen worden, naast andere vormen van (gezins)begeleiding.

Een lijst met overige voorbeeldsituaties is te vinden in Tully & Jones 2010.471-473 of op

http://www.moedermelknetwerk.nl/index_bestanden/vragen.html

Donormoeder


Een moeder die zich vrijwillig opgeeft om andermans kind live te voeden of extra melk af te kolven, moet in goede algemene gezondheid verkeren en bereid zijn een medische test te ondergaan als de vraagmoeder, het moedermelknetwerk of de melkbank daar om vraagt. De donormoeder gebruikt geen medicatie op permanente basis, geen recreatieve drugs en rookt niet. Haar alcoholgebruik is laag en ook het drinken van cafeïnerijke dranken blijft beperkt. Als de donormoeder plots ziek wordt en/of medicatie moet gebruiken, kan zij tijdelijk geen melk doneren.

Het kind dat de donormoeder zelf voedt is jonger dan één jaar oud of heeft ongeveer dezelfde leeftijd als dat van de vraagmoeder, alhoewel bij een groter leeftijdsverschil donormelk in de meeste gevallen nog steeds te verkiezen is boven kunstvoeding.

Uiteraard moet de donormoeder ook in de omstandigheden verkeren om een bijkomend kind (gedeeltelijk) zelf te voeden of extra melk af te kolven. Het is niet de bedoeling dat haar fysieke, emotionele of familiale situatie ernstige gevolgen ondervindt van de melkdonatie.

Zuigelingenvoeding

Adviezen

De WereldGezondheidsOrganisatie stelt dat wereldwijd alle betrokken partijen zoveel mogelijk inspanningen zouden moeten doen om kinderen toegang te geven tot moedermelk. Zij raden moeders aan om hun babytje zes maanden exclusief borstvoeding te geven en daarna de borstvoeding te continueren, in combinatie met vaste voeding,  totdat het kindje minstens twee jaar oud is. Moeder en kind moeten de kans krijgen om door te gaan met borstvoeding zolang zij zich daar beide goed bij voelen. De natuurlijke speenleeftijd van een mensenkind ligt immers ergens tussen de twee en de zeven jaar oud, met een wereldwijd gemiddelde van iets meer dan vier jaar oud.

Ook de American Academy of Pediatrics raadt aan om babytjes zes maanden exclusief borstvoeding te geven en daarna moedermelk te combineren met vaste voeding tot minstens de eerste verjaardag. De AAP stelt expliciet dat er geen maximumleeftijd voor borstvoeding is en dat er geen enkel wetenschappelijk bewijs bestaat voor mogelijke nadelige gevolgen op psychologisch of ontwikkelingsvlak als een kind van drie jaar of ouder nog borstvoeding krijgt.

Zowel de WereldGezondheidsOrganisatie als de American Academy of Pediatrics raden moeders aan om hun zuigeling zoveel mogelijk live borstvoeding te geven. Is live voeden niet mogelijk, dan is kolfmelk van de eigen moeder de tweede optie. Als derde mogelijkheid wordt donormelk van een andere moeder genoemd en pas als allerlaatste optie kan kunstvoeding overwogen worden.

Nadelen van kunstvoeding

Geen borstvoeding geven houdt zowel voor de baby als voor de moeder gezondheidsrisico’s in.
Bovendien is kunstvoeding, in vergelijking met borstvoeding, een stuk belastender voor maatschappij en milieu. Als een zuigeling niet in de mogelijkheid is om live aan de borst te drinken, dan is kolfmelk van de eigen of een andere moeder dan ook in bijna alle gevallen te verkiezen boven kunstvoeding.

Enkele belangrijke nadelen van kunstvoeding voor de gezonde voldragen baby op een rijtje[3]:

Kunstvoeding is minder rijk van samenstelling in vergelijking met moedermelk. Kunstvoedingsfabrikanten voegen aan hun product wel bepaalde stoffen, zoals vitamines en mineralen, toe die ook in moedermelk voorkomen en waarvan bewezen is dat ze de gezondheid van de zuigeling ten goede komen. Die toegevoegde stoffen zijn echter van kunstmatige oorsprong en worden door het babylijfje minder goed opgenomen dan hun natuurlijke tegenhanger uit moedermelk. Bij de bereiding van kunstvoeding kan de hoeveelheid ervan ook verminderen. Daardoor hebben baby’s die kunstvoeding krijgen meer kans op bloedarmoede en ijzertekorten.

Om dergelijke tekorten op te vangen gaat de fabrikant dan weer te veel vitamines en mineralen toevoegen aan zijn product, wat de verwerking onnodig zwaar maakt voor baby’s organen. Omdat de meeste mineralen ook nog eens uit zouten bestaan kan die toevoegingsoverschot ervoor zorgen dat kunstgevoede baby’s een grotere behoefte hebben aan vocht en dus ook een grotere kans op uitdroging bij ziekte.

Moedermelk heeft al die samenstellingsmoeilijkheden niet en is veel evenwichtiger van samenstelling in vergelijking met kunstvoeding. Alle voedingsstoffen in moedermelk worden optimaal opgenomen, zodat een te veel niet nodig is, wat een stuk minder belastend is voor baby’s organen.

Moedermelk bevat levende antistoffen tegen allerlei ziektekiemen, zowel van virale als van bacteriële oorsprong, en bevat stoffen die de natuurlijke afweer van het kind helpen opbouwen. Kunstvoeding bevat deze stoffen niet. Een baby die tijdens zijn eerste levensjaar kunstvoeding krijgt, is dan ook slechter beschermd tegen diverse ziektes zoals luchtweginfecties, spijsverteringsziektes, urineweginfecties, hersenvliesontsteking, enzovoort.

Daarnaast versterken de beschermingsbestanddelen van moedermelk vaak elkaars werking en helpen ze het effect van vaccinaties verbeteren. Dat versterkingseffect heb je bij kunstvoeding niet. Baby’s die kunstvoeding krijgen, zijn dan ook gemiddeld meer en ernstiger ziek dan borstgevoede kinderen. Ze worden vaker opgenomen in het ziekenhuis en verblijven daar ook langer.

Zelfs op latere leeftijd heeft een kunstgevoede baby meer kans op gezondheidsproblemen. Bijvoorbeeld een grotere kans op het ontwikkelen van allerhande allergieën, reuma, diabetes, multiple sclerose, obesitas, hart- en vaatziektes, enzovoort. Krijgt een borstgevoede baby toch last van bijvoorbeeld allergieën, dan zijn de klachten vaak minder ernstig dan wanneer hij met kunstvoeding zou gevoed zijn.

Formal en informal milksharing

Nederlandse Moedermelkbank

Zowel de WereldGezondheidsOrganisatie als de American Academy of Pediatrics stelt dat alle zuigelingen, maar in het bijzonder te vroeg geborenen recht hebben op het krijgen van moedermelk. Kunstvoeding heeft, zeker voor deze allerzwaksten, immers specifieke nadelen: een grotere kans op het ontstaan van necrotiserende enterocolitis, een slechtere longrijping, een lagere ijzeropname, een ongunstige beïnvloeding van de botdichtheid en een gebrek aan levende stoffen, zoals afweercellen. Daarnaast blijven de algemene nadelen van kunstvoeding uiteraard ook gelden voor te vroeg geborenen.

Moeders van te vroeg geborenen worden dan ook sterk aangemoedigd om borstvoeding te geven of af te kolven als live voeden (nog) niet lukt. Niet al deze moeders zijn echter in staat om vanaf het begin voldoende melk te produceren voor hun kindje. Anderen willen wel borstvoeding geven, maar zien zich door omstandigheden zoals ziekte of medicatiegebruik (tijdelijk) genoodzaakt om hun kindje te voeden met kunstvoeding. In beide gevallen zou donormelk een oplossing kunnen zijn.

Vanuit die gedachte is men een aantal jaar geleden dan ook gestart met de oprichting van een moedermelkbank in het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. De organisatie van de Nederlandse Moedermelkbank werd eind 2010 overgenomen door het Vrij Universitair Medisch Centrum (VUmc) Amsterdam. Sinds mei 2011 is men aan het VUmc gestart met het screenen van donormoeders en verzamelt een koeriersdienst ook effectief donormelk in bij gescreende donormoeders in de regio Rotterdam-Amsterdam. Donormoeders buiten deze regio worden verwacht hun melk zelf naar het medisch centrum te brengen.

De moedermelk die gedoneerd wordt aan de Nederlandse Moedermelkbank wordt voorlopig enkel in het kader van wetenschappelijk onderzoek gebruikt, waarbij men de effecten van donormelk gaat vergelijken met deze van kunstvoeding. De melk wordt aangeboden aan de zuigelingen die meedoen aan het onderzoek en die opgenomen werden op de deelnemende Intensive Care Neonatologie-afdelingen, verspreid over heel Nederland. Als het onderzoek uitwijst dat donormelk te verkiezen is boven kunstvoeding, dan is het de bedoeling dat op termijn de opgeslagen melk beschikbaar zal zijn voor alle Nederlandse pasgeborenen die geen melk van hun  eigen moeder kunnen ontvangen; waarbij dan prioriteit zal gegeven worden aan prematuur geboren en erg zieke babytjes.

Moedermelkdonatie via een melkbank is een vorm van formal milksharing, waarbij strenge controles van kracht zijn. Donormoeders doorlopen een hele procedure (aanmelding via mail, telefonisch intakegesprek, live keuringsgesprek, bloedafname, instructiefilms bekijken en naslagwerk lezen) vooraleer ze hun melk effectief kunnen schenken aan de melkbank. Zowel de donormoeders als de melk die ze doneren worden grondig medisch onderzocht op mogelijke virussen en bacteriën om overdracht van ziektes uit te sluiten. Een donormoeder ondergaat elke drie maanden opnieuw een bloedcontrole en haar melk wordt zelfs bij elke donatie opnieuw getest.

Een moeder die haar melk wil doneren aan de Nederlandse Moedermelkbank moet helemaal gezond zijn, mag geen medicatie nemen en ook absoluut geen recreatieve drugs gebruiken of gebruikt hebben. Haar alcohol-, cafeïne-, kruidenpreparaten- en vitaminepreparaten-verbruik moet laag tot zeer laag zijn, ze mag geen vermageringsdieet volgen en tijdens haar hobby of werk niet in aanraking komen met gevaarlijke stoffen. Melk in melkbanken wordt immers vaak gepoold, waardoor de voeding voor één zuigeling kan bestaan uit melk van verschillende donoren. Om te vermijden dat zo’n voeding een cocktail wordt van verschillende kleine hoeveelheden van allerhande medicijnen en gifstoffen moet donormelk dus zo zuiver mogelijk gehouden worden.

De Nederlandse Moedermelkbank legt geen minimum- of maximumhoeveelheden op voor donatie. Donormelk moet wel direct na het afkolven ingevroren worden en de donormoeder dient wekelijks de temperatuur van haar diepvries te controleren. Binnen de vier weken na het afkolven wordt de melk bij het VUmc verwacht.

Als een moeder haar melk doneert aan de Nederlandse Moedermelkbank, dan wordt deze steeds gepasteuriseerd. Door de verhitting tijdens het pasteurisatieproces gaat een deel van de goede eigenschappen van rauwe moedermelk verloren, maar zelfs dan blijft donormelk een prima zuigelingenvoeding met een sterke voedingswaarde en afweercapaciteit, die niet te vinden is in kunstvoeding.

Moedermelk Netwerk

Het Moedermelk Netwerk verzamelt geen donormelk, maar is een databank waarin Nederlandse en Vlaamse donor- en vraagmoeders aan elkaar gelinkt worden op regionaal vlak.

Een melkvraag aan het Moedermelk Netwerk moet steeds vergezeld worden van een attest van iemand uit de gezondheidssector, zoals een arts, een lactatiekundige of een vroedvrouw/verloskundige. En de donormoeder moet akkoord gaan met een bloedonderzoek om na te kijken of ze gezond en vrij van ziektekiemen is en een uitgebreide anamnese over haar leefwijze en voedingsgewoontes ondergaan. Als bloedonderzoek (hepatitis B en C, HIV 1 en 2, CMV, syfilis en transaminase screening)  en anamnese gunstig uitvallen wordt er in haar omgeving een moeder gezocht die vragende partij is voor donormelk. De vraagmoeder zorgt dan voor de bewaarmaterialen en regelt het transport van de moedermelk. Het Moedermelk Netwerk bezorgt beide partijen een geschreven protocol over hoe de donormelk moet behandeld worden en biedt, indien gewenst, gratis lactatiekundig advies aan voor zowel donor- als vraagmoeder.

Moedermelkdonatie via het Moedermelk Netwerk is een vorm van semi-formal milksharing. Het netwerk eist een bloedtest en anamnese van de donormoeder en stelt minimumeisen voor de hoeveelheid melk die er gedoneerd wordt: bij eenmalige donatie minstens 13 liter en bij langdurige donatie minstens 200ml per dag. Maar het opstellen van verdere afspraken of bijkomende voorwaarden laat het netwerk over aan vraag- en donormoeder. Het Moedermelk Netwerk voorziet wel een aantal sterk aanbevolen richtlijnen met betrekking tot het kolven, de bewaring en het vervoer van de moedermelk.

De donormelk wordt dus niet aan het netwerk zelf geschonken, maar rechtstreeks aan de vraagmoeder. Dat maakt dat de melk niet bacterieel getest wordt, zoals bij melkbanken wel gebeurt.

Heb je een voorraadje melk in je diepvries steken of kamp je met een overproductie waar je geen weg mee weet, dan kan je er dus voor kiezen om die melk aan het Moedermelk Netwerk te schenken. Uit veiligheids- en hygiëneoverwegingen wordt vraagmoeders wel aangeraden om oude melk  steeds te pasteuriseren.

Informal milksharing

Men kan op verschillende manieren aan informeel melkdelen doen. De eenvoudigste manier is wanneer iemand het kindje van een kennis of familielid eenmalig of gedurende een langere periode voedt of kolfmelk afstaat. Via internet bestaan er ook heuse virtuele gemeenschappen waar men melk kan aanbieden of vragen, bijvoorbeeld initiatieven als Human Milk for Human Babies (HM4HB) of Eats on Feats. Via Facebook kan je op zoek gaan naar een lokaal initiatief en daar je melkvraag of –aanbod posten. Voor België zijn dat http://www.facebook.com/Hm4HbBelgium en http://www.facebook.com/EatsonFeetsNederland. Heb je een match gevonden met iemand, dan maak je via privéberichtjes verdere afspraken, bijvoorbeeld over hoe de donormelk bij de vraagmoeder zal terechtkomen. Op de concrete uitwisseling, die op vrijwillige basis gebeurt, is geen externe controle, maar een handeltje drijven in moedermelk via deze internetgemeenschappen wordt niet gewaardeerd. Goede tips voor de communicatie en onderhandeling tussen donor- en vraagmoeder vind je bij MilkShare van Kelley Faulkner:

http://milkshare.birthingforlife.com/donationetiquette en http://milkshare.birthingforlife.com/donorscreening.

Bij informal milksharing worden van bovenaf geen protocols opgelegd inzake hygiënische behandeling van de melk en controle op mogelijke ziektekiemen, zoals HIV 1 en 2, hepatitis B en C, syfilis, HTLV en CMV , of andere giftige stoffen zoals medicatie of drugs. Informeel melkdelen gebeurt dan ook op basis van vertrouwen. Ben je donormoeder dan beslis je zelf of je ingaat op de vraag en de voorwaarden van een vraagmoeder en hoeveel melk je aanbiedt. Ben je vraagmoeder dan stel je je eigen voorwaarden op en beslis je zelf of je de gedoneerde melk pasteuriseert of niet.

Alhoewel ze erg klein zijn, zijn aan informal milksharing dus enkele mogelijke risico’s verbonden, wat dan ook de reden is voor sommige organisaties, zoals de American Academy of Pediatrics, om deze vorm van moedermelkdonatie af te raden. Met pasteurisatie in de vorm van flash-heating kan men echter de gezondheidsrisico’s, zoals een mogelijke overdracht van ziektekiemen, voor de zuigeling sterk verkleinen. Ook na pasteurisatie bevat moedermelk nog voldoende voedingswaarde en afweercapaciteit om te verkiezen boven kunstvoeding. De WereldGezondheidsOrganisatie moedigt moedermelkdonatie dan ook aan, ook als deze via informele weg gebeurt.  De kans op een kleine verontreiniging met medicatie, alcohol, nicotine, etcetera, van informeel uitgewisselde donormelk is nog steeds vele malen kleiner dan de kans op de mogelijke gezondheidsrisico’s die kunstvoeding met zich meebrengt.

Vergoeding

Moedermelkdonoren worden normaalgezien niet betaald. Bij melk waarvoor geld betaald wordt, bestaat immers de kans dat ermee geknoeid is of dat de donormoeder niet helemaal eerlijk is over haar gezondheidstoestand of leefwijze. Het gratis verstrekken van donormelk  geeft met andere woorden een bijkomende garantie op melk die vrij is van ziektekiemen en gifstoffen. Het is dus niet de bedoeling dat vrouwen een handeltje gaan opzetten met hun melk. Moedermelkdonatie moet een vorm van liefdadigheid blijven en niet uit zijn op winstbejag.

Onkosten die de donormoeder maakt, worden echter wel vergoed. De Nederlandse Moedermelkbank van het VUmc betaalt de noodzakelijke medische controles, stelt afkolfapparatuur, opvangmateriaal, flesjes en etiketten gratis ter beschikking van de donormoeders en haalt de donormelk via een koeriersdienst op of betaalt de reiskosten van de donormoeder terug. Ook het Moedermelk Netwerk zorgt voor een terugbetaalsysteem van de medische controles, de flesjes en de reiskosten als de donormoeder haar melk zelf brengt naar de vraagmoeder. Bij informele melkdonatie bepalen donormoeder en vraagmoeder in onderling overleg hoe en in welke mate de onkosten vergoed zullen worden.

Afkolven, bewaren en opwarmen van moedermelk


Om de voedingswaarde en de afweercapaciteit van moedermelk zoveel mogelijk te behouden, moet het afkolven, bewaren en opwarmen ervan in zo gunstig mogelijke omstandigheden gebeuren.

Afkolven

Afkolven moet in de eerste plaats hygiënisch gebeuren. De donormoeder wast zich dagelijks, waarbij ze haar borsten afspoelt met water. Vooraleer ze gaat kolven, maakt ze haar polsen, handen en vingernagels grondig schoon met water en zeep. Afdrogen gebeurt met een schone handdoek of met papieren wegwerpmateriaal.

Ook de onderdelen van het kolfapparaat die in contact komen met de melk, evenals de luchtslangen bij sommige kolfapparaten, worden voor elk gebruik schoongemaakt in een heet sopje, afgespoeld onder heet stromend water en één maal daags uitgekookt, gesteriliseerd of afgewassen in de vaatwasser op minstens 65°C. Alle onderdelen worden na het afwassen of uitkoken/steriliseren gedroogd aan de lucht en niet afgedroogd met een handdoek.

Het eerste straaltje melk wordt met de hand gekolfd en weggegooid. Daarna kolft men verder met de hand of met een kolfapparaat. Tips om het kolven te vergemakkelijken vindt men op http://borstvoeding.aardig.be/borstvoedingstips/kolven/.

Bewaren

Moedermelk bewaart men het best in een afsluitbare plastieken of glazen container, die goed schoon is en bij voorkeur gesteriliseerd of uitgekookt.  Men gebruikt geen poly-ethyleen (PET)-plastic als container en plastieken bewaarcontainers zijn best bisfenol A (BPA)-vrij. De melkcontainer mag niet helemaal gevuld worden, er moet twee tot drie centimeter plaats gelaten worden tot de rand. Portioneer de melk met 50-120ml per container.

Hoe langer men moedermelk bewaart, hoe meer kans men heeft dat de voedingswaarde en de afweercapaciteit gedeeltelijk verloren gaan. Hou de bewaartijd dus zo kort mogelijk. Voor eigen gebruik is verse of gekoelde melk te prefereren boven ingevroren melk. Verse melk kan minstens vier uur veilig bewaard blijven op kamertemperatuur (19-26°C) en zo’n 72u lang in de koelkast (< 4°C).[4] Gepasteuriseerde melk moet onmiddellijk ingevroren worden. Doet men dat niet, dan bewaart men ze in de koelkast en biedt ze binnen de 24u aan de zuigeling aan. Na pasteuriseren zijn de meeste anti-infectueuze eigenschappen van moedermelk immers vernietigd en treedt er snel bacterievorming op bij bewaring in de koelkast, vandaar dat men gepasteuriseerde melk zo snel mogelijk aan de zuigeling moet aanbieden of onmiddellijk dient in te vriezen.

Ga je je melk doneren, dan geniet ingevroren melk de voorkeur. Invriezen dient binnen de 24u na het afkolven te gebeuren, op voorwaarde dat de melk onmiddellijk na het afkolven in de koelkast geplaatst werd. Bewaren van moedermelk in de diepvriezer kan veilig tot drie maanden lang op -18°C tot -20°C. Ingevroren melk die in de koelkast geplaatst werd, kan maximaal 24u bewaard worden. Na volledige ontdooiing moet de melk zo snel mogelijk aan het kindje aangeboden worden.

Melk die binnen een tijdsbestek van 24u afgekolfd werd en onmiddellijk in de koelkast geplaatst werd, mag samen gegoten worden in één container. Voor de bewaringstermijnen mag men enkel rekening houden met het tijdstip van de eerste afgekolfde melkportie.

Verse moedermelk mag bij een ingevroren portie gevoegd worden op voorwaarde dat de laatst afgekolfde melk minstens een uur lang in de koelkast geplaatst werd en kleiner in hoeveelheid is dan de reeds ingevroren portie.

Transport

Gaat men melk transporteren, dan mag de koelketting niet doorbroken worden. Dat betekent dat afgekolfde melk in een koelbox dient vervoerd te worden, met koelelementen tussen de containers. Ingevroren melk mag tijdens het vervoer niet ontdooien, ook niet gedeeltelijk.

Pasteurisatie

Om mogelijke virussen, bacteriën en schimmels in moedermelk te desactiveren en tegelijkertijd de voedingswaarde en afweercapaciteit van moedermelk relatief goed te behouden, kan men melk gaan pasteuriseren. Er bestaan verschillende pasteurisatiemethodes, twee eenvoudige voorbeelden:

Flash-heating
Een methode die men makkelijk thuis kan uitvoeren en waarbij relatief weinig goede eigenschappen van moedermelk vernietigd worden, heet flash-heating of high-temperature short-time pasteurization. Hierbij gaat men de melk gedurende 5-15 seconden op een temperatuur van ongeveer 72°C houden. In een huis-tuin-en-keuken-setting bekomt men dit door containers met 50-150ml moedermelk au bain marie in een pan met koud water te plaatsen, waarbij het water net iets hoger staat dan de melk. Breng nu het water aan de kook op een hoog vuur. Van zodra het water in de pan kookt, haalt men de pan van het vuur en laat men het water afkoelen, met de melkcontainers er nog in. Eens op kamertemperatuur is de moedermelk klaar voor gebruik of invriezing.

Pretoria pasteurisatie
Ook de pretoria pasteurisatie van moedermelk is een eenvoudige methode die thuis gemakkelijk toegepast kan worden. De melk wordt gedurende minstens 10 minuten op een gemiddelde temperatuur van 56-62°C gehouden. In de praktijk betekent dit dat men een hoeveelheid water aan de kook brengt en de pan dan van het vuur haalt. Onmiddellijk na het koken plaatst men de afgesloten containers met verse of ontdooide moedermelk 15 minuten lang au bain marie in het gekookte water. Het water komt daarbij op hetzelfde niveau als de melk in de container. Na het pasteuriseren wordt de melk snel afgekoeld onder koud stromend water of in de diepvriezer, waarna het gereed is voor gebruik of verdere invriezing.

Opwarmen

Vooraleer men afgekolfde melk gaat behandelen, dient men eerst de polsen, handen en vingernagels grondig schoon te maken met water en zeep. Afdrogen gebeurt met een schone handdoek of met papieren wegwerpmateriaal.

Ingevroren moedermelk wordt bij voorkeur langzaam ontdooid, achteraan in de koelkast. Bij het opwarmen voor de voeding dienen hotspots in de melk vermeden te worden. Zowel au bain marie als met een flessenwarmer dient de opwarming dus geleidelijk en gelijkmatig te gebeuren, op een lage opwarmstand. Moedermelk mag nooit rechtstreeks in een pan op het vuur opgewarmd worden en ook het gebruik van een magnetron wordt afgeraden, omdat de kans op hotspots en verlies van voedingsstoffen daarbij te groot is. Na volledige ontdooiing moet de melk zo snel mogelijk aan de zuigeling aangeboden worden (ten laatste binnen de 9 uur na ontdooiing). Werd de kolfmelk uit de diepvries gehaald en ter ontdooiing in de koelkast geplaatst, dan dient deze binnen de 24u aan de zuigeling aangeboden te worden.

Afgekolfde melk kan na verloop van tijd zepig gaan ruiken, dat heeft echter geen invloed op de kwaliteit van de moedermelk. Ook de opsplitsing in een witromige bovenlaag en een waterigere onderlaag is normaal. Zwenk de melk even na het opwarmen, zodat beide lagen zich weer mengen met elkaar.[5]

Niet opgedronken, maar reeds opgewarmde melk mag niet meer opnieuw opgewarmd worden en dient binnen het uur opgedronken te worden, anders is ze niet meer geschikt voor consumptie en moet helaas weggegooid worden of verwerkt als badmelk of flensjes voor oudere broers of zusjes.

Counceling


Als een moeder aangeeft dat ze onvoldoende melk aanmaakt voor haar kindje(s) is het in de eerste plaats aangewezen om haar uitleg te geven over het principe van vraag en aanbod en tips te verschaffen hoe ze de melkproductie kan verhogen.

In het geval dat bijvoeding noodzakelijk is, moet een consulente het Nederlandse Moedermelk Netwerk, dat ook in Vlaanderen actief is, kenbaar maken als mogelijkheid, zodat de vraagmoeder goed geïnformeerd een keuze kan maken tussen donormelk of kunstvoeding.

Informal milksharing actief gaan promoten is wellicht geen aanrader, maar het moet ook niet in alle gevallen verzwegen worden. Vraagt een moeder ernaar, dan kan haar de wegen getoond worden naar acties als Human Milk for Human Babies en Eats on Feets, waarbij haar uiteraard gewezen wordt op mogelijke afspraken en veiligheidsmaatregelen die de gezondheidsrisico’s voor de zuigeling tot een minimum beperken.

Conclusie


Moedermelkdonatie is vandaag de dag vrijwel onbekend bij hulpverleners en ouders van jonge kinderen. Het is echter een prima manier om kinderen de goede eigenschappen van moedermelk mee te geven als de eigen moeder (tijdelijk) niet in staat is om borstvoeding te geven of haar melk af te kolven. Moedermelkdonatie is in bijna alle gevallen te verkiezen boven kunstvoeding. Bij melkdonatie die op een verantwoorde manier gebeurt blijven de gezondheidsrisico’s heel beperkt. Gonneke Van Veldhuijzen-Staas, één van Nederlands bekendste lactatiekundigen en oprichtster van Eurolac Lactatiekunde, verwoordt het zo:

“De risico’s van het delen van moedermelk kunnen vrijwel volledig worden ingedamd door veilig te werken bij het verzamelen, bewaren en geven van de melk. Een groot deel van de gevaren van kunstvoeding zijn inherent aan de kunstvoeding zelf en kunnen door zorgvuldig handelen niet worden beperkt. Overheden en (borstvoeding-) organisaties die zich sterk keren tegen informele vormen van het delen van moedermelk, zouden zich beter kunnen richten op het promoten van veilige manieren om dit te doen en het voorlichten over de reële en niet te vermijden gevaren van kunstvoeding.” (http://eurolac.blogspot.com/2011/05/angst-is-een-slechte-raadgever.html)

Onderzoek naar omgaan met afgekolfde melk op Vlaamse materniteiten

Bronnenmateriaal

Bishop N.J. e. a. “Early diet of preterm infants and bone mineralization at age five years” in Acta Paediatrica 1996 (85), blz. 230-236
Corpeleijn, W.E. en J.B. Van Goudoever “Donormelkbanken” in Anten-Kools, E.J. e.a. (eds.) Een professionele kijk op borstvoeding, 2011, blz. 226-230
De Kok, S. “Moedermelkdonatie” in Borstvoeding Vandaag 2011 (3), blz. 4-5
Dettwyler, K. en P. Stuart-Macadam (eds.) “Breastfeeding. Biocultural perspectives” 1995
Faquharson J. e. a. “Infant cerebral cortex phospholipid fatty-acid composition and diet” in The Lancet 1992 (340), blz. 810-813
Henderson, G. e.a. “Enteral feeding regimens and necrotising enterocolitis in preterm infants. Multicentre case-control study”, in Archives of Disease in Childhood 2009 (94), blz. 120-123
Lawrence M.G. e.a. “Breastfeeding and the Use of Human Milk” in Pediatrics 2005 (115:2), blz. 496-506
Lemons P. e.a. “Breastfeeding the premature infant” in Clinics in Perinatology 1986 (13), blz. 111–122
Lucas A. e. a. “Breastmilk and neonatal necrotizing enterocolitis” in The Lancet 1990 (336), blz. 1519-1521
Mohrbacher, N. en J. Stock “Handboek lactatiebegeleiding” 2005
Schanler R.J. en N.M. Hurst “Human milk for the hospitalized preterm infant” in Seminars in Perinatology 1994 (18), blz. 476–484
Tully, M.R. en F. Jones “Donor milk banking” in Riordan, J. en K. Wambach (eds.) Breastfeeding and human lactation 2010 (4), blz. 471-494
Vandenplas, Y. en Delanghe, K. “De wondere wereld van zuigelingenvoeding” in Nutrinews 1999 (10), blz. 1-12
Van Zoeren-Grobben, D. “Afkolven, bewaren en opwarmen moedermelk” in Anten-Kools, E.J. e.a. (eds.) Een professionele kijk op borstvoeding, 2011, blz. 220-226
Vereniging Borstvoeding Natuurlijk “Informatieblad voor zorgverleners 3. Borstvoeding en vroeggeborenen” 2007
Weijers-Teerling, M. “Borstvoeding. Handleiding voor de zorgverlener” 2008 (4)
World Health Organization “Global strategy for infant and young child feeding” 2003

http://eurolac.blogspot.com/search/label/donormelk (geraadpleegd op 08/09/2011)
http://medischcontact.artsennet.nl/Tijdschriftartikel/94864/Onderzoek-naar-donormelk.htm (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://milkshare.birthingforlife.com/ (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://www.aafp.org/online/en/home/policy/policies/b/breastfeedingpositionpaper.html (geraadpleegd op 08/09/2011)
http://www.hciproject.org/sites/default/files/How%20you%20can%20safely%20heat%20treat%20breast%20milk_English_0.pdf (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://www.hm4hb.net/ (geraadpleegd op 09/09/2011)
http://www.moedermelknetwerk.nl/ (geraadpleegd op 10/09/2011)
http://www.phdinparenting.com/2010/11/28/risks-of-informal…-breastmilk-sharing-versus-formula-feeding/ (geraadpleegd op 08/09/2011)
http://www.vumc.nl/afdelingen/Neonatologie/Moedermelkbank/ (geraadpleegd op 10/09/2011)
http://www.who.int/nutrition/topics/global_strategy/en/index.html (geraadpleegd op 08/09/2011)

Persoonlijke correspondentie met Chella Verhoeven (IBCLC), oprichtster van het Moedermelk Netwerk

Met dank aan Gonneke van Veldhuizen-Staas (IBCLC) voor het nalezen van dit artikel!

© 2011


[1] Voor een kort historisch overzicht van moedermelkdonatie in Nederland zie het Moedermelk Netwerk: http://www.moedermelknetwerk.nl/index_bestanden/historie.html.

[2] In ontwikkelingslanden geeft men soms een ander advies, omdat het verhoogde infectiegevaar en overige gezondheidsrisico’s bij kunstvoeding, naast de kans op besmette kunstvoeding door de slechte waterkwaliteit of door onhygiënische bereidingsomstandigheden soms groter is dan op een besmetting met HIV via de moedermelk. In westerse landen is een HIV-besmetting van de moeder echter altijd een contra-indicatie voor het geven van borstvoeding.

[3] Deze lijst is niet exhaustief. Voor een uitgebreidere opsomming zie bijvoorbeeld Weijers-Teerling 2008(4).17-29 of http://www.borstvoeding.com/voorjebegint/motivatie/101-redenen-om-borstvoeding-te-geven.html.

[4] Hier worden de veiligste marges genoemd waarbinnen vrijwel geen bacterievoming zal optreden tijdens de bewaring. De meeste bronnen geven echter veel ruimere bewaringsmarges aan, maar uit veiligheidsoverwegingen heb ik me aan de minimumnormen gehouden.

[5] Wil je aan lacto-engineering doen, om de zuigeling calorierijkere melk te bezorgen, dan kan je de vette bovenlaag eraf scheppen met een goed schoon gemaakte lepel en apart opwarmen of kan je met een steriele spuit de waterigere onderlaag opzuigen en verwijderen voor het opwarmen.

Twee mama’s, twee dochtertjes, allebei borstvoeding…

zondag, augustus 14th, 2011

De jongste van bijna twee jaar oud en ik lopen even langs bij een vriendin met een pasgeboren babytje. Twee mama’s, twee dochtertjes, allebei borstvoeding…

We zijn nog maar net binnen als beide dametjes honger krijgen. Mijn vriendin en ik pakken allebei ons dochtertje op schoot, gaan tegenover elkaar zitten en beginnen te voeden, terwijl we gezellig verder kletsen. Het verschil in drinkgedrag valt onmiddellijk op. Mijn vriendin heeft nog niet goed en wel haar borst ontbloot of haar babytje doet al aanhappogingen. Het kan niet snel genoeg gaan… Eens aangehapt drinkt het kleine meisje gulzig en fanatiek, alsof haar leven ervan afhangt. Ik moet erom glimlachen, het hele gebeuren aan de overkant is zo herkenbaar.
Het babytje van mijn vriendin heeft haar eerste slokjes mamamelk al lang binnen, als mijn dochtertje nog rustig bezig is om zich te installeren op mijn schoot, en eerst een fijne drinkhouding zoekt vooraleer bedaard aan te happen. Mijn kleine meisje drinkt nog moedermelk voor de dorst, maar vooral ook voor de gezelligheid, lekker knus bij mama op schoot. Iets vertrouwds waar ze nu langzaamaan afscheid van aan het nemen is, op haar eigen tempo. Ze drinkt met trage zuig- en slikbewegingen, alsof ze wil genieten van elke druppel. Borstvoeding is voor haar “Mama tinkeh” geworden. Ik noem het “mama tanken”… En bedenk dat ze nog niet zo lang geleden even gulzig kon zijn als dat kleine dametje aan de overkant.

© 2011